Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3951

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-04-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
10/750134-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak mensenhandel, geen bewijs voor oogmerk van uitbuiting. Veroordeling voor uit winstbejag behulpzaam zijn bij illegaal verblijf in Nederland door tegen betaling woon- en werkruimte te regelen, wetende dat dat verblijf wederrechtelijk was. Gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/750134-20

Datum uitspraak: 23 april 2021

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd

in de PI Zuid-Oost, locatie ter Peel, te Evertsoord,

raadsman mr. R. Heemskerk, advocaat te 's-Gravenhage.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 9 april 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. I.M.H. Masselink heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achtentwintig maanden, met aftrek van voorarrest;

  • -

    verbeurdverklaring van inbeslaggenomen telefoons en een geldbedrag.

4. Waardering van het bewijs

Feit 1 (mensenhandel)

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

Feit 2 (mensenhandel)

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte in de periode van 3 september 2019 tot en met 29 februari 2020 aangeefster [naam aangeefster 1] door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, gehuisvest en opgenomen, heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot prostitutiewerkzaamheden, heeft bewogen haar te bevoordelen uit de opbrengsten van die prostitutiewerkzaamheden, haar heeft meegenomen met het oogmerk haar in een ander land ertoe te brengen prostitutiewerkzaamheden te verrichten en opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van aangeefster.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft bepleit de verdachte vrij te spreken van het onder 2 ten laste gelegde feit. Daartoe is aangevoerd dat er geen bewijs is voor het oogmerk van uitbuiting en het dwingen of bewegen van de aangeefster om zich beschikbaar te stellen voor prostitutie. De verdachte heeft dus ook geen voordeel getrokken uit uitbuiting van aangeefster.

Beoordeling

Onder bepaalde voorwaarden is prostitutie in Nederland legaal. Dit is anders als (daarnaast)

sprake is van mensenhandel. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 273f (oud) van

het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en de jurisprudentie volgt dat mensenhandel is

gericht op uitbuiting. Bij de strafbaarstelling van mensenhandel staat het belang van het

individu steeds voorop. Het te beschermen belang is het behoud van zijn of haar lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid. De in dit artikel opgenomen verboden gedragingen beïnvloeden de wil, waaronder is begrepen de keuzemogelijkheid van het slachtoffer, in die zin dat die leiden tot het ontbreken van vrijwilligheid, waartoe ook behoort het ontbreken of de vermindering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken. Dit gebrek aan een vrije keuze en afhankelijkheid komt nader tot uitdrukking in de verschillende bestanddelen van artikel 273f Sr, waarbij deze gedragingen alleen bestraft kunnen worden als ze zijn begaan onder omstandigheden waarbij (het oogmerk van) uitbuiting kan worden verondersteld (HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309, HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554).

De rechtbank dient in de onderhavige zaak te beoordelen of de verdachte (al dan niet samen

met een ander of anderen) zich ten opzichte van aangeefster schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel in de zin van artikel 237f Sr, sub-onderdelen 1, 4, 6 en 9 van lid 1.

Vooropgesteld moet worden dat het in 273f, eerste lid, aanhef en onder 1o Sr voorkomende bestanddeel ‘uitbuiting’ in de wet niet is gedefinieerd, anders dan in het tweede lid van voornoemd artikel door de opsomming van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder uitbuiting van een ander in de prostitutie. De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van de onderhavige bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval.

Voorts is van belang dat ‘uitbuiting’ moet worden aangemerkt als een impliciet bestanddeel van art. 273f, eerste lid aanhef en onder 4°, 6o, en 9o Sr, nu de in die bepalingen bedoelde gedragingen eerst dan als ‘mensenhandel’ kunnen worden bestraft, indien uit de bewijsvoering volgt dat is voldaan aan de voorwaarde dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld.

Voor wat betreft de vraag of er in dit geval sprake is van (het oogmerk van) uitbuiting overweegt de rechtbank als volgt.

Aangeefster heeft uitgebreid en gedetailleerd verklaard over haar komst naar Nederland, haar werkzaamheden in Nederland als prostituee en de rol die de verdachte daarbij had. De rechtbank stelt echter vast dat de ter zake door haar naar voren gebrachte feiten en omstandigheden - overigens zonder een oordeel te geven over het waarheids- en betrouwbaarheidsgehalte daarvan - ten aanzien van de vraag of daarbij sprake is was van (het oogmerk van) uitbuiting, onvoldoende steun vinden in andere objectieve en redengevende bewijsmiddelen. Zo wordt de verklaring van aangeefster dat zij bij aankomst in Nederland een schuld zou hebben van €7.000,- bij de verdachte, dat aangeefster geen invloed had op de inhoud van de voor haar door de verdachte aangemaakte advertentietekst en dat zij niet de mogelijkheid had om klanten of bepaalde seksuele handelingen te weigeren, niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. Voorts is het deel van haar inkomsten uit prostitutie dat zij naar haar zeggen aan de verdachte moest afstaan voor haar bemiddelende rol tussen aangeefster en haar klanten en tussen aangeefster en woningeigenaren, niet zodanig hoog dat reeds om die reden sprake is van (het oogmerk van) uitbuiting. Daarmee is er onvoldoende wettig bewijs voorhanden om te komen tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde mensenhandel.

Conclusie

De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit.

Feit 3 (mensensmokkel)

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensensmokkel in die zin dat verdachte behulpzaam is geweest bij het verschaffen van toegang van aangeefster [naam aangeefster 1] tot Nederland en dat zij zich bezig hield met het verschaffen van illegaal verblijf van aangeefsters [naam aangeefster 1] en [naam aangeefster 2].

Standpunt verdediging

De raadsman heeft bepleit de verdachte van dit feit vrij te spreken. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte niet behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van illegale toegang tot Nederland en evenmin bij het illegaal verblijf in Nederland van aangeefsters [naam aangeefster 2] en [naam aangeefster 1]. Beiden zijn op eigen gelegenheid en op legale wijze naar Nederland gekomen, namelijk op basis van een toeristenvisum. De verdachte was niet op de hoogte van het feit dat beide aangeefsters op enig moment zonder geldige titel in Nederland verbleven.

Ten aanzien van [naam aangeefster 1] geldt verder dat zij door bemiddeling van een ander naar Nederland is gekomen. De verdachte heeft daarin geen rol gehad, hoewel zij wel met haar is meegevlogen vanuit Colombia. Eenmaal in Nederland heeft de verdachte geen bemoeienis gehad met de verblijfspositie van [naam aangeefster 1].

Beoordeling

Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt het bewijs dat de verdachte de in de tenlastelegging genoemde personen behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland of doorreis door Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie, of deze personen daartoe de gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft. Weliswaar is de verdachte samen met [naam aangeefster 1] vanuit Colombia naar Nederland gevlogen, maar het dossier biedt geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de verdachte deze reis heeft bekostigd, dan wel dat zij die reis op andere wijze heeft gefaciliteerd. De enkele afbeelding van een vliegticket op de telefoon van de verdachte is onvoldoende om dat aan te kunnen nemen.

Uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen is daarentegen wel komen vast te staan dat de verdachte voor aangeefsters - (nagenoeg) wekelijks wisselende - adressen regelde, waar zij konden verblijven en waar zij hun prostitutiewerkzaamheden verrichtten. Voor deze bemiddelende rol tussen aangeefsters en woningeigenaren ontving de verdachte van aangeefsters een bedrag van € 50,- per adres.

De verdachte was ervan op de hoogte dat beide dames illegaal in Nederland verbleven. Dit volgt uit het feit dat de verdachte wetenschap had van de nationaliteit van de beide aangeefsters, dat zij wist dat zij in de prostitutie gingen werken, naar zij heeft verklaard: ” zoals alle transgenders die naar Nederland komen” en dat zij wist dat zij hier waren op basis van een toeristenvisum, waarvan bekend is dat daarmee niet gewerkt mag worden en dat zo’n visum een beperkte geldigheidsduur heeft. Overigens heeft de verdachte ten aanzien van aangeefster [naam aangeefster 1] met zoveel woorden verklaard dat zij geen verblijfsvergunning had.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte aangeefsters uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland door tegen betaling woon-/werkruimte voor hen te regelen, terwijl de verdachte wist dat dat verblijf wederrechtelijk was.

Er is echter geen bewijs dat de verdachte dit samen met één of meer anderen heeft gedaan.

Conclusie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het uit winstbejag behulpzaam zijn van anderen bij het verschaffen van illegaal verblijf in Nederland, waarmee het onder 3. ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen..

Bewezenverklaring

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 3. ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij,

in de periode van 1 september 2018 tot en met 29 februari 2020 in Nederland,

A. een persoon met de Colombiaanse nationaliteit, te weten [naam aangeefster 1],

- telkens uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in

Nederland door

- telkens tegen betaling woonruimte voor die genoemde [naam aangeefster 1] te regelen,

en aldus het verblijf in

Nederland te faciliteren ,

en

B. een persoon met de Colombiaanse nationaliteit, te weten [naam aangeefster 2],

telkens uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in

Nederland door

- telkens tegen betaling woonruimte voor die genoemde [naam aangeefster 2] te

regelen,

en aldus het verblijf in Nederland te faciliteren ,

terwijl zij, verdachte, wist dat dat verblijf wederrechtelijk was.

Hetgeen meer of anders ten laste is gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

De overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

3.

een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is uit winstbejag aangeefsters behulpzaam geweest bij hun illegale verblijf in Nederland. De verdachte heeft daarmee het overheidsbeleid ten aanzien van de bestrijding van illegaal verblijf in Nederland doorkruist. Bovendien heeft het handelen van de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van een illegaal circuit dat diverse maatschappelijk ongewenste effecten met zich brengt.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 maart 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Gezien de aard en ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur daar van heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. In beslag genomen voorwerpen

Standpunt verdediging

De raadsman heeft verzocht het in beslag genomen geldbedrag terug te geven aan de verdachte. Ten aanzien van de in beslag genomen telefoons heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling

Ten aanzien van de in beslag genomen telefoons en het in beslag genomen geldbedrag zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte, nu de verdachte zal worden vrijgesproken van de feiten in het kader waarvan deze voorwerpen en dit geldbedrag in beslag zijn genomen.

9. Vorderingen benadeelde partijen

[naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] hebben zich ter zake van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten als benadeelde partijen in het geding gevoegd. Beide benadeelde partijen vorderen zowel een vergoeding voor materiële schade als een vergoeding voor immateriële schade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] ten aanzien van feit 1. Voor feit 3 heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 2].

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn, gelet op de bepleite vrijspraak van de ten laste gelegde feiten.

Beoordeling

De benadeelde partijen zullen in de vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard. Aan de verdachte wordt immers geen straf of maatregel opgelegd ten aanzien van de feiten 1 en 2. Voorts is niet komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd, rechtstreeks verband houdt met het onder 3. bewezen verklaarde feit.

Nu de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 57 en 197a van het Wetboek van Strafrecht.

11 . Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 3. ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- gelast de teruggave aan verdachte van:

[afbeelding]

verklaart de benadeelde partijen [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Hello, voorzitter,

en mrs. R. Brand en F. Wegman, rechters,

in tegenwoordigheid van L. Lobs-Tanzarella, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

zij,

in of omstreeks de periode van 1 september 2018 tot en met 6 november 2019 te Rotterdam

en/of Den Haag en/of Tilburg en/of Arnhem en/of Amsterdam en/of Venlo en/of Maastricht

en/of Zoetermeer en/of Nijmegen en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een ander, genaamd [naam aangeefster 2] (werknaam [werknaam 1], [werknaam 2] en/of [werknaam 3] en/of

[werknaam 4] en/of [werknaam 5]),

(telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1º van artikel 273f Wetboek van Strafrecht

genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of

dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of door fraude en/of

door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht

en/of door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [naam aangeefster 1] heeft,

1) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk

van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1), en/of

2) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of

diensten (van seksuele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan zij,

verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die

[naam aangeefster 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of

diensten (van seksuele aard) (artikel 273f lid 1 sub 4), en/of

3) heeft gedwongen of bewogen haar, verdachte, en/of haar mededader(s) te bevoordelen uit

de opbrengst van seksuele handelingen van die [naam aangeefster 1] met of voor een derde tegen

betaling (artikel 273f lid 1 sub 9),

en/of

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [naam aangeefster 1]

(artikel 273 f lid 1 sub 6),

waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld of een andere

feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit:

- het zich op boze en/of agressieve en/of (anderszins) dreigende en/of overheersende en/of

denigrerende toon/wijze te uiten tegen die [naam aangeefster 1];

- het in rekening brengen van (zogenaamd) gemaakte kosten aan die [naam aangeefster 1];

en/of waarbij voornoemde (onder 2) “enige handeling” heeft bestaan uit:

- het onderbrengen van die [naam aangeefster 1] in een woning, terwijl zij, verdachte, en/of haar

mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat voor dat onderdak als tegenprestatie seksuele diensten van die [naam aangeefster 1] zouden worden verlangd;

- het regelen van een woonadres en of een inschrijfadres voor die [naam aangeefster 1];

- het (laten) regelen van (een) werkplek(ken) voor die [naam aangeefster 1];

- het maken van foto’s voor advertenties op één of meer website(s) waarin die Jaramillo

Ayala werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden;

- het aanmaken en/of onderhouden (waaronder begrepen het “omhoog plaatsen”) van één of

meer advertenties op één of meer website(s) waarin die [naam aangeefster 1] werd aangeboden

voor prostitutiewerkzaamheden;

- het geven van uitleg en/of instructie aan die [naam aangeefster 1] met betrekking tot de door die

[naam aangeefster 1] te verrichten prostitutiewerkzaamheden;

- het onderhouden van contacten met en/of het maken van afspraken met (potentiële)

(prostitutie)klant(en) voor die [naam aangeefster 1] en/of het maken van afspraken met die

(potentiële) klant(en) over de aard van de prostitutiewerkzaamheden en/of de daarvoor te

betalen bedragen;

- het bepalen welke klanten die [naam aangeefster 1] moest aannemen voor haar

prostitutiewerkzaamheden;

- het instrueren van die [naam aangeefster 1] (per telefoon) wanneer zij klaar moest staan voor

prostitutiewerkzaamheden;

2.

zij,

in of omstreeks de periode van 3 september 2019 tot en met 29 februari 2020 te Rotterdam

en/of Tilburg en/of Dordrecht en/of Enschede en/of Delft en/of Amsterdam en/of Kampen

en/of Kerkrade en/of Zwolle en/of elders in Nederland en/of in Colombia

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een ander, genaamd [naam aangeefster 1] (werknaam [werknaam 6]),

(telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1º van artikel 273f Wetboek van Strafrecht

genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of

dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of door fraude en/of

door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht

en/of door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [naam aangeefster 1] heeft,

1) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk

van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1), en/of

2) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of

diensten (van seksuele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan zij,

verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die

[naam aangeefster 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of

diensten (van seksuele aard) (artikel 273f lid 1 sub 4), en/of

3) heeft gedwongen of bewogen haar, verdachte, en/of haar mededader(s) te bevoordelen uit

de opbrengst van seksuele handelingen van die [naam aangeefster 1] met of voor een derde tegen

betaling (artikel 273f lid 1 sub 9),

en/of

(telkens) heeft aangeworven en/of medegenomen met het oogmerk die [naam aangeefster 1] in

een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van een of

meer seksuele handeling(en) met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 3),

en/of

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [naam aangeefster 1]

(artikel 273 f lid 1 sub 6),

waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld of een andere

feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit:

- het (laten) mishandelen van die [naam aangeefster 1] (onder andere door die [naam aangeefster 1] te

(laten) slaan);

- het zich op boze en/of agressieve en/of (anderszins) dreigende en/of overheersende en/of

denigrerende toon/wijze te uiten tegen die [naam aangeefster 1];

- het in rekening brengen van (zogenaamd) gemaakte kosten aan die [naam aangeefster 1];

en/of waarbij voornoemde (onder 2) “enige handeling” heeft bestaan uit:

- het onderbrengen van die [naam aangeefster 1] in een woning, terwijl zij, verdachte, en/of haar

mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat voor dat onderdak als tegenprestatie seksuele diensten van die [naam aangeefster 1] zouden worden verlangd;

- het regelen van een woonadres en of een inschrijfadres voor die [naam aangeefster 1];

- het (laten) regelen van (een) werkplek(ken) voor die [naam aangeefster 1];

- het maken van foto’s voor advertenties op één of meer website(s) waarin die [naam aangeefster 1] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden;

- het aanmaken en/of onderhouden (waaronder begrepen het “omhoog plaatsen”) van één of

meer advertenties op één of meer website(s) waarin die [naam aangeefster 1] werd aangeboden

voor prostitutiewerkzaamheden;

- het geven van uitleg en/of instructie aan die [naam aangeefster 1] met betrekking tot de door die

[naam aangeefster 1] te verrichten prostitutiewerkzaamheden;

- het onderhouden van contacten met en/of het maken van afspraken met (potentiële)

(prostitutie)klant(en) voor die [naam aangeefster 1] en/of het maken van afspraken met die

(potentiële) klant(en) over de aard van de prostitutiewerkzaamheden en/of de daarvoor te

betalen bedragen;

- het bepalen welke klanten die [naam aangeefster 1] moest aannemen voor haar

prostitutiewerkzaamheden;

- het instrueren van die [naam aangeefster 1] (per telefoon) wanneer zij klaar moest staan voor

prostitutiewerkzaamheden;

3.

zij,

in of omstreeks de periode van 1 september 2018 tot en met 29 februari 2020 te Rotterdam

en/of Tilburg en/of Dordrecht en/of Enschede en/of Delft en/of Amsterdam en/of Kampen

en/of Kerkrade en/of Zwolle en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen althans

eenmaal

A. een persoon met de Colombiaanse nationaliteit, te weten [naam aangeefster 1],

- behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door

Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie en/of genoemde personen

daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft (lid 1)

en/of

- telkens uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in

Nederland en/of een andere lidstaat in de Europese Unie, en/of genoemde persoon

daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft (lid 2)

door

- ( een) vliegticket(s) vanuit Colombia naar Nederland, althans een land in de Europese

Unie, voor die genoemde [naam aangeefster 1] aan te (laten) schaffen en/of

- telkens tegen betaling woonruimte voor die genoemde [naam aangeefster 1] te regelen,

en (aldus) de doorreis en/of het transport en/of toegang door/naar en/of het verblijf in

Nederland en/of een land in de Europese Unie te organiseren en/of faciliteren en/of

coördineren,

en/of

B. een persoon met de Colombiaanse nationaliteit, te weten [naam aangeefster 2],

telkens uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in

Nederland en/of een andere lidstaat in de Europese Unie, en/of genoemde persoon daartoe

gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft (lid 2)

door

- telkens tegen betaling woonruimte voor die genoemde [naam aangeefster 2] te

regelen,

en (aldus) het verblijf in Nederland te organiseren en/of faciliteren en/of coördineren,

terwijl zij, verdachte, en haar mededader(s), wist(en) of ernstige redenen had(den) te

vermoeden dat die toegang of die doorreis of dat verblijf wederrechtelijk was.