Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3923

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-04-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
8918684 CV EXPL 20-45142
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis in incident, oproeping in vrijwaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8918684 CV EXPL 20-45142

uitspraak: 9 april 2021

vonnis in het incident van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

de stichting

Stichting Waterweg Wonen,

gevestigd te Vlaardingen,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 30 november 2020,

verweerster in het vrijwaringsincident,

gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V., te Rotterdam,

tegen

1. [gedaagde 1] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en buiten Nederland, met een geheim briefadres,

gedaagde,

eiser in het vrijwaringsincident,

gemachtigde: mr. R. Scheltes, te Rotterdam,

2. [gedaagde 2] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

die niet in de procedure is verschenen.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Waterweg’, ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

• de dagvaarding van 30 november 2020, met producties;

• de aantekeningen van de griffier van het ter rolzitting van 5 januari 2021 gegeven mondelinge antwoord van [gedaagde 1] ;

• de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring, tevens conclusie van antwoord, met een productie van [gedaagde 1] ;

• de akte tot referte in het incident van Waterweg.

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van het vonnis in het incident bepaald op heden.

2. De vordering in de hoofdzaak

2.1

Waterweg heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen om aan Waterweg te betalen een bedrag van € 5.784,81, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.782,62 vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, en voorts [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 866,20, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 804,39 vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten.

2.2

Waterweg heeft nakoming van de tussen haar en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gesloten huurovereenkomst aan haar vordering ten grondslag gelegd. Deze overeenkomst is met betrekking tot [gedaagde 1] beëindigd op 1 september 2017 en met betrekking tot [gedaagde 2] op 25 juli 2017. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] huurden van Waterweg de woning aan de [adres] (hierna: ‘het gehuurde’ en/of ‘de woning’), tegen een huurprijs van laatstelijk € 689,49 per maand, welk bedrag bij vooruitbetaling diende te worden voldaan. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn deze verplichting niet (volledig) nagekomen, waardoor een huurachterstand is ontstaan. Voorts is gebleken dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning niet in juiste staat hebben achtergelaten na het verlaten van het gehuurde, waardoor Waterweg genoodzaakt was diverse onderhouds- en herstelwerkzaamheden te laten verrichten. Waterweg heeft hierdoor schade geleden die zij op grond van artikel 7:218 lid 1 BW wenst te verhalen op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst. Ondanks aanmaningen hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de verschuldigde bedragen niet voldaan. Daarom zijn zij tevens wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd geworden.

3. De vordering en het verweer in het incident

3.1

[eiser] heeft bij wijze van incident gevorderd hem toe te staan om [gedaagde 2] in vrijwaring op te roepen.

3.2

[eiser] heeft daartoe het volgende aangevoerd. Eind april 2017 werd [eiser] gedetineerd op grond van een - achteraf gebleken - valse aangifte van [gedaagde 2] . Gedurende de periode dat hij in detentie was, bleef [gedaagde 2] in het gehuurde wonen. [eiser] en [gedaagde 2] hadden de afspraak met elkaar gemaakt dat zij beiden de helft van de huur zouden betalen. [eiser] heeft zich aan deze afspraak gehouden tot hij gedetineerd werd. Daarnaast heeft [gedaagde 2] huursubsidie ontvangen. [eiser] betwist de verschuldigdheid van de huur vanaf april 2017 en de verschuldigdheid van de kosten van de eindnota. Voor zover hij hiervoor (mede) tot betaling wordt veroordeeld, wenst hij [gedaagde 2] in vrijwaring op te roepen. Toen [eiser] werd gedetineerd, was er geen sprake van schade aan de woning. Na zijn detentie heeft [eiser] zo snel mogelijk de huur opgezegd. [eiser] heeft begrepen dat [gedaagde 2] in de woning is blijven wonen. De onbetaalde huurpenningen vanaf mei 2017 en de schadevergoeding op grond van de eindnota wenst [eiser] , indien hij tot betaling daarvan wordt veroordeeld, van [gedaagde 2] terug te vorderen.

3.3

Waterweg heeft geen bezwaar gemaakt tegen het verzoek tot oproeping in vrijwaring van [gedaagde 2] .

4. De beoordeling

in het incident

4.1

De incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring is genomen op de voor conclusie van antwoord bepaalde datum en is daarmee tijdig en vóór alle weren genomen. Op grond van artikel 210 Rv kan een partij in de hoofdzaak een derde in vrijwaring oproepen indien hij krachtens zijn rechtsverhouding tot die derde ( [gedaagde 2] ) recht en belang heeft de nadelige gevolgen van een voor hem ongunstige afloop van de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk op [gedaagde 2] te verhalen.

4.2

Indien hetgeen [eiser] heeft gesteld juist is, zal hij de nadelige gevolgen van het eventuele verlies in de hoofdzaak geheel of ten dele kunnen afwentelen op [gedaagde 2] . Daarmee is aan de onder 4.1 genoemde voorwaarde voldaan. Nu Waterweg zich bovendien heeft gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter, zal de door [eiser] ingestelde incidentele vordering worden toegewezen.

4.3

Naar het oordeel van de kantonrechter kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten in het incident worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

in de hoofdzaak

4.4

In de hoofdzaak heeft [gedaagde 1] reeds een conclusie van antwoord genomen. Waterweg zal thans in de gelegenheid worden gesteld om in de hoofdzaak een conclusie van repliek te nemen op na te melden rolzitting.

4.5

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De kantonrechter:

in het incident

staat [eiser] toe [gedaagde 2] in vrijwaring te doen dagvaarden tegen de rolzitting van woensdag 12 mei 2021 om 15:30 uur;

compenseert de kosten van dit incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in de hoofdzaak

verwijst de hoofdzaak naar de rolzitting van woensdag 12 mei 2021 om 15:30 uur voor conclusie van repliek aan de zijde van Waterweg;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. D.L. Spierings en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

43416