Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3921

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
9062341 VV EXPL 21-95
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding huurrecht, ernstige overlast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9062341 VV EXPL 21-95

uitspraak: 7 april 2021

vonnis in kort geding van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

de stichting

Stichting Vestia,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. P.R.W. Richter,

tegen:

1. [gedaagde],

wonende te [woonplaats gedaagde],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Ornithos.eu B.V.,

als bewindvoerder over de goederen van [gedaagde],

gedaagden,

gemachtigde: mr. C.P. Timmers.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Vestia’, ‘[gedaagde]’ en ‘de bewindvoerder’. [gedaagde] en de bewindvoerder worden hierna tezamen aangeduid als ‘gedaagden’.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

• de dagvaardingen van 11 maart 2021, met producties;

• een e-mailbericht van de bewindvoerder van 11 maart 2021, met bijlagen;

• producties van de zijde van gedaagden toegezonden bij mails van 23 maart 2021;

• de pleitnota van de gemachtigde van Vestia.

1.2

De mondeling behandeling heeft plaatsgevonden op 24 maart 2021. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Aan de zijde van de eisende partij zijn verschenen [naam 1] en [naam 2], beiden werkzaam bij Sociaal Beheer van Vestia, bijgestaan door de heer mr. P.R.W. Richter, gemachtigde. Aan de zijde van gedaagde partij zijn verschenen [naam 3] en haar zoon, [naam 4], alsmede [naam 5], bewindvoerder, en de heer mr. C.P. Timmers, gemachtigde.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.

2.1

[gedaagde] huurt sinds 7 november 2006 van Vestia de woonruimte gelegen aan de [adres 1] (hierna: “de woning” of “het gehuurde”) tegen een huurprijs van laatstelijk € 538,86 per maand.

2.2

Bij beschikking van de kantonrechter te Rotterdam van 10 oktober 2012 zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan [gedaagde] onder bewind gesteld. Ornithos.eu B.V. is de huidige bewindvoerder.

2.3

Op de huurovereenkomst zijn de algemene huurvoorwaarden zelfstandige woonruimte van Vestia van juni 2006 (hierna: “de algemene huurvoorwaarden”) van toepassing. In de algemene huurvoorwaarden is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“(…) Artikel 13

Gebruiksvoorschriften, veiligheid en leefbaarheid

1. Huurder zal het gehuurde als een goed huurder en overeenkomstig de daaraan gegeven bestemming van woonruimte gebruiken. (…)

4. Huurder zal ervoor zorgdragen dat aan omwonenden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt. Dit geldt tevens voor huisgenoten of derden, die zich met toestemming van huurder in het gehuurde bevinden. (…)”

2.4

Naar aanleiding van een incident op 24 oktober 2020 heeft de politie een Bestuurlijke Rapportage opgesteld betreffende de overlast [adres 1]. Dit rapport heeft tot doel om de burgemeester van Rotterdam te informeren in het kader van het handhaven van de openbare orde en veiligheid. In dit rapport d.d. 12 november 2020 is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“(…) Op zaterdag 24 oktober heeft er een schietpartij plaatsgevonden ter hoogte van de [adres 2]. Tijdens het schieten is er schade veroorzaakt aan de tegenover gelegen portiek nummer (…) en aan de woning (…). Hierbij is de veiligheid van omwonenden in het algemeen en de bewoners van getroffen bebouwing in het bijzonder in gevaar gebracht.

In de onderhavige casus is – samengevat weergegeven – sprake van het veroorzaken van ernstige overlast voor de bewoners van de [straatnaam]. Hierbij worden intimidaties en bedreigingen geuit naar de bewoners en deze voelen zich niet veilig in hun eigen straat. Dit schietincident (de derde in anderhalf jaar) is voor velen van hen de spreekwoordelijke druppel en geven aan dat er nu echt iets moet gebeuren. (…)

Uit de meldingen en later onderzoek bleek dat een relatie gelegd kon worden tussen het schietincident en een feest wat op dat moment plaatsvond op [adres 1]. [naam 6] is op 21 oktober jarig en heeft zijn feestje gegeven in de [adres 1]. Tijdens dit feestje is er ruzie ontstaan in de woning en zijn ze vechtend naar buiten gegaan. (…)

Uit angst voor hun veiligheid durven de bewoners van de [straatnaam] niet te melden met betrekking tot de overlast wat de bewoonster, van de [adres 1], en haar bezoekers veroorzaken. Het klagen en de meldingen komen bij de politie anoniem binnen. (…)

Uit de registraties blijkt dat de bewoonster van [adres 1] geen maatregelen heeft genomen om de overlast tegen de te gaan. [naam 6] is meerdere malen door wijkbewoners aangewezen als persoon die een zeer regelmatige bezoeker, bewoner, is van [adres 1] en dat hij en andere bezoekers/bewoners een vooraanstaande rol spelen bij de overlast in de [straatnaam]. Voorts is als verdachte van het laatstgenoemde schietincident aangehouden. Doordat [naam 6] een relatie heeft met de kleindochter van de bewoonster van [adres 1] ([gedaagde]) en twee kinderen heeft met deze kleindochter, is te vrezen dat de overlast zal voortduren en gezien de ontwikkeling in de soort overlast in ernst zal toenemen. (…)”

2.5

Naar aanleiding van voornoemd rapport heeft de burgemeester bij besluit van 11 januari 2021 de woning voor de duur van 6 maanden gesloten op basis van artikel 174a van de Gemeentewet. In het besluit van de burgemeester is - voor zover hier van belang - het volgende opgenomen:

“(…) Op grond van alle informatie stel ik vast dat er al langere tijd sprake is van ernstige overlast op de [straatnaam]. De stelselmatige en langdurige overlast wordt veroorzaakt door bewoners en bezoekers van de woning op [adres 1]. De overlast is van zodanige aard dat gesproken kan worden van een ernstige verstoring van de openbare orde. De veiligheid en gezondheid van mensen in de omgeving van de woning wordt in ernstige mate bedreigd. (…)

Ik ben van mening dat sprake is van een zeer ernstig geval. Ik acht in dat kader van belang dat de rapportage een beeld schetst van een situatie die al lange tijd gaande is, maar de afgelopen periode steeds erger lijkt te worden. Er is sprake van structurele en langdurige overlast. Omwonenden voelen zich bedreigd en geïntimideerd door de bewoonster van [adres 1] en personen die deze woning bezoeken. Ook neem ik mee dat in anderhalf jaar tijd zich drie schietincidenten hebben voorgedaan. Bij het meest recente incident zijn zelfs drie kogels ingeslagen in een ander gebouw, waarvan één kogel in de slaapkamer van een kind.

Daarbij merk ik op dat er meerdere gesprekken met de bewoonster zijn gevoerd over de problematiek. (…)”

2.6

[gedaagde] heeft tegen het besluit van de burgemeester bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. In de uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 februari 2021 is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“(…) De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder niet heeft hoeven afzien van de sluiting van de woning. Verzoekster stelt vooral de evenredigheid van de maatregel aan de orde. Dat het te vroeg is voor een sluiting en dat het nog zinvol is om vanuit de wijk voor verzoekster een coach aan te wijzen en structureel met elkaar in gesprek te gaan, zoals de gemachtigde van verzoekster ter zitting opperde, volgt de voorzieningenrechter niet. Er zijn namelijk al in 2018 en 2020 met verzoekster twee waarschuwingsgesprekken (“stopgesprekken”) gevoerd en toen zijn er met verzoekster duidelijke afspraken gemaakt en is zij erop is gewezen dat, als zij zich niet aan de afspraken houdt, het mogelijk is dat de woning wordt gesloten of dat derde-partij de huurovereenkomst zal willen ontbinden. Ook is via de gemeente een coach voor verzoekster ingezet, maar na een half jaar bleek het resultaat minimaal; de overlast was voor een korte periode minder, maar kwam later even hard weer terug (rapportage pag. 16). Niet valt in te zien wat coaching of gesprekken met verzoekster nu nog kunnen bijdragen aan een structurele oplossing voor de ernstige verstoring van de openbare orde vanuit de woning. (…)

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. (…)”

2.7

De woning is feitelijk op 8 februari 2021 gesloten.

3. De vordering

3.1

Vestia vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening:

  1. ontruiming van het gehuurde binnen 3 dagen na het in deze te wijzen vonnis, en het gehuurde onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van Vestia te stellen;

  2. betaling van de lopende maandelijkse huurverplichtingen dan wel vervangende schadevergoeding vanaf 1 maart 2021 tot aan het tijdstip van de daadwerkelijke ontruiming van het gehuurde, waarbij een ingegane maand voor een volle maand wordt gerekend, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldag van elke termijn;

  3. gedaagden te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

3.2

Aan haar vorderingen legt Vestia ten grondslag dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van de huurovereenkomst en de algemene voorwaarden door zich niet als een goed huurder te gedragen. Deze tekortkoming is zo ernstig dat zij de ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure rechtvaardigt. Het gehuurde is door de burgemeester ook gesloten, wat de ernst van de situatie onderstreept.

3.3

In de afgelopen jaren zijn er meerdere incidenten in en rond de woning geweest en [gedaagde] heeft op ernstige en structurele overlast in de buurt veroorzaakt. Omwonenden klagen dat er sprake is van excessief gebruik van verdovende middelen en alcoholische dranken door derden die [gedaagde] toelaat in het gehuurde. Voorts zorgt [gedaagde] voor ernstige geluidsoverlast. Tot slot hebben [gedaagde] en haar bezoek omwonenden geïntimideerd en agressief bejegend. Het gedrag van [gedaagde] heeft angst veroorzaakt bij omwonenden en zij zijn bang geworden om hun klachten te uiten. Meerdere (waarschuwings)gesprekken met [gedaagde] hebben voor weinig of geen verbetering gezorgd. [gedaagde] is dus niet in staat of bereid gebleken de overlast te stoppen. Vestia wil de woning daarom ontruimen.

3.4

Vestia heeft een spoedeisend belang bij ontruiming van het gehuurde. Zij kan de uitkomst van een bodemprocedure niet afwachten, omdat er een onhoudbare situatie is ontstaan en zij als verhuurder de belangen van haar overige huurders dient te waarborgen. Bovendien bestaat er een groot tekort aan sociale huurwoningen en brengt het maatschappelijk belang met zich mee dat het gehuurde zo spoedig mogelijk toegewezen dient te worden aan een woningzoekende.

4. Het verweer

4.1

Gedaagden hebben verweer gevoerd. Daarop zal – voor zover van belang – hierna worden ingegaan.

5. De beoordeling

Spoedeisend belang

5.1

Bij een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening als de onderhavige dient allereerst te worden beoordeeld of Vestia een zodanig spoedeisend belang heeft dat van haar niet mag worden verwacht dat zij de uitkomst een bodemprocedure afwacht. Gelet op de stelling van Vestia dat [gedaagde] ernstige en structurele overlast veroorzaakt aan omwonenden is voldoende gebleken dat Vestia een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevorderde voorzieningen, zodat zij in zoverre ontvankelijk is in haar vorderingen.

De gevolgen van het bewind over de goederen van [gedaagde]

5.2

Vestia heeft zowel [gedaagde] als de bewindvoerder gedagvaard. Vast staat dat er een bewind is ingesteld over de goederen van [gedaagde]. Tijdens het bewind komen het beheer en de beschikking over de onder bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder, met inachtneming van de in de wet vermelde voorwaarden (artikel 1:438 leden 1 en 2 BW). Ingevolge artikel 1:441 lid 1 BW geldt tijdens het bewind dat de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte vertegenwoordigt. Uit deze artikelen vloeit voort dat de rechthebbende gelet op het ingestelde beschermingsbewind niet de bevoegdheid heeft om zelfstandig te procederen, maar dat de bewindvoerder ter zake de onder bewind staande goederen optreedt als formele procespartij ten behoeve van de rechthebbende. De vorderingen van Vestia dienden daarom enkel te worden ingesteld tegen de bewindvoerder, en niet tevens tegen [gedaagde]. Dit heeft tot gevolg dat Vestia niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vorderingen jegens [gedaagde]. Vestia zal worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde], die tot op heden begroot worden op nihil nu er geen van de bewindvoerder aparte procesvertegenwoordiging is geweest.

Ontruiming

5.3

De kantonrechter stelt voorop dat ontruiming van een woning een ingrijpende maatregel is. In dit kort geding dient, mede op basis van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van Vestia in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Daarbij dient de kantonrechter uit te gaan van de feiten met de beperkte toetsing daarvan, aangezien een kortgedingprocedure zich niet leent voor nader feitenonderzoek en/of nadere bewijslevering.

5.4

Op grond van het bepaalde in artikel 7:213 BW is de huurder verplicht zich ten aanzien van het gebruik van de gehuurde zaak als een goed huurder te gedragen. Deze verplichting van [gedaagde] volgt tevens uit artikel 13 van de algemene huurvoorwaarden.

5.5

Namens [gedaagde] is betwist dat [gedaagde] overlast heeft veroorzaakt en dat er sprake is van verstoring van de openbare orde vanuit haar woning. Aangevoerd is dat zij niet verantwoordelijk is voor het gedrag van derden en voor wat er op straat gebeurt. Niet betwist is echter dat er meerdere incidenten hebben plaatsgevonden, zoals het schietincident op 24 oktober 2020. Ook is niet betwist dat bezoek van [gedaagde] overlast veroorzaakt en dat zij en haar bezoekers omwonenden hebben geïntimideerd en agressief bejegend. Aangevoerd is wel dat de gebeurtenissen zoals omschreven in de rapportage van de politie niet gelinkt kunnen worden aan de woning van [gedaagde]. Bovendien heeft [gedaagde] vanwege haar leeftijd en psychische gesteldheid een groot belang bij het behoud van de woning en heeft zij hulp nodig. Zij is analfabeet en kan zich niet uitdrukken in het Nederlands. Als Vestia al brieven heeft verstuurd over de vermeende overlast dan kon [gedaagde] deze brieven niet begrijpen. De bewindvoerder voert aan dat zij enkel is geïnformeerd over de klachten omtrent geluidsoverlast, maar van de incidenten die omschreven worden in de rapportage van de politie was zij niet op de hoogte gesteld. Vestia kan de bewindvoerder daarom niet verwijten dat zij geen actie heeft ondernomen.

5.6

Nu de door Vestia geschetste gang van zaken slechts gedeeltelijk is betwist, is voorshands voldoende aannemelijk dat [gedaagde] de openbare orde heeft verstoord, dit reeds voor langere tijd aan de gang is en daarmee dus overlast is veroorzaakt. Dit blijkt voorts ook uit de door Vestia overgelegde bestuurlijke rapportage met daarin opgenomen de meldingen die het in het systeem van de politie in de afgelopen vijf jaar zijn binnengekomen met betrekking tot de [adres 1]. Voor zover de gedragingen van anderen hieraan hebben bijgedragen, geldt op grond van artikel 7:219 BW dat [gedaagde] er als huurder voor dient te zorgen dat aan omwonenden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt door derden die zich vanwege haar in, rondom of in de directe nabijheid van het gehuurde of in de gemeenschappelijke ruimten bevinden. Het gedrag van bezoekers kan dus wel degelijk [gedaagde] worden aangerekend. Daarbij komt dat ook niet betwist is dat bij de schietpartij op 24 november 2020 bezoekers van [gedaagde] betrokken zijn geweest. Dat de bezoekers van [gedaagde] inmiddels hebben toegezegd dat zij in de toekomst geen overlast zullen veroorzaken maakt dit niet anders, aangezien dit de eerdere tekortkomingen niet ongedaan maakt.

5.7

Ten aanzien van de vraag of het veroorzaken van overlast de ontbinding van de huurovereenkomst kan rechtvaardigen, geldt het volgende. Uit het bepaalde in artikel 6:265, lid 1 BW, mede gelet op de jurisprudentie daarover (waaronder het arrest van de Hoge Raad van 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810) volgt, dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van zijn verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Het is hierbij aan de tekortschietende partij om zich voldoende gemotiveerd op deze ‘tenzij’-uitzondering te beroepen. Bij de beoordeling dient de rechter rekening te houden met alle door partijen genoegzaam gemotiveerd aangevoerde omstandigheden van het geval. In dit kader wordt vooropgesteld dat Vestia een zwaarwegend belang heeft bij het optreden tegen verstoringen van de openbare orde. Zij is gehouden om bij te dragen aan de leefbaarheid van de woonomgeving en moet instaan voor een rustig woongenot voor de omwonenden. Daar tegenover staat het belang van [gedaagde] bij behoud van haar woning, mede vanwege haar leeftijd en psychische gesteldheid. De kantonrechter acht het op grond van hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd vooralsnog echter niet aannemelijk dat het belang van [gedaagde] bij behoud van de woning in een bodemprocedure zwaarder zal wegen dan het grote en gerechtvaardigde belang van Vestia. Hierbij heeft de kantonrechter rekening gehouden met het feit dat de overlast al geruime tijd duurt en ernstig van aard is. Pogingen om dit een halt toe te roepen zijn niet succesvol gebleken. Ook het feit dat [gedaagde] niet in staat de brieven over de overlast te lezen en/of te begrijpen, maakt dit niet anders omdat er ook diverse gesprekken met diverse mensen en [gedaagde] over de overlast hebben plaatsgevonden en ook dit niet tot verbetering heeft geleid.

5.8

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat meer dan aannemelijk is dat in een bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst zal worden uitgesproken en zal worden bepaald dat de woning ontruimd moet worden. Hoewel het belang van [gedaagde] om in de woning te kunnen blijven wonen groot is, kan onder de hiervoor geschetste omstandigheden in redelijkheid niet van Vestia worden verlangd dat zij het gehuurde aan [gedaagde] ter beschikking blijft stellen. Hier komt (ten overvloede) nog bij dat de woning op 8 februari feitelijk gesloten is door de burgemeester en Vestia bij brief van 10 februari 2021 de huurovereenkomst met [gedaagde] buitengerechtelijk heeft ontbonden.

5.9

Gelet op het voorgaande ziet de kantonrechter aanleiding op de beëindiging van de huurovereenkomst vooruit te lopen en de gevorderde ontruiming in deze procedure toe te wijzen. De ontruimingstermijn zal op veertien dagen na betekening van dit vonnis worden bepaald, met dien verstande dat om tot ontruiming te kunnen overgaan de sluiting wel opgeheven dient te zijn.

Huurpenningen/ vervangende schadevergoeding

5.10

Voorts vordert Vestia betaling van de lopende maandelijkse huurverplichtingen dan wel vervangende schadevergoeding vanaf 1 maart 2021 tot aan het tijdstip van de daadwerkelijke ontruiming van het gehuurde.

5.11

Vestia heeft echter niet gesteld dat de huur c.q. schadevergoeding met ingang van de maand maart 2021 niet is betaald. Evenmin heeft zij gesteld dat er anderszins problemen zijn met betrekking tot de huurbetalingen. Dit deel van de vordering wordt daarom als onvoldoende onderbouwd afgewezen.

5.12

De bewindvoerder zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

6. De beslissing

De kantonrechter:

rechtdoende in kort geding:

verklaart Vestia niet-ontvankelijk in haar vorderingen jegens [gedaagde];

veroordeelt Vestia in de proceskosten van [gedaagde], welke kosten tot op heden begroot worden op nihil;

veroordeelt - op de voorwaarde dat de sluiting van het gehuurde is opgeheven zodat aan deze veroordeling kan worden voldaan - de bewindvoerder, als bewindvoerder over de goederen van [gedaagde], om binnen veertien na betekening van dit vonnis het gehuurde aan de [adres 1] te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege [gedaagde] daar bevinden en het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van Vestia te stellen;

veroordeelt de bewindvoerder, als bewindvoerder over de goederen van [gedaagde], in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Vestia vastgesteld op € 507,- aan griffierecht, € 112,80 aan dagvaardingskosten en € 498,- aan salaris voor de gemachtigde;

en indien de bewindvoerder, als bewindvoerder over de goederen van [gedaagde] niet vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, te vermeerderen met € 124,- aan nakosten en de kosten van betekening voor zover betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Verkerk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

43416