Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:393

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-01-2021
Datum publicatie
25-01-2021
Zaaknummer
ROT 20/4086, ROT 20/4123, ROT 20/4124 en ROT 20/4125
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Geheimhoudingsbeslissing
Inhoudsindicatie

Beslissing van de rechter-commissaris inzake beperkte kennisneming in de zin van artikel 8:29 Awb. Voor zover een partij niet verplicht was om een beroepschrift of zienswijze in te dienen en daardoor geen vertrouwelijkheidsclaim kan worden gedaan is door de rechtbank toepassing gegeven aan artikel 8:45 Awb, zodat alsnog op de vertrouwelijkheidsclaim kan worden beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: ROT 20/4086, ROT 20/4123, ROT 20/4124 en ROT 20/4125

Beslissing van de rechter-commissaris als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht

in de gedingen tussen:

TiDa B.V., te Rosmalen, eiseres,

gemachtigde: mr. I.E.M. Verheijen,

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (Agentschap Telecom), verweerder,

gemachtigden: mr. S.P. Janssen en mr. R.B. Lussing.

Aan de procedure met zaaknummer ROT 20/4086 neemt mede als partij deel:

Radio Limburg 97FM B.V. (Radio Limburg), te Maastricht,

gemachtigde: mr. Q.J. Tjeenk Willink.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2020 (primair besluit 1) heeft verweerder aan Radio Limburg met ingang van 28 februari 2020 tot uiterlijk 1 september 2022 vergunning verleend voor het gebruik van frequentieruimte voor analoge niet-landelijke commerciële radio-omroep voor kavel B05. Radio Limburg is bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum voorts voor dezelfde periode een hieraan gekoppelde vergunning verleend voor het gebruik van frequentieruimte voor commerciële digitale radio-omroep (allotment 8A).

Bij besluit van eveneens 27 februari 2020 (primair besluit 2) is de aanvraag van eiseres voor het gebruik van frequentieruimte voor analoge niet-landelijke commerciële radio-omroep voor kavel B05 plus bijbehorende vergunning voor digitale omroep afgewezen.

Bij besluiten van eveneens 27 februari 2020 (de overige primaire besluiten) heeft verweerder aan Stichting Radio Continu, Regionale Radio Frequentie B.V. en Stichting Radio Team soortgelijke frequentievergunningen voor analoge en digitale radio verleend voor respectievelijk de kavels B28, B29 en B34.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen alle primaire besluiten.

Bij besluit van 26 juni 2020 (bestreden besluit 1) heeft verweerder de bezwaren tegen de primaire besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

Bij drie besluiten van 1 juli 2020 (de overige bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren tegen de overige primaire besluiten niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen alle bestreden besluiten. Het beroep tegen bestreden besluit 1 heeft zaaknummer ROT 20/4086 en de beroepen tegen de overige bestreden besluiten hebben de opeenvolgende zaaknummers ROT 20/4123, ROT 20/4124 en ROT 20/4125.

Op 24 augustus 2020 heeft verweerder de op het beroep tegen bestreden besluit 1 betrekking hebbende stukken ingediend en heeft hij een verzoek op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaan ten aanzien van bepaalde stukken. Volgens verweerder dient uitsluitend de rechtbank kennis te nemen van onleesbaar gemaakte delen van de producties 27 en 28. Verweerder heeft een versie van die producties waarvan voor zover relevant delen niet zijn weggelakt in een separate gesloten enveloppe ingediend.

Verweerder heeft voorts in de andere beroepen op 15 oktober 2020 een brief ingediend en een passage daarin zwart gemaakt. Ten aanzien van die passage heeft hij eveneens een verzoek in de zin van artikel 8:29 van de Awb gedaan. Volgens verweerder dient uitsluitend de rechtbank kennis te nemen van deze passage. Een ongeschoonde versie van deze brief heeft verweerder in een separate gesloten enveloppe ingediend.

De gemachtigde van Radio Limburg en drie andere vennootschappen, te weten Bartelet Holding Maastricht B.V., Radio Limburg Holding B.V. en Q-Music Nederland B.V. (tezamen: Radio Limburg e.a.), heeft bij brief van 2 oktober 2020 een schriftelijke zienswijze ingediend. Daarbij heeft zij een aantal bijlagen ingediend. Ten aanzien van bijlage 4 heeft zij namens haar cliënten een verzoek gedaan tot beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb.

Bij brief van 8 oktober 2020 heeft de griffier Radio Limburg e.a. er op gewezen dat het niet mogelijk is om een verzoek als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb te doen, omdat bijlage 4 geen stukken betreffen die een partij verplicht is in te dienen. Om die reden heeft de griffier bijlage 4 retour gezonden. Voorts heeft de griffier voor zover thans nog relevant Radio Limburg e.a. in de gelegenheid gesteld de rechtbank te verzoeken om toepassing te geven aan artikel 8:45, eerste lid, van de Awb, wat er op neerkomt dat Radio Limburg e.a. alsnog gehouden zullen zijn bijlage 4 in te brengen, zodat zij alsnog een beroep zouden kunnen doen op artikel 8:29, eerste lid, van de Awb. Daarbij is aangegeven dat ten aanzien van die schriftelijke inlichtingen zal worden gehandeld alsof toepassing is gegeven aan artikel 8:29, eerste lid, van de Awb.

Radio Limburg e.a. hebben bij brief van 23 oktober 2020 de rechtbank gemotiveerd verzocht toepassing te geven aan artikel 8:45, eerste lid, van de Awb met betrekking tot bijlage 4. Op basis hiervan heeft de rechtbank bij brief van 30 november 2020 aan Radio Limburg e.a. een verzoek gedaan als bedoeld in artikel 8:45, eerste lid, van de Awb waarna Radio Limburg e.a. bijlage 4 opnieuw hebben ingediend met een vertrouwelijkheidsclaim.

Eiseres heeft bij brieven van 12 september 2020 en 18 november 2020 in alle dossiers voorshands toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb aan de rechtbank verleend om kennis te nemen van de stukken waarvoor beperkte kennisgeving gerechtvaardigd is verleend, ook voor wat betreft haar verzoek dat nadere stukken worden overgelegd van de betalingen van Q-Music Nederland B.V. aan Radio Limburg in de periode voor de betaling van het bod voor kavel B05.

Beoordeling

1. Met betrekking tot de partijduiding in de aanhef van deze beslissing merkt de rechter-commissaris op dat Bartelet Holding Maastricht B.V., Radio Limburg Holding B.V. en Q-Music Nederland B.V. een afgeleid belang hebben van dat van Radio Limburg, die onmiskenbaar belanghebbende is. Zij hebben – zoals meerdere malen eerder is overwogen – als aandeelhouders en bestuurders geen rechtstreeks, maar een afgeleid belang van dat van de vergunninghoudende partij Radio Limburg (zie ECLI:NL:CBB:2019:172; ECLI:NL:RBROT:2017:6330; ECLI:NL:RBMNE:2016:5229 en ECLI:NL:RBROT:2020:4707). Voor zover Radio Limburg e.a. zijn aangeschreven ten behoeve van het geven van inlichtingen, maakt dat hen geen partij in dit geding. Uit artikel 8:45, eerste lid, van de Awb volgt immers dat de bestuursrechter partijen en anderen kan verzoeken binnen een door hem te bepalen termijn schriftelijk inlichtingen te geven en onder hen berustende stukken in te zenden. Radio Limburg e.a. vormen dan ook, anders dan Radio Limburg, geen partij in het geding met zaaknummer ROT 20/4086.

2. Artikel 8:29 van de Awb luidt als volgt:

“1. Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.
2. Gewichtige redenen zijn voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen.
3. De bestuursrechter beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
4. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting.
5. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming

gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.”

3. Ter beoordeling staat de vraag of er gewichtige redenen zijn om beperking van de kennisneming van bepaalde stukken gerechtvaardigd te achten. De beantwoording van deze vraag vergt een afweging van belangen. Enerzijds zijn daarbij aan de orde het belang dat partijen over en weer gelijkelijk beschikken over de voor de beslechting van het geschil relevante informatie, alsmede het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de hem voorgelegde zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Anderzijds speelt hierbij dat openbaarmaking het belang van een partij of van derden onevenredig kan schaden. Bij deze afweging komt voorts betekenis toe aan de aard van het bestreden besluit en de gronden waarop op grond van de artikelen 10 en 11 van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) uitzondering kan worden gemaakt op openbaarheid van informatie.

4. De rechter-commissaris heeft kennis genomen van de stukken en is van oordeel dat zowel verweerder als Radio Limburg e.a. om goede redenen hebben verzocht om beperkte kennisneming in de zin van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb. Zij overweegt daartoe als volgt.

5. De door verweerder geclaimde vertrouwelijkheid in de zaak met zaaknummer ROT 20/4086 ziet op deels onleesbaar gemaakte stukken genaamd producties 27 en 28. Hoewel verweerder in zijn brief van 24 augustus 2020 heeft gesteld dat in de enveloppe ook de motivering voor de vertrouwelijkheidsclaim is gesloten, is dit niet het geval. De rechter-commissaris ziet echter geen aanleiding om die alsnog op te vragen. Uit de stukken blijkt dat verweerder bij brief van 5 juni 2020 naar aanleiding van een uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 mei 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:4707) een informatievordering heeft gedaan aan Radio Limburg e.a. met betrekking tot de financiering van Radio Limburg Holding B.V. De weggelakte gegevens die zij daarop aan verweerder hebben verstrekt betreffen bedrijfs- en fabricagegegevens, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob.

6. Ten aanzien van de geclaimde vertrouwelijkheid in de brief van verweerder van 15 oktober 2020 geldt evenzeer dat dit ziet op concurrentiegevoelige gegevens die vertrouwelijk – in het kader van een veiling van schaarse rechten – aan een bestuursorgaan zijn meegedeeld.

7. De meergenoemde door Radio Limburg e.a. ingediende bijlage 4 ziet op de liquide middelen van Radio Limburg en vormt daarmee concurrentiegevoelige informatie. Voor zover die gelet op de toepassing van artikel 8:45, eerste lid, van de Awb niet reeds gelijkgesteld moet worden aan bedrijfs- en fabricagegegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, gaat het in ieder geval om gegevens waarvan verstrekking aan eiseres kan leiden tot onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob.

8. Naar het oordeel van de rechter-commissaris is in de gevallen onder 5 tot en met 7 telkens sprake van gewichtige redenen, omdat het verdedigingsbelang van eiseres niet opweegt tegen het belang van vertrouwelijkheid. In haar brieven van 12 september 2020 en 18 november 2020 lijkt eiseres dit ook te onderkennen. Zij heeft daarin voorts toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb zodat de rechtbank kennis kan nemen van deze (delen van) stukken.

Beslissing

De rechter-commissaris beslist dat beperking van de kennisneming van de stukken zoals is verzocht door verweerder en Radio Limburg e.a. gerechtvaardigd is.

Aldus gegeven door mr. M.V. van Baaren, rechter-commissaris, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier.

De griffier en de rechter commissaris zijn verhinderd de beslissing te ondertekenen

griffier rechter-commissaris

Een afschrift van deze beslissing is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing kan slechts tegelijkertijd met het eventuele hoger beroep tegen de einduitspraak van de rechtbank hoger beroep worden ingesteld.