Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3978

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-04-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
8749516 CV EXPL 20-31574
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 157 lid 2 RV is op grond van artikel 158 Rv niet van toepassing op een onderhandse akte waarin verbintenissen van slechts één partij zijn aangegaan of vastgelegd, tenzij de akte volledig met de hand geschreven is of het bedrag is uitgeschreven

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8749516 CV EXPL 20-31574

uitspraak: 16 april 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

gemachtigde: mr. A.S. Sewman te Velp,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. C.T. de Jong-Boersma te Apeldoorn.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 28 augustus 2020, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 29 oktober 2020 waarbij een mondelinge behandeling is gelast;

  • -

    de aanvullende productie aan de zijde van [eiser] .

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 maart 2021. [eiser] is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. [gedaagde] is ook in persoon verschenen en bijgestaan door haar gemachtigde. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

[eiser] en [gedaagde] hebben een (vriendschappelijke) relatie gehad in de periode 2014 tot en met medio 2019.

2.2

Op 9 juni 2015 heeft [eiser] een schuldbekentenis opgesteld. De tekst daarvan luidt als volgt:

[ afbeelding schuldbekentenis ]

2.3

[eiser] heeft [gedaagde] bij brief van 21 april 2020 in gebreke gesteld.

3. De vordering

3.1

[eiser] vordert bij dagvaarding bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem te voldoen een bedrag van € 9.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 april 2020 tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2

Aan zijn vordering heeft [eiser] – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.1

In de periode van 2014 tot en met 2019 heeft [eiser] meerdere keren financiële ondersteuning geboden aan [gedaagde] ; het totaal wordt geschat op ruim € 16.000,00. [gedaagde] kwam bijna iedere maand te kort. Zodoende heeft [eiser] medio 2015 een lening ter hoogte van € 8.500,00 verstrekt. Dit blijkt uit de door [gedaagde] ondertekende schuldbekentenis. Op verzoek van [gedaagde] is dit bedrag in contanten verstrekt.

3.2.2

Partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] het bedrag van € 8.500,00 uiterlijk op 1 oktober 2015 zou aflossen. Indien die betaling uit zou blijven was [gedaagde] een boete van € 1.000,00 verschuldigd aan [eiser] . Omdat [gedaagde] de afspraak zoals overeengekomen tot op heden niet is nagekomen is zij daarmee tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. [eiser] vordert nakoming van de overeenkomst en uit dien hoofde terugbetaling van het door hem uitgeleende bedrag van € 8.500,00 en een boete van € 1.000,00.

4. Het verweer

4.1

[gedaagde] heeft verweer gevoerd en tot afwijzing van de vorderingen geconcludeerd, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, met bepaling dat [eiser] over het bedrag van deze proceskosten de wettelijke rente verschuldigd zal zijn vanaf de vijftiende dag na betekening van het in deze te wijzen vonnis.

4.1.1

[gedaagde] betwist dat sprake is van een geldlening.

4.1.2

Volgens [gedaagde] was er in de periode 2014 tot halverwege 2019 sprake van een amoureuze relatie. [eiser] verbleef vier dagen per week bij [gedaagde] thuis. In deze periode ging [gedaagde] ervan uit dat [eiser] een steentje bijdroeg in het huis(houden). Nimmer heeft [gedaagde] kunnen vermoeden dat kosten voor de boodschappen, cadeautjes en uitstapjes achteraf werden gezien als lening, zoals het totaalbedrag van € 16.000,00 nu door [eiser] wordt omschreven. Uit de door [eiser] overgelegde rekening afschriften blijkt daarnaast dat zij juist regelmatig geld naar [eiser] overschreef. Verder is er nimmer een gesprek of een aanmaning geweest over de vermeende geldlening van € 8.500,00. Ook in de gesprekken die tussen partijen via Whatsapp hebben plaatsgevonden is er nimmer gesproken over een lening.

4.1.3

De schuldbekentenis, zoals deze is overgelegd, kwam in mei 2020 als donderslag bij heldere hemel door de brievenbus van [gedaagde] . [eiser] heeft [gedaagde] destijds na het innemen van haar medicijnen, gelet op haar medische toestand in die periode, deze schuldbekentenis laten tekenen. Hiermee heeft [eiser] misbruik gemaakt van de omstandigheden.

5. De beoordeling van de vordering

5.1

Het geschil ziet op de vraag of tussen partijen een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen uit hoofde waarvan [gedaagde] gehouden is een bedrag van € 9.500,00 aan [eiser] te betalen.

5.2

Ter onderbouwing van zijn stelling dat tussen partijen een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen heeft [eiser] een door hem opgestelde schuldbekentenis in het geding gebracht die door beide partijen is ondertekend.

5.3

De door partijen getekende schuldbekentenis is een onderhandse akte. Artikel 157 lid 2 Rechtsvordering (hierna: Rv). bepaalt dat een onderhandse akte, ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs oplevert van de waarheid van die verklaring, tenzij dit zou kunnen leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat.

5.4

Het tweede lid van artikel 157 Rv is op grond van artikel 158 Rv niet van toepassing op een onderhandse akte waarin verbintenissen van slechts één partij zijn aangegaan of vastgelegd, voor zover die verbintenissen strekken tot voldoening van een geldsom, tenzij deze partij de akte geheel met de hand heeft geschreven of heeft voorzien van een goedkeuring die de geldsom voluit in letters vermeldt.

5.5

Vast staat dat in de (onderhandse) akte van schuldbekentenis waar [eiser] zich op beroept een verbintenis van alleen [gedaagde] is aangegaan en dat die verbintenis strekt tot voldoening van een geldsom. Voorts staat vast dat [eiser] de akte heeft opgesteld en dat deze niet met de hand is geschreven door [gedaagde] . De schuldbekentenis is evenmin voorzien van ene goedschrift in de zin van artikel 158 Rv. Artikel 157 lid 2 Rv is daarom niet van toepassing op de schuldbekentenis voor zover de verbintenissen strekken tot voldoening van een geldsom, en de schuldbekentenis levert daaromtrent tussen partijen dan ook geen dwingend bewijs op, maar heeft vrije bewijskracht. Dit betekent dat de kantonrechter vrij is in de waardering van het bewijs dat de schuldbekentenis oplevert.

5.6

[eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd meegedeeld dat het bedrag van € 8.500,00 in feite een optelsom is van door hem in het verleden verstrekte bedragen. Dat [gedaagde] , zoals in de schuldbekentenis staat vermeld, op 9 juni 2015 een bedrag van € 8.500,00 heeft geleend is dus niet juist. De schuldbekentenis kan daarom niet als onderbouwing dienen voor de stelling van [eiser] dat tussen partijen op 9 juni 2015 een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen.

5.7

[gedaagde] heeft de mondelinge afspraak waar [eiser] zich op beroept gemotiveerd betwist. Zij heeft in dat verband aangevoerd dat de uitgaven voor de gemeenschappelijke activiteiten onverplicht zijn gedaan, zonder de afspraak dat de door hem uitgegeven bedragen een lenig waren. [gedaagde] droeg ook haar deel bij.

5.8

Het had op de weg van [eiser] gelegen om zijn stelling dat partijen in het verleden mondelinge afspraken over de terugbetaling van door hem betaalde bedragen hebben gemaakt nader te onderbouwen. De aangevoerde stellingen door [eiser] zien alleen op de bestemming, maar niet op vermeende afspraken die zouden zijn gemaakt. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [eiser] zijn stelling dat in het verleden mondelinge afspraken tussen partijen zijn gemaakt over de terugbetaling van de door hem betaalde bedragen, tegenover de betwisting daarvan door [gedaagde] , onvoldoende heeft onderbouwd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] desgevraagd verklaard niet over nadere bewijsstukken te beschikken, dan de onder 2.2 opgenomen schuldbekentenis, zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen.

5.9

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat in rechte niet vast staat dat tussen partijen een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen. De vordering wordt daarom bij gebrek aan een grondslag afgewezen. Dit geldt dientengevolge ook voor de vorderingen tot vergoeding van de vermeende boete en de wettelijke rente.

5.10

[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 622,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten van € 311,00 per punt).

6. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 622,00 aan salaris voor de gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande vijftien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Kolk en uitgesproken ter openbare terechtzitting. 44485