Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3934

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
10/283547-20 / TUL VV: 10/115561-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorhanden hebben van een vuurwapen met bijbehorende munitie en overtreding van artikel 5a WvW. Gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Het alternatief scenario omtrent DNA op het vuurwapen is niet aannemelijk geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/283547-20

Parketnummer vordering TUL VV: 10/115561-19

Datum uitspraak: 28 april 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. G.A.J. Purperhart, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 14 april 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie, mr. B.M. van Heemst, heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling, een inspanningsverplichting tot het vinden van passende dagbesteding en het verkrijgen en behouden van een stabiel legaal inkomen en het meewerken aan schuldhulpverlening;

  • -

    dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden;

  • -

    ten aanzien van feit 2 een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden;

  • -

    gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de deels voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf in de zaak met parketnummer 10/115561-19, te weten drie maanden.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Feit 1: Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor feit 1, wapenbezit, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte als bestuurder van de auto zich bewust was van het wapen in de auto en evenmin dat hij gedurende een zekere tijd de beschikkingsmacht had over het wapen. Het DNA van de verdachte op het wapen bewijst niet dat de verdachte het vuurwapen op 8 november 2021 voorhanden heeft gehad.

4.1.2.

Beoordeling

Vast staat dat de verdachte in de nacht van 8 november 2020 de bestuurder was van een auto waarin nog twee andere mannen zaten. Na een verkeerscontrole is de verdachte er vandoor gegaan en werd hij uiteindelijk na een achtervolging door de politie aangehouden. In de auto trof de politie tussen de versnellingspook en de middenconsole een schoudertas aan met daarin een geladen vuurwapen met bijbehorende munitie. Uit het NFI-rapport volgt dat DNA van de verdachte is aangetroffen op de ruwe delen van de binnenzijde van de loop en op het magazijn van het vuurwapen.

Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat de schoudertas van hem is. Hij ontkent echter het voorhanden hebben van een vuurwapen. Daarover heeft hij verklaard dat één van de andere passagiers van de auto het vuurwapen tijdens de achtervolging in zijn tas moet hebben gestopt om hem erin te luizen. De verdachte weet niet hoe het kan dat zijn DNA op en in het vuurwapen is aangetroffen, maar kan enkel bedenken dat hij lang geleden een keer een vuurwapen heeft aangeraakt.

Uit de aanwezigheid van het vuurwapen in de tas van de verdachte en de resultaten van het DNA onderzoek concludeert de rechtbank dat de verdachte het vuurwapen en bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad. Het alternatieve scenario, dat één van de passagiers in de auto het vuurwapen tijdens de achtervolging in zijn tas heeft gestopt, is niet aannemelijk geworden. Daarbij betrekt de rechtbank dat deze gang van zaken niet verklaart hoe het DNA van de verdachte op en in het vuurwapen terecht is gekomen. De suggestie dat dit in zijn tas gestopte vuurwapen precies het vuurwapen zou betreffen dat de verdachte in het verleden ooit een keer in handen zou hebben gehad is volstrekt ongeloofwaardig.

4.1.3.

Conclusie

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat het de verdachte is geweest die het vuurwapen en de munitie voorhanden heeft gehad.

4.2.

Feit 2: bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, omdat de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1

hij op 8 november 2020 te Rotterdam

- een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk/type Bbm Automatic 96, kaliber 9mm kort en

- munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten 6 kogelpatronen, kaliber 9 mm kort, voorhanden heeft gehad;

2

hij op 8 november 2020 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op voor het openbaar verkeer openstaande wegen, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door nadat hij, verdachte, op het Droogleever Fortuynplein een stopteken had

gekregen door middel van een politietransparant op een herkenbaar politievoertuig en na aanvankelijk gevolg te hebben gegeven aan dat stopteken en te zijn gestopt

- plotseling en met hoge snelheid op te trekken en

- een rood verkeerslicht te negeren en

- tijdens achtervolging door dat politievoertuig, dat was voorzien van optische en geluidsignalen

- op de Boompjes en de Maasboulevard met ongeveer 100 km/u (waar een maximum snelheid gold van 50 km/u) over een grote afstand tegen de rijrichting in te rijden (spookrijden), waardoor andere weggebruikers moesten uitwijken om een aanrijding te voorkomen en

- op de Oostmolenwerf op het fietspad te rijden en aldaar met een snelheid van ongeveer 50 km/uop zeer korte afstand (ongeveer 50 cm) naast het politievoertuig te rijden en

- met een hoge snelheid naar de Crooswijkseweg af te slaan, waardoor hij, verdachte de macht over het stuur is verloren en tegen een lichtmast is gereden,

door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

2. overtreding van artikel 5a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straffen

7.1.

Algemene overweging

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich in een poging om aan de politie te ontkomen, schuldig gemaakt aan ernstige verkeersdelicten. De verdachte heeft op 8 november 2020, in het centrum van Rotterdam, een stopteken van de politie genegeerd en is met hoge snelheid weggereden door een rood verkeerslicht. De verbalisanten zijn in een politievoertuig achter hem aangegaan, waarbij de verdachte met hoge snelheid en met ernstige schending van de verkeersregels gedurende circa tien minuten door het centrum van Rotterdam heeft gereden. De verdachte heeft zich daarbij onder andere schuldig gemaakt aan met circa 50 km/u rijden over het fietspad en met circa 100 km/u spookrijden over de Maasboulevard waardoor andere weggebruikers hebben moeten uitwijken om een aanrijding te voorkomen. Aan deze dollemansrit is een einde gekomen doordat de verdachte de macht over het stuur verloor en de auto met hoge snelheid tegen een lichtmast botste.

Het handelen van de verdachte heeft levensgevaarlijke situaties opgeleverd voor anderen. Uit het handelen van de verdachte blijkt dat hij zijn eigen belang om zich aan aanhouding te onttrekken, heeft laten prevaleren boven de veiligheid van andere weggebruikers, daar heeft hij zich in het geheel niet om bekommerd. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

Daarnaast heeft de verdachte een geladen vuurwapen met munitie onder handbereik gehad in een auto. Vuurwapens worden steeds meer gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en kunnen tot zeer gevaarlijke situaties leiden. Dit brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid in de openbare ruimte met zich. Hoe meer wapens er onder de mensen circuleren, hoe groter de kans dat deze worden gebruikt. Daarnaast worden door feiten als het onderhavige gevoelens van onveiligheid in de samenleving vergroot. Tegen het bezit van wapens moet dan ook fors worden opgetreden.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 maart 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, te weten wapenbezit.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport en een aanvullend rapport over de verdachte opgemaakt, respectievelijk gedateerd 9 februari 2021 en 6 april 2021. Deze rapporten houden onder meer het volgende in.

Bij betrokkene is er ondanks zijn jonge leeftijd een zorgelijk delictpatroon zichtbaar met betrekking tot het samen met anderen plegen van vermogensdelicten, al dan niet gepaard gaand met geweld. Indien betrokkene voor onderhavig delict wordt veroordeeld, kan er tevens gesproken worden van een startend patroon wat betreft wapenbezit.

Op zijn vijftiende levensjaar is betrokkene dakloos geraakt. Vlak hierna kwam betrokkene voor het eerst in aanraking met politie en justitie. Zijn steunsysteem lijkt momenteel enkel te bestaan uit een pro-crimineel sociaal netwerk. Ondanks dat betrokkene functioneert op een gemiddeld tot bovengemiddeld intelligentieniveau lukt het hem niet om zijn schoolgang te continueren en/of een passende dagbesteding te behouden. Het ontbreken van een stabiele basis, een negatief sociaal netwerk en een onbedwongen behoefte aan geld liggen hier vermoedelijk aan ten grondslag. Hierdoor raakt de verdachte keer op keer weer in

aanraking met politie en justitie en vinden reeds opgestarte zorg- en begeleidingstrajecten geen doorgang. De wantrouwende en afgestompte houding van de verdachte welke veelal tot uiting komt in recalcitrant gedrag werkt hierbij ook niet bevorderlijk. Daarnaast worden er enige signalen waargenomen dat betrokkene problemen ervaart bij het abstinent blijven van cannabisgebruik. Bovenstaande maakt dat de reclassering de kans op recidive gemiddeld tot hoog inschat. De reclassering adviseert als bijzondere voorwaarden een meldplicht, contactverbod, meewerken aan ambulante behandeling, een inspanningsverplichting tot het verkrijgen/behouden dagbesteding en/of legaal inkomen en meewerken aan schuldhulpverlening. Daarnaast adviseert de reclassering beschermd/begeleid wonen, maar hiertegen verzet betrokkene zich zodanig dat deze bijzondere voorwaarde onuitvoerbaar lijkt te zijn. Tot slot adviseert de reclassering de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden omdat de kans op nieuwe misdrijven groot is.

De rechtbank heeft acht geslagen op deze rapporten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De verdediging heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan het voorarrest achterwege te laten en een voorwaardelijke straf op te leggen. Hiervoor bestaat echter geen aanleiding, omdat de feiten hiervoor te ernstig zijn.

Omdat de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar te verklaren, zoals door het Openbaar Ministerie gevorderd, omdat de rechtbank van oordeel is dat niet aan de wettelijke vereisten voor dadelijke uitvoerbaarheid is voldaan.

Voor het veroorzaken van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen door middel van roekeloos rijgedrag (feit 2), acht de rechtbank daarnaast een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen, een passende bijkomende straf.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8. In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt verdediging

Op 8 november 2020 is de verdachte aangehouden. In de auto waarin de verdachte reed, is onder de bestuurdersstoel een iPhone aangetroffen en in beslag genomen. Het Openbaar Ministerie weigert het beslag op te heffen en de telefoon vrij te geven, tenzij de verdachte zijn telefooncodes afstaat. Op 1 februari 2021 heeft de verdediging een klaagschrift ingediend met het verzoek om het beslag op te heffen en teruggave van de iPhone te gelasten.

8.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie verzet zich tegen teruggave omdat de iPhone niet onder de verdachte in beslag is genomen. De verdachte stelt in zijn klaagschrift eigenaar te zijn van de iPhone, maar verklaarde eerder tijdens zijn verhoor bij de politie dat hij geen telefoon in gebruik heeft en niet weet van wie de iPhone is.

8.3.

Beoordeling

Omdat de verdachte niet degene is onder wie de iPhone in beslag is genomen, is de rechtbank niet bevoegd een beslissing te nemen over de iPhone. Bovendien kan de rechtbank, gelet op de verklaring van de verdachte bij de politie, niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat de verdachte als rechthebbende op de iPhone kan worden aangemerkt.

8.4.

Conclusie

De rechtbank kan geen beslissing nemen over de in beslag genomen iPhone en gelet daarop heeft betrokkene ook geen belang meer bij een beslissing op het gelijkluidende verzoek in het klaagschrift.

9. Vordering tenuitvoerlegging

9.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 10 september 2019 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte onder andere veroordeeld voor vuurwapenbezit (categorie III) tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 25 september 2019.

9.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht om de geëiste gedeeltelijke tenuitvoerlegging van drie maanden gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.

9.3.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal zoals geëist de tenuitvoerlegging worden gelast van een gedeelte van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Gelet op de ernst van de feiten ziet de rechtbank geen ruimte om de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.

10 .Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen

26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 5a, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

11 .Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden;

bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

  1. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal melden bij de Reclassering Nederland, Marconistraat 2 (3029 AK) te Rotterdam, op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

  2. dat de veroordeelde zich laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start nadat er bij de veroordeelde sprake is van een stabiele basis. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig acht. De behandeling is gericht op preventie, delictbeleving, middelengebruik en diagnostiek. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

  3. dat de veroordeelde zich inspant om een passende dagbesteding in de vorm van werk en/of een opleiding en een legaal inkomen te verkrijgen/ behouden;

  4. dat de veroordeelde meewerkt aan schuldhulpverlening. De veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

ten aanzien van feit 2 wordt de verdachte ontzegt de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 10 september 2019 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.V. Scheffers, voorzitter,

en mrs. H.I. Kernkamp-Maathuis en N.M. Ketelaar, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Eekhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 april 2021.

De oudste rechter, jongste rechter en griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1

hij op of omstreeks 8 november 2020 te Rotterdam

- een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk/type Bbm Automatic 96, kaliber 9mm kort en/of

- munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten 6 kogelpatronen, kaliber 9 mm kort, voorhanden heeft gehad;

2

hij op of omstreeks 8 november 2020 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op voor het openbaar verkeer openstaande wegen, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door nadat hij, verdachte, op het Droogleever Fortuynplein een stopteken had

gekregen door middel van een politietransparant op een herkenbaar politievoertuig en na aanvankelijk gevolg te hebben gegeven aan dat stopteken en te zijn gestopt

- plotseling en/of met hoge snelheid op te trekken en/of

- een rood verkeerslicht te negeren en/of tijdens achtervolging door dat politievoertuig, dat was voorzien van optische en geluidsignalen

- op de Boompjes en de Maasboulevard met ongeveer 100 km/u (waar een maximum snelheid gold van 50 km/u) over een grote afstand tegen de rijrichting in te rijden (spookrijden), waardoor andere weggebruikers moesten uitwijken om een aanrijding te voorkomen en/of

- op de Oostmolenwerf op het fietspad te rijden en/of aldaar met een snelheid van ongeveer 50 km/u en/of op zeer korte afstand (ongeveer 50 cm) naast het politievoertuig te rijden en/of

- met een (te) hoge snelheid naar de Crooswijkseweg af te slaan, waardoor hij, verdachte de macht over het stuur is verloren en tegen een lichtmast is gereden,

door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;