Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3936

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
10/147214-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Vrijspraak zwaar lichamelijk letsel. Verwerping verweer dat verdachte geen opzet had op het toebrengen van letsel. Taakstraf voor de duur van 150 uren en een vrijheidsbeperkende maatregel, inhoudende contactverbod met aangeefster. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/147214-19

Datum uitspraak: 28 april 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw T. Sandrk, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 14 april 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B.M.M. Zonneveld heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    oplegging van een gedragsbeperkende maatregel, te weten een contactverbod met aangeefster [naam slachtoffer] , als bedoeld in artikel 38v van het wetboek van Strafrecht (Sr), bij overtreding van welke maatregel twee weken hechtenis moet worden opgelegd, met een maximum van negen maanden;

  • -

    dadelijke uitvoerbaarheid van de gedragsbeperkende maatregel.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De verdachte en haar medeverdachten hebben op de openbare weg geweldshandelingen verricht tegen aangeefster. De verdachte heeft opzettelijk met een stuurslot tegen het hoofd van

aangeefster geslagen. Het letsel van de verdachte, te weten een hoofdwond, een hersenschudding en een schedelfractuur, is – mede gelet op de herstelduur van ruim zes weken – te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel.

4.1.2.

Standpunt verdediging

Niet betwist wordt dat de verdachte betrokken is geweest bij de vechtpartij, maar wel wordt betwist dat de verdachte opzettelijk letsel aan aangeefster [naam slachtoffer] heeft toegebracht. De verdachte en aangeefster waren beiden aan het stuurslot aan het trekken. Doordat de verdachte het stuurslot ineens losliet, ‘kaatste’ het stuurslot tegen het hoofd van aangeefster aan waardoor het letsel is ontstaan. Voorts dient vrijspraak te volgen van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel omdat medisch ingrijpen, op het hechten van de hoofdwond na, niet noodzakelijk was en er geen sprake is van een ontsierend litteken in het gezicht van aangeefster.

4.1.3.

Beoordeling

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte samen met haar ouders (de medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] ) een ontmoeting heeft gehad met aangeefster [naam slachtoffer] op de openbare weg en dat alle drie de verdachten geweld hebben gepleegd tegen aangeefster. Aangeefster verklaart dat zij door de verdachte met een stuurslot tegen haar hoofd is geslagen. Getuige [naam getuige] verklaart ter plaatse ten overstaand van de verbalisanten eensluidend. Aangeefster heeft hierdoor een schedelfractuur en een verwonding, waarbij haar schedelbot zichtbaar was, op de linkerzijde van haar voorhoofd opgelopen. De huidverwonding is gehecht. Gelet op de ernst van het letsel en de verklaringen van aangeefster en getuige [naam getuige] , acht de rechtbank het niet aannemelijk dat het stuurslot tegen het hoofd van aangeefster is ‘geklapt’ doordat de verdachte het stuurslot ineens losliet. De rechtbank verwerpt het verweer dat de verdachte niet opzettelijk letsel aan aangeefster heeft toegebracht.


De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, gelet op de aard en ernst van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel, van oordeel dat het letsel van aangeefster niet te kwaliceren is als zwaar lichamelijk letsel. Er heeft geen operatief ingrijpen plaatsgevonden, aangeefster is hersteld en heeft er geen ontsierend littekend in haar gezicht aan overgehouden omdat het litteken grotendeels onder de haargrens zit.

4.1.4.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld met enig letsel ten gevolge. De verdachte wordt vrijgesproken van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij op 18 juni 2019 te Rotterdam, op de openbare weg, te weten de Beukendaal, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [naam slachtoffer] , door

- die [naam slachtoffer] bij de keel vast te pakken en

- die [naam slachtoffer] met een bus deodorant in het gezicht te spuiten en

- die [naam slachtoffer] een kopstoot te geven en

- die [naam slachtoffer] met een stuurslot tegen het hoofd te slaan en

- die [naam slachtoffer] tegen het lichaam te slaan
terwijl het door haar gepleegde geweld enig lichamelijk letsel voor die [naam slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Openlijk in vereniging geweld tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf en maatregel

7.1.

Algemene overweging

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Naar aanleiding van een familieruzie tussen de verdachte en aangeefster [naam slachtoffer] (de schoonzus van de verdachte) is zij samen met haar ouders, medeverdachten [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] , verhaal gaan halen bij aangeefster. In de nacht van 17 op 18 juni 2019, rond 00.30 uur, zijn zij met z’n drieën met de auto van [naam medeverdachte 1] naar de woning van de moeder van aangeefster gegaan. Omdat de moeder van aangeefster de deur niet open deed, zijn zij naar de achtertuin gegaan en hebben daar staan schreeuwen. Vervolgens zijn de verdachte en haar ouders weer in de auto gestapt om op zoek te gaan naar aangeefster. Enige tijd later kwamen zij terug bij de woning van de moeder van aangeefster en is het in de buurt van die woning tot een confrontatie gekomen tussen de verdachte, [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] enerzijds en aangeefster [naam slachtoffer] en haar partner [naam getuige] (de broer van de verdachte) anderzijds. Alle drie de verdachten hebben zich op een agressieve wijze richting aangeefster begeven. De vader van de verdachte heeft aangeefster bij haar keel gegrepen, waarop de moeder van de verdachte met deodorant in het gezicht van aangeefster heeft gespoten. Vervolgens heeft de verdachte een ijzeren stuurslot uit de auto gepakt en heeft aangeefster hiermee tegen haar hoofd geslagen. Daarna heeft de moeder van de verdachte aangeefster nog geslagen en een kopstoot gegeven. Aangeefster heeft door het toegepaste geweld onder andere een grote hoofdwond en een schedelfractuur opgelopen.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat zij samen met haar ouders in de nacht op agressieve wijze verhaal is gaan halen bij aangeefster en haar moeder. De verdachte is net zo lang blijven rijden totdat aangeefster gevonden was. De rechtbank rekent het de verdachte daarnaast zwaar aan dat zij met een ijzeren stuurslot aangeefster te lijf is gegaan en aldus fors geweld heeft toegepast. Door zo te handelen heeft de verdachte niet alleen aangeefster schade, letsel en leed toegebracht, ook het gezin van het slachtoffer met twee jonge kinderen heeft hieronder geleden omdat zij enige tijd niet in staat was voor haar gezin te zorgen. Daarnaast zorgen uitingen van geweld op de openbare weg doorgaans ook in de samenleving als geheel voor gevoelens van onrust en onveiligheid. Het geweld heeft plaats gevonden in de familiesfeer en heeft tot op heden tot gevolg dat er geen contact meer is tussen de verdachte en het gezin van haar broer [naam getuige] met aangeefster en hun twee kinderen. De uit de hand gelopen familieruzie heeft enkel geleid tot verliezers.

7.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.2.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 maart 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gelet op het aandeel van de verdachte in het openlijk geweld – het slaan met een ijzeren stuurslot tegen het hoofd van het slachtoffer – acht de rechtbank oplegging van een taakstraf passend en geboden. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank, gelet op het tijdsverloop tussen het strafbare feit en de veroordeling, de jeugdige leeftijd van de verdachte zelf en de omstandigheid dat de verdachte moeder is van een minderjarig kind, geen aanleiding om een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf op te leggen.

Ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten en voor het gevoel van veiligheid van aangeefster wordt aan de verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van één jaar opgelegd, inhoudende een contactverbod met aangeefster. Bij overtreding van de maatregel zal vervangende hechtenis voor de duur van één week worden opgelegd, met een maximum van zes maanden. Omdat niet is gebleken dat er na het ten laste gelegde nieuwe incidenten hebben plaatsgevonden tussen de verdachte en aangeefster ziet de rechtbank geen aanleiding om, zoals geëist door de officier van justitie, deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 150 uren passend en geboden.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

[naam slachtoffer]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam slachtoffer] ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 20.379,02 aan materiële schade en een vergoeding van € 10.000 aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke gedeeltelijke toewijzing van de vordering, te weten € 956,44 aan materiële schade (de posten 1 t/m 4: beschadigde kleding/zaken, ziekenhuisverblijf, reis-, parkeer- en ziektekosten) en € 1.000 aan immateriële schade,vermeerderd met de wettelijke rente, kosten voor de rechtsbijstand en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige verzoekt zij de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren vanwege een onevenredige belasting van het strafgeding.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De gevorderde schade ten aanzien van beschadigde kleding/zaken, ziekenhuisverblijf, reis-, parkeer- en ziektekosten zijn onvoldoende onderbouwd. Er zitten geen bonnetjes in het dossier. De gevorderde schade ten aanzien van huishoudelijke hulp is onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij had destijds een inwonende partner die na het incident een bijdrage aan het huishouden zal hebben geleverd. De gevorderde schade ten aanzien van verlies van het arbeidsvermogen is een onevenredige belasting van het strafgeding. De gevorderde schade voor het aanschaffen van een camera houdt onvoldoende verband met het ten laste gelegde.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade verzoekt de verdediging om het bedrag aanzienlijk te matigen en rekening te houden met het eigen aandeel van de benadeelde partij.

8.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks schade is toegebracht.

Materiële schade

- Beschadigde kleding/zaken, ziekenhuisverblijf, reis-, parkeer- en ziektekosten:

De rechtbank wijst het gevorderde bedrag van € 956,44 toe omdat dit redelijke kosten zijn.

- Huishoudelijke hulp:

De rechtbank ziet aanleiding om het gevorderde bedrag met betrekking tot huishoudelijke hulp te matigen. Gelet op het verweer wordt ervan uitgegaan dat de benadeelde partij destijds een inwonende partner had en dat hij zal hebben bijgedragen aan het huishouden in de periode dat de benadeelde partij hiertoe niet in staat was en dat deze partner ook al voor het incident taken binnen het huishouden voor zijn rekening nam. De rechtbank wijst de helft van het gevorderde bedrag toe, te weten € 1.111,50. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

- Verlies arbeidsvermogen:

De benadeelde partij zal in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat zonder nader onderzoek niet is vast te stellen of en in hoeverre het gestelde verlies aan arbeidsvermogen rechtstreeks veroorzaakt is door het bewezenverklaarde. Het vereiste onderzoek naar het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade van de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, als bedoeld in artikel 361 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

- Camera:

De benadeelde partij zal in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het bewezen verklaarde feit.

Immateriële schade

De immateriële schade ziet op het fysieke letsel dat de benadeelde partij heeft opgelopen en de psychische gevolgen die zij heeft ondervonden en nog steeds ondervindt van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de vordering op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid toewijzen tot een bedrag van € 5.000,-. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 18 juni 2019.

Omdat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet aan de benadeelde partij hoofdelijk een schadevergoeding betalen van

€ 7.067,94, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr passend en geboden geacht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w en 141 van het Wetboek van Strafrecht

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 .Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 144 (honderdvierenveertig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 72 (tweeënzeventig) dagen;

legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de

duur van 1 (één) jaar, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen zich te onthouden van direct of indirect contact met mevrouw [naam slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] te [geboorteplaats slachtoffer] , na het onherroepelijk worden van dit vonnis;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, vervangende hechtenis zal worden toegepast;

bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 1 (één) week met een totale duur van ten hoogste zes maanden;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot een bedrag van € 7.067,94 (zegge: zevenduizendzevenenzestig en vierennegentig cent), bestaande uit € 2.067,94 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 juni 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, en veroordeelt de verdachte die, met haar mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is ̶ met dien verstande dat indien en voor zover de één aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd ̶ om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam slachtoffer] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [naam slachtoffer] te betalen € 7.067,94 (zegge: zevenduizend zevenenzestig en vierennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 jun 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening en bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 7.067,94 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 70 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [naam slachtoffer] , waaronder begrepen betaling door haar mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.V. Scheffers, voorzitter,

en mrs. H.I. Kernkamp-Maathuis en M. Timmerman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Eekhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 april 2021.

De oudste rechter, jongste rechter en griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

zij op of omstreeks 18 juni 2019 te Rotterdam, op of aan de openbare weg, te weten de Beukendaal (ter hoogte van nummer 111), in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [naam slachtoffer] , door
- die [naam slachtoffer] bij de keel/hals/nek vast te pakken en/of
- die [naam slachtoffer] met een bus deodorant/haarlak in het gezicht te spuiten en/of
- die [naam slachtoffer] een kopstoot te geven en/of
- die [naam slachtoffer] met een stuurslot, althans een zwaar en hard voorwerp, in/op/tegen het gezicht/het hoofd te slaan en/of
- die [naam slachtoffer] in het gezicht en/of op het hoofd, althans op/tegen het lichaam, te slaan,
terwijl dit (door haar gepleegde) geweld zwaar lichamelijk letsel, te weten een diepe wond aan de linkerzijde van het (voor)hoofd met als gevolg een blijvend ontsierend litteken in het gezicht, en een schedelfractuur, althans enig lichamelijk letsel voor die [naam slachtoffer] ten gevolge heeft gehad