Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3926

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-04-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
10/000734-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afrijden op politieagent. Bedreiging, gevaarzetting en rijden onder invloed. Gevangenisstraf 6 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden, ontzegging rijbevoegdheid 12 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/000734-21

Datum uitspraak: 26 april 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in DC Rotterdam, raadsvrouw mr. W. van der Voet, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 12 april 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Kort gezegd komt de beschuldiging er op neer dat de verdachte op 1 januari 2021 met zijn auto is ingereden op een politieagent, twee politieauto’s heeft aangereden, de veiligheid van het verkeer in gevaar heeft gebracht en onder invloed van alcohol heeft gereden. Dit is onder 1. ten laste gelegd als poging doodslag, althans poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel, subsidiair bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht althans zwaar lichamelijk letsel; onder 2. en 3. als vernieling, onder 4. als het gevaar op de weg veroorzaken en onder 5. als rijden onder invloed van 580 ugl.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. S.M. Scheer heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 primair, impliciet primair, ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair, impliciet subsidiair, 2, 3, 4 (met uitzondering van ‘stilstaande’ onder het tweede gedachtestreepje) en 5 ten laste gelegde;

  • -

    ten aanzien van het onder 1 primair, impliciet subsidiair, 2, 3 en 5 ten laste gelegde: veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en middelencontrole, zoals voorgesteld door de reclassering in haar rapport van 9 april 2021, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden;

  • -

    ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde: ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering van poging tot doodslag

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair, impliciet primair, ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering van rijden onder invloed van alcohol

Het onder 5 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.3.

Bewijswaardering

Poging tot zware mishandeling

Standpunt officier van justitie

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte met hoge snelheid op verbalisant [naam verbalisant 1] , aangever, is ingereden en daarmee, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm, de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel van de aangever bewust heeft aanvaard.

Beoordeling

Op grond van het dossier en het verhandelde op de zitting staat vast dat de verdachte, teneinde aan de politie te ontkomen, met hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan, op de aangever is afgereden. De aangever heeft verklaard dat hij midden op de weg heeft gestaan en een stopteken heeft gegeven. Toen de verdachte doorreed is hij opzij gesprongen, tussen geparkeerde auto’s in. De verdachte heeft ontkend dat de verbalisant midden op de weg heeft gestaan. Hij heeft hem steeds aan de kant van de weg gezien, tussen de geparkeerde auto’s.

De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen hoe hard de verdachte precies heeft gereden, hoeveel afstand er zat tussen de auto van de verdachte en de aangever en welke risico’s de verdachte door zijn handelen voor de aangever in het leven heeft geroepen. Dit geldt te meer, nu de aangever zelf wisselend heeft verklaard over de snelheid van de auto van de verdachte en de afstand tussen hem en de auto van de verdachte op het moment dat hij opzij zou zijn gesprongen.

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de handelingen van de verdachte, naar de uiterlijke verschijningsvorm bezien, geschikt waren om en gericht waren op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de aangever. De verdachte zal daarom ook worden vrijgesproken van de onder feit 1 primair, impliciet subsidiair, ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.

Bedreiging met de dood

Standpunt verdediging

De verdachte moet van de ten laste gelegde bedreiging van de aangever worden vrijgesproken, omdat er geen sprake was van redelijke vrees bij de aangever dat hij dodelijk dan wel zwaar gewond zou kunnen raken. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat het aannemelijk is dat de verdachte met een lagere snelheid heeft gereden dan de snelheid waarover door de aangever is verklaard, dat de aangever bij het passeren van de verdachte tussen de geparkeerde auto’s in stond, dat de breedte van de weg de aangever voldoende ruimte gaf en dat de verdachte in een rechte lijn heeft gereden en niet in de richting van de aangever heeft gestuurd.

Beoordeling

Voor een bewezenverklaring van bedreiging als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde redelijke vrees zou kunnen ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd ook gepleegd zou worden.

Vaststaat dat de verdachte, nadat in de Indrapoerastraat te Rotterdam passagiers uit zijn auto waren gestapt, vooruit is weggereden, aan het einde van de straat via een U-bocht in de weg is gekeerd en via de parallelweg, oftewel de overzijde, is teruggereden. Ook staat vast dat de aangever op enig moment op deze parallelweg heeft gestaan. Dit is door de aangever verklaard en door zijn collega, die zich in de dichtbij zijnde dienstauto bevond, is bevestigd dat de aangever de andere weghelft op liep om de verdachte een stopteken te geven. De aangever heeft verklaard dat de verdachte met hoge snelheid en accelererend motorgeluid recht op de aangever, die de verdachte een stopteken gaf, af is gereden, zonder zijn snelheid te minderen. De aangever heeft verder verklaard dat hij, toen de afstand tussen hem en de auto ongeveer 5, dan wel 20, meter was, tussen de aldaar geparkeerde auto’s moest wegspringen om te voorkomen dat hij door de auto van de verdachte zou worden geraakt en dat hij ‘hartstikke dood’ was gereden als hij niet aan de kant was gesprongen. De aangever heeft de snelheid van de auto van de verdachte eerst geschat op 100 km/u en later op 80 km/u en heeft de situatie als zeer bedreigend ervaren. De verdachte heeft bij de politie bevestigd dat hij na het nemen van de U-bocht te hard heeft gereden, te weten tussen de 50 en 60 km/u.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de aangever op de weg heeft gestaan terwijl de verdachte met hoge snelheid op hem kwam afrijden. Door dit verkeersgedrag van de verdachte en de omstandigheden kon bij de aangever redelijkerwijs de vrees ontstaan dat de aangever door de verdachte zou worden aangereden met mogelijk fatale gevolgen. De verdachte heeft zich bewust en met aanvaarding van de risico’s ervan schuldig gemaakt aan dit verkeersgedrag en daarmee ook de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangever zich door dit gedrag bedreigd zou voelen. De rechtbank acht de onder 1 subsidiair, impliciet primair, ten laste gelegde bedreiging met de dood van de aangever wettig en overtuigend bewezen. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Vernieling politieauto’s Indrapoerastraat en Mathenesserbrug

Standpunt officier van justitie

Bewezen kan worden dat de verdachte op twee verschillende momenten twee politieauto’s heeft vernield, eerst in de Indrapoerastraat nadat hij op de aangever [naam verbalisant 1] was ingereden en later op de Mathenesserbrug in Rotterdam. In beide gevallen was de botsing en schade het gevolg van de handelingen van de verdachte. Door met zijn roekeloze rijstijl andere auto’s te raken en daarbij schade te veroorzaken, is sprake van voorwaardelijk opzet op het beschadigen van de politieauto’s.

Beoordeling

Vaststaat dat de verdachte met zijn auto zowel in de Indrapoerastraat als op de Mathenesserbrug een politieauto heeft geraakt en dat deze politieauto’s daardoor zijn beschadigd. De rechtbank leidt uit het procesdossier af dat het handelen van de verdachte erop was gericht om te ontkomen aan de politie. Verbalisant [naam verbalisant 2] heeft over de aanrijding in de Indrapoerastraat verklaard dat hij probeerde de verdachte de pas af te snijden, waarna de verdachte voor het politievoertuig kwam, waardoor een aanrijding ontstond aan de voorzijde van het politievoertuig. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van de verdachte ter zitting dat door deze aanrijding schade aan de bestuurderskant van zijn voertuig is ontstaan en de foto’s van die schade aan verdachtes auto bij de processtukken. Verbalisant [naam verbalisant 3] heeft over de aanrijding op de Mathenesserbrug verklaard dat de verdachte bij het inhalen van de politieauto, teneinde aan de achtervolgende politie te ontkomen, schade aan de zijkant van de politieauto heeft toegebracht. De verdachte heeft bevestigd dat hij de politieauto bij het inhalen mogelijk heeft geschampt.

De rechtbank kan op basis van het procesdossier echter niet vaststellen dat de verdachte opzettelijk tegen de twee politieauto’s is aangereden om deze te beschadigen. Bij beide aanrijdingen waren de politieauto’s in beweging, heeft de verdachte geprobeerd om de politieauto’s heen te sturen en hebben de politieambtenaren geprobeerd de auto van de verdachte tot stilstand te dwingen. Daarom acht de rechtbank opzet op vernieling van de twee politieauto’s – ook in voorwaardelijke zin – niet bewezen. Daarom dient vrijspraak voor de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten te volgen.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, impliciet primair, en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 5 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1

hij op 1 januari 2021 te Rotterdam [naam verbalisant 1] (agent van politie Eenheid Rotterdam)

gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door als bestuurder van een personenauto (binnen de bebouwde kom) met hoge, althans aanzienlijke, snelheid af te rijden op die [naam verbalisant 1] ;

4

hij op 1 januari 2021 te Rotterdam als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto), daarmee

- op meer wegen in één of meer kernen van die gemeente heeft gereden met hogere snelheden dan de toegestane maximum snelheid en

- op de weg, de Indrapoerastraat en de Mathenesserbrug, met hoge snelheid op meer personenauto's van de Politie Rotterdam Rijnmond is afgereden, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt;

5

hij op 1 januari 2021 te Rotterdam als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, vijfhonderdentachtig (580) microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

De kennelijke verschrijvingen in de bewezen verklaarde tenlastelegging zijn in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Feit 1 subsidiair, impliciet primair

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Feit 4

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

Feit 5

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (580 microgram)

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.1.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan rijden onder invloed. In een poging om met zijn auto aan de politie te ontkomen, heeft hij zich schuldig gemaakt aan bedreiging met de dood van een politieambtenaar door met hoge snelheid op hem af te rijden. Ook heeft hij gevaar op de weg veroorzaakt, door met aanzienlijk hogere snelheden dan de toegestane maximum snelheid door Rotterdam te rijden, waarbij hij ook twee keer hard op een politieauto af is gereden.

De verdachte is in de nacht van 1 januari 2020, onder invloed van alcohol, met hoge snelheid met zijn auto weggereden toen een politieagent hem wilde controleren. De politieagent is te voet de middenberm overgestoken en heeft getracht de verdachte met een stopteken tot stoppen te manen, waarbij de verdachte in een poging om weg te komen met hoge snelheid op deze politieagent en vervolgens op de auto van diens collega – die de verdachte probeerde de pas af te snijden – is afgereden, waarbij de auto’s elkaar hebben geraakt. Vervolgens heeft de verdachte zijn dollemansrit om aan de politie te ontkomen door Rotterdam voortgezet, waarbij hij weer met hoge snelheid op een politieauto af is gereden en beide auto’s elkaar hebben geraakt. Het handelen van de verdachte heeft gevaarlijke situaties opgeleverd voor anderen. Uit het handelen van de verdachte blijkt dat hij zijn eigen belang om zich aan aanhouding te onttrekken, heeft laten prevaleren boven de veiligheid van de politieagenten. Ook om de veiligheid van andere weggebruikers heeft hij zich in het geheel niet bekommerd, sterker nog: hij bagatelliseert het gevaar dat hij heeft veroorzaakt. De rechtbank weegt als strafverzwarende omstandigheid mee dat de bedreiging was gericht tegen een politieagent in functie. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte wist of kon weten dat hij tijdens zijn vlucht voor de politie tweemaal een andere auto had geraakt, maar hierna is doorgereden, zonder zich om de inzittenden of de ontstane schade te bekommeren. Ook weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee dat de verdachte niet in het bezit was van een geldig rijbewijs en dat zijn uit Duitsland afkomstige auto door de Rijksdienst voor het Wegverkeer niet was goedgekeurd voor de Nederlandse wegen. Daarnaast weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee dat de verdachte enkele maanden vóór de bewezen feiten, te weten op 7 oktober 2020, al heeft terecht gestaan voor een delict op grond van Wegenverkeerswet 1994, namelijk het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek. De veroordeling is weliswaar niet onherroepelijk, maar het heeft de verdachte kennelijk niet tot voorzichtigheid op de weg gemaand. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

7.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.2.1.

Strafblad

De rechtbank heeft gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 25 februari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte in 2020 (niet onherroepelijk) is veroordeeld voor een strafbaar feit op grond van de Wegenverkeerswet 1994.

7.2.2.

Reclasseringsrapportage

De rechtbank heeft ook gekeken naar het rapport van 9 april 2021 dat Reclassering Nederland over de verdachte heeft opgemaakt. Uit dit rapport volgt onder meer dat impulsiviteit een rode draad lijkt te zijn door het leven van de verdachte. Hij wil zijn leven graag beteren en een goed voorbeeld zijn voor zijn kinderen, echter heeft het hem er niet van weerhouden om wederom in aanraking te komen met justitie. In het verleden heeft de verdachte een reclasseringstoezicht goed afgerond en alle toen gestelde doelen behaald. Hij heeft laten zien dat het hem, als er een stok achter de deur is, wel lukt om op het rechte pad te blijven. Daarom is reclasseringstoezicht van belang. Er moet worden uitgezocht op welke punten moet worden ingezet, zodat de verdachte voor langere tijd bij justitie uit beeld kan blijven. Het gezin, de kinderen, werk, huisvesting en de eigen onderneming zijn beschermende factoren. Met extra ondersteuning zou het de verdachte moeten lukken om zijn leven een positieve wending te geven. Bij een veroordeling is het advies een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden:

  • -

    een meldplicht bij Reclassering Nederland;

  • -

    een ambulante behandeling in een forensische psychiatrische kliniek, met de mogelijkheid tot het innemen van medicijnen;

  • -

    het meewerken aan middelencontrole.

De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld en het risico op onttrekken aan voorwaarden als laag.

7.3.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de boven beschreven ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De verdediging heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met een duur langer dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht achterwege te laten. Hiervoor ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank heeft weliswaar minder feiten bewezen verklaard dan die ten laste zijn gelegd, maar kent een groot gewicht toe aan de omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde strafbare feiten door de verdachte zijn begaan.

Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Voor zowel het veroorzaken van gevaar op de weg als voor het rijden onder invloed van alcohol acht de rechtbank een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen, voor beide feiten afzonderlijk voor de duur van 6 maanden, een passende bijkomende straf.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 62, 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 8, 176, 177, 179, 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair, impliciet primair, 4 en 5 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 1 (één) maand, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich zal melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;

  • -

    zich zal laten behandelen door een forensische psychiatrische polikliniek, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

  • -

    zal meewerken aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

ten aanzien van feit 4:

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 (zes) maanden;

ten aanzien van feit 5:

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 (zes) maanden;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.M.A. Hinfelaar, voorzitter,

en mrs. J.L.M. Boek en R.H. Kroon, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. Nagtegaal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 april 2021.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1

hij op of omstreeks 1 januari 2021 te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

[naam verbalisant 1] (agent van politie Eenheid Rotterdam)

gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening,

opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

opzettelijk als bestuurder van een personenauto, (binnen de bebouwde kom) met

hoge, althans aanzienlijke, snelheid en/of zonder te remmen is

afgereden/ingereden op die [naam verbalisant 1] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 januari 2021 te Rotterdam

[naam verbalisant 1] (agent van politie Eenheid Rotterdam)

gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening,

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware

mishandeling, door als bestuurder van personenauto (binnen de bebouwde kom)

met hoge, althans aanzienlijke, snelheid en/of zonder te remmen af/in te rijden op

die [naam verbalisant 1] ;

2

hij op of omstreeks 1 januari 2021 te Rotterdam

opzettelijk en wederrechtelijk

op of aan de Indrapoerastraat

een dienstvoertuig van de politie Eenheid Rotterdam, in elk geval enig goed, dat

geheel of ten dele aan een ander, te weten aan poliite Eenheid Rotterdam

toebehoorde,

heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

3

hij op of omstreeks 1 januari 2021 te Rotterdam

op of aan de Mathenesserbrug

opzettelijk en wederrechtelijk

een dienstvoertuig van de politie Eenheid Rotterdam, in elk geval enig goed, dat

geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Politie Eenheid Rotterdam

toebehoorde,

heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

4

hij op of omstreeks 1 januari 2021 te Rotterdam

als bestuurder van een motorvoertuig (personenuto), daarmee

- op één of meer wegen in één of meer kernen van die gemeente heeft gereden met

een (veel) hogere snelhe(i)d(en) dan de

toegestane maximum snelheid en/of

- op de weg, de Indrapoerastraat en/of de Mathenesserbrug, met hoge snelheid op

een of meer stilstaande personenauto's van de Politie Rotterdam Rijnmond

(welke daar stonden om de verdachte de weg te blokkeren) is afgereden en/of

vervolgens is ingereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

5

hij op of omstreeks 1 januari 2021 te Rotterdam

als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto), dit voertuig heeft

bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het

alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8,

tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994,

vijfhonderdentachtig (580) microgram, in elk geval hoger dan 220

microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.