Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3989

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-04-2021
Datum publicatie
07-05-2021
Zaaknummer
8926632 CV EXPL 20-45583
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg van een samenlevingsovereenkomst. Beroep op verjaring wordt verworpen, vordering wordt toegewezen (artikel 3:172 BW)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8926632 CV EXPL 20-45583

uitspraak: 30 april 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats eiseres].

eiseres,

gemachtigde: mr. W.J.G. Schröder te Rotterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘[eiseres]’ en ‘[gedaagde]’.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 2 december 2020, met producties;

  • -

    de aantekeningen van 17 december 2020 van het mondelinge antwoord van [gedaagde], alsmede de daarbij door hem overgelegde conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

  • -

    de aantekeningen van 21 januari 2021 van het mondelinge antwoord van [gedaagde];

  • -

    het tussenvonnis van 15 februari 2021 waarbij een mondelinge behandeling is gelast.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 maart 2021. Namens [eiseres] is haar gemachtigde verschenen. [gedaagde] is in persoon verschenen samen met [naam] (partner). De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. In 2003 hebben zij gezamenlijk een woning gekocht, gelegen aan het [adres] (hierna: de woning). De woning behoorde partijen in mede-eigendom (ieder voor 50%) toe.

2.2

In verband met de aankoop van de woning hebben partijen op 15 april 2003 een samenlevingsovereenkomst gesloten. In de samenlevingsovereenkomst is in artikel 6.4 het volgende bepaald:

In verband met de door partijen tezamen te bewonen woning aan het [adres], welke door partijen op heden gezamenlijk in eigendom is verkregen, zijn partijen overeengekomen als volgt:

De comparant sub 1 verklaart uit hoofde van geldlening thans schuldig te erkennen aan de comparante sub 2, die deze schuldigerkenning aanneemt, een bedrag in contanten, groot vijftienduizendtweehonderdéénenzeventig euro (EUR 15.271,--), wegens betaling door de comparante sub 2 van meer dan haar aandeel uit eigen middelen in de koopsom, zoals aan partijen genoegzaam bekend, met betrekking tot de verkrijging van voormelde woning. Het schuldig erkende bedrag is opeisbaar bij vervreemding van de woning en bij ontbinding van deze overeenkomst, anders dan overlijden of het aangaan van een huwelijk of geregistreerd partnerschap tussen partijen. Het schuldig erkende bedrag zal geen rente bedragen.”.

2.3

Partijen hebben gezamenlijk bij ASR Levensverzekering N.V. (hierna: ASR) een spaarhypotheekverzekering (hierna: de verzekering) afgesloten, onder polisnummer [polisnummer]. Bij aanvang van de verzekering heeft [eiseres] een bedrag van € 15.271,00 ingelegd. Partijen hebben vervolgens tot 2017 maandelijks beiden 50% van de verschuldigde premies betaald.

2.4

In april 2014 is de relatie tussen partijen geëindigd en op 25 september 2014 heeft [eiseres] de samenlevingsovereenkomst opgezegd.

2.5

De woning is in oktober 2018 verkocht.

2.6

ASR heeft, na de verkoop van de woning, op 2 mei 2019 een bedrag van in totaal € 31.353,22 uitgekeerd aan [eiseres] en [gedaagde]. Beiden hebben 50% van het uitgekeerde bedrag ontvangen.

3. De vordering in conventie

3.1

[eiseres] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van in totaal € 7.635,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van deze dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening.

3.2

[eiseres] legt aan haar vordering, voor zover van belang, ten grondslag dat bij de aankoop van de woning partijen bij ASR een verzekering hebben afgesloten. Met deze verzekering bouwden partijen een kapitaal op dat later noodzakelijk was om (een deel van) de schuld van de hypothecaire geldlening af te lossen. Beide partijen hebben, voor zover niet anders is bepaald, na verkoop van de woning recht op de helft van het opgebouwde kapitaal. Bij het afsluiten van de verzekering heeft [eiseres] uit eigen middelen een bedrag van € 15.271,00 ingelegd; de gezamenlijke premies zijn hierdoor gedeeltelijk vooruitbetaald om zo lagere maandlasten te hebben. Het resterende gedeelte van de maandelijkse premies is daarna altijd gelijk verdeeld over partijen.

Nadat de woning in 2018 is verkocht heeft de verzekering een bedrag van in totaal € 31.353,22 uitgekeerd. [eiseres] stelt dat dit bedrag eerst verminderd dient te worden met de startinleg van [eiseres] (€ 15.271,00) waarna het resterende bedrag van € 16.082,22 gelijk over partijen moet worden verdeeld. In eerste instantie heeft ASR ook op deze wijze uitgekeerd; [eiseres] heeft een bedrag van € 23.321,11 (€ 15.271,00 + € 8.041,11) ontvangen en [gedaagde] ontving een bedrag van € 8.041,11. Nadat de bovenstaande bedragen waren uitgekeerd, heeft [gedaagde] bij ASR/het Kifid een klacht ingediend omdat hij te weinig geld zou hebben ontvangen. Hij stelt immers dat er geen rekening hoeft te worden gehouden met de startinleg van [eiseres] en partijen beide recht hebben op de helft van het totaalbedrag. ASR heeft het aan [eiseres] uitgekeerde bedrag (€ 23.321,11) gedeeltelijk teruggevorderd en uitbetaald aan [gedaagde]. Partijen hebben hierdoor uiteindelijk beiden de helft van het totaalbedrag ontvangen, te weten € 15.676,61 per persoon. Door deze wijze van uitkeren is er geen rekening gehouden met de startinleg van [eiseres] en heeft [gedaagde] een bedrag van € 7.635,50 te veel ontvangen. Ondanks dat [gedaagde] is gesommeerd om een bedrag van € 7.635,50 over te maken naar [eiseres] heeft [gedaagde] dit tot op heden niet gedaan.

4. Het verweer in conventie

4.1

Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering. Hij voert daartoe aan dat partijen sinds het verbreken van hun relatie een strijd aan het voeren zijn over de uitleg van verschillende artikelen, waaronder artikel 6.4, uit de samenlevingsovereenkomst.

4.2

Het door [eiseres] gestelde ligt volgens [gedaagde] genuanceerder. Voor zover de vordering van [eiseres] niet verjaard is, heeft [gedaagde] onderbouwd dat voor de woning een aflossingsvrije beleggingshypotheek is afgesloten waarbij jaarlijks alleen de rente moest worden betaald zonder dat er afgelost werd op de hypotheek. Ondanks deze aflossingsvrije hypotheekvorm zouden de maandelijkse vaste lasten voor [eiseres] en [gedaagde] nog steeds te hoog zijn. Samen met de financieel adviseur is een constructie bedacht waarbij [eiseres] uit haar eigen vermogen een bedrag zou investeren om zo de maandelijkse premie omlaag te brengen. Om die reden is door [eiseres] een bedrag van € 15.271,00 ingelegd. Het geld van [eiseres] is gestort op een tussenrekening van ASR en hieruit werden jaarlijks de termijnbetalingen die aan de hypotheek gekoppeld waren betaald. Het volledige bedrag is opgegaan in de periode tussen 2003-2012. De opvolgende jaren (2012, 2013 en 2014) zijn betaald van de gezamenlijke rekening. Nu het bedrag volledig is opgegaan, kan [eiseres] dan ook geen aanspraak meer maken op het door haar gevorderde bedrag.

4.3

Voor zover er geoordeeld wordt dat [gedaagde] wel een bedrag verschuldigd is ten aanzien van de startinleg van [eiseres] stelt [gedaagde] dat hij dit alsnog niet verschuldigd is, omdat zijn aandeel in het onderhoud veel groter was dan dat van [eiseres]. Indien en voor zover het vast komt te staan dat [gedaagde] wel iets aan [eiseres] verschuldigd is, heeft [gedaagde] nog een heleboel tegenvorderingen.

5. De vordering in reconventie

5.1

[gedaagde] vordert bij vonnis [eiseres] te veroordelen tot betaling van de advocaatkosten van in totaal € 721,46.

5.2

[gedaagde] legt aan zijn vordering, voor zover van belang, ten grondslag dat door toedoen van [eiseres] hij in oktober 2020 onnodig advocaatkosten heeft gemaakt. [eiseres] heeft bij het uit handen geven van haar vordering onnodig informatie achtergehouden. [gedaagde] heeft daardoor ten onrechte op 12 oktober 2020 een exploot van de deurwaarder ontvangen ter hoogte van € 15.676,61. Door het actief optreden van de toenmalig gemachtigde van [gedaagde] is de vordering nu teruggebracht naar € 7.635,50. Als [eiseres] geen informatie had achtergehouden, was de vordering direct ingediend zoals deze op dit moment voorligt en waren de gemaakte kosten ter hoogte van € 721,46 niet nodig geweest.

6. Het verweer in reconventie

6.1

Het verweer van [eiseres] strekt tot afwijzing van de vordering. [eiseres] stelt dat de wijze waarop artikel 6.4 is geformuleerd ongelukkig is geweest. Hierdoor is in eerste instantie verwarring ontstaan en een te hoog bedrag gevorderd. [eiseres] heeft immers een vordering van € 15.271,00 op de beperkte gemeenschap en daardoor geen volledige vordering van dit bedrag op [gedaagde]. Om dit duidelijk te krijgen heeft [gedaagde] een gemachtigde ingeschakeld. Dit was niet nodig geweest indien [gedaagde] had gedaan wat hij op 24 oktober 2014 aan [eiseres] heeft beloofd; het betalen van de helft van € 15.271,00 aan [eiseres] op het moment dat het geld ter beschikking komt nadat de woning was verkocht.

7. De beoordeling in conventie en in reconventie

in conventie:

7.1

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat de vordering van [eiseres] zou zijn verjaard. De kantonrechter stelt vast dat de tussen partijen gesloten overeenkomst van geldlening een verbintenis tot nakoming van onbepaalde tijd is als bedoeld in artikel 3:307 lid 2 BW. Gelet hierop gaat voor deze overeenkomst de verjaringstermijn pas lopen vanaf de dag nadat [eiseres] heeft medegedeeld de vordering op te eisen. Aangezien niet is gesteld of gebleken dat [eiseres] de vordering voor 2018 heeft opgeëist, kan hier geen sprake zijn van verjaring. Het was ook pas mogelijk om de vordering op te eisen nadat de woning was verkocht. Dit verweer wordt dan ook verworpen.

7.2

Vervolgens dient beoordeeld te worden hoe artikel 6.4 van de samenlevingsovereenkomst moet worden uitgelegd. Hiervoor is van belang het in artikel 3:172 BW bepaalde. In dit artikel is het volgende bepaald: ‘Tenzij een regeling anders bepaalt, delen de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen in de vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijke goed oplevert, en moeten zij in dezelfde evenredigheid bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen welke bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht.’.

7.3

Tussen partijen is niet in geschil dat ieder voor de onverdeelde helft eigenaar was van de woning. Bovendien staat als onbetwist vast dat bij aanvang van de verzekering [eiseres] voor beiden een totaalbedrag van € 15.676,61 heeft ingelegd en dat partijen vervolgens ieder voor de helft draagplichtig waren voor de verzekering. Gelet op de in artikel 3:172 BW geformuleerde regel is hier sprake van een anders geformuleerde regeling voordat partijen beiden de helft van de vruchten en andere voordelen uit de gemeenschap toekomt. In artikel 6.4 van de samenlevingsovereenkomst is immers bepaald dat voordat de gemeenschap wordt verdeeld [eiseres] eerst uit deze gemeenschap een bedrag van € 15.271,00 krijgt uitbetaald. Ondanks dat de bepaling uit de samenlevingsovereenkomst uitermate ongelukkig is geformuleerd, is de bedoeling van partijen – zoals zij ook beiden hebben bevestigd - duidelijk geweest en zijn er geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan geoordeeld moet worden dat [eiseres] het deel dat zij voor [gedaagde] heeft ingelegd aan hem heeft geschonken. De door [gedaagde] gestelde omstandigheid dat hij een grotere inleg heeft gehad voor andere kosten tijdens hun relatie is daartoe onvoldoende en bovendien geldt dat [gedaagde] ook op grond van het feit dat hij naar eigen zeggen twee keer zoveel verdiende als [eiseres] – gehouden was tot die grotere inleg. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat van het totaal uitgekeerde bedrag eerst aan [eiseres] een bedrag van € 15.271,00 had moeten worden uitgekeerd. Nu dat is nagelaten en van dit deel de helft à € 7.635,50 ten onrechte is uitbetaald aan [gedaagde], dient [gedaagde] dit bedrag terug te betalen aan [eiseres].

7.4

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat gevorderde hoofdsom van € 7.635,50 toewijsbaar is.

7.5

De wettelijke rente is, zoals gevorderd, toewijsbaar vanaf de dag van dagvaarding.

in reconventie:

7.6

Voor zover [gedaagde] heeft bedoeld om - naast zijn vordering tot vergoeding van de door hem gemaakte advocaatkosten - ook zijn bij antwoord aangekondigde tegenvorderingen te vorderen, is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] deze andere vorderingen onvoldoende concreet heeft gemaakt. Deze vorderingen zullen dan ook niet worden beoordeeld, zodat enkel ter beoordeling voor ligt de vraag of [eiseres] de door [gedaagde] gemaakte advocaatkosten aan hem moet vergoeden.

7.7

Zoals uit het geschil in conventie blijkt, bestond tussen partijen onenigheid over de uitleg van artikel 6.4 van de samenlevingsovereenkomst. Mede in dat licht kan de enkele omstandigheid dat [gedaagde] de vordering van [eiseres] heeft moeten betwisten niet zondermeer de conclusie rechtvaardigen dat [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld, voor zover [gedaagde] dat al heeft bedoeld te stellen. Belangrijker is dat ook in het geval dat [eiseres] in de onderhavige procedure de oorspronkelijke - te hoge - vordering had ingediend en [gedaagde] daardoor een advocaat had moeten inschakelen, dit niet per se tot vergoeding van de advocaatkosten van [gedaagde] had kunnen leiden. In dat geval zou immers vast komen te staan dat [gedaagde] de helft van die vordering aan [eiseres] zou moeten betalen (zoals nu ook in conventie is geoordeeld) en een eventuele vordering tot vergoeding van de proceskosten zou dan in het voor hem meest gunstige geval leiden tot een compensatie van de proceskosten, zodat [gedaagde] in dat geval (ook) zijn eigen advocaatkosten zou moeten dragen.

7.8

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van [gedaagde] wordt afgewezen.

8. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 7.635,50, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

verklaart dit vonnis voor zover uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie:

wijst de vordering af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Kolk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44485