Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3906

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-04-2021
Datum publicatie
03-05-2021
Zaaknummer
10/700293-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

medeplegen moord - Prokuratur

Verdachte wordt veroordeeld voor 17 jaar voor medeplegen moord (en het voorhanden hebben van een vuurwapen). Alternatief scenario is niet aannemelijk geworden. Prokuratur. Anders dan het OM is de rechtbank van oordeel dat het arrest zich niet beperkt tot verkeers- en locatiegegevens die op grond van een wettelijke bewaarplicht door de aanbieder worden bewaard. Rechtbank is van oordeel dat de in het onderhavige onderzoek opgevraagde verkeersgegevens en mastgegevens achteraf gezien niet door een officier van justitie gevorderd hadden mogen worden zonder voorafgaande onafhankelijke toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit. De rechtbank zoekt aansluiting bij het beoordelingskader van artikel 359a Sv en volstaat met constatering van de normschending, gelet op het geringe nadeel voor verdachte als gevolg van de normschending.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/700293-20

Datum uitspraak: 30 april 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd

in de P.I. Rotterdam, locatie Hoogvliet,

raadsvrouw mr. T. Sandrk, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 11 maart 2021 en 9 april 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 27 november 2020 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officieren van justitie mrs. L.C. Visser en L. Verhoeven hebben gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaar met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. De verdachte ontkent bij het schietincident betrokken te zijn geweest. Het feit dat de verdachte de bestuurder was van de Renault Megane en in het bezit was van de sleutel van de Volkswagen Transporter is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Dat de verdachte een intellectuele of materiële bijdrage heeft geleverd voorafgaand, tijdens of na de schietpartij is voorts niet gebleken. De verdachte zou alleen een gestolen auto van A naar B rijden. In de nacht van 28 op 29 mei 2020 kreeg de verdachte via de app ‘Signal’ het bericht dat er nog iemand mee zou rijden. Op 29 mei is de verdachte omstreeks 05.45 uur door een vriend opgehaald en vanuit Capelle aan den IJssel naar de Renault Megane gebracht. De verdachte is voor die tijd steeds thuis geweest. Dat geldt ook voor de dag voorafgaand aan zijn aanhouding. Nadat de verdachte door zijn vriend is afgezet, heeft hij in de Renault Megane plaatsgenomen. De verdachte heeft ongeveer drie kwartier gewacht voordat de medeverdachte aan kwam lopen. De medeverdachte is toen in de auto gestapt. De verdachte wist niet wie er met hem mee zou rijden en kent de medeverdachte verder ook niet. Bij het zien van de politie is de verdachte gevlucht, omdat hij in een gestolen auto reed. De verdachte heeft de sleutel van de Volkswagen Transporter na de crash op de middenconsole van de Renault Megane zien liggen en in een reflex meegenomen. De verdachte weet niet hoe de sleutel in de middenconsole terecht is gekomen. Het voor medeplichtigheid vereiste dubbel opzet is niet aanwezig. Daarvoor is immers vereist dat de verdachte wist dat de door hem bestuurde auto fungeerde als vluchtauto voor de dader van de schietpartij.

De verdachte heeft ook niet gezien of geweten wat de medeverdachte op het moment van het betreden van de auto bij zich had en heeft evenmin zicht gehad op wat er achter zijn stoel lag. De verdachte had derhalve geen weet van de aanwezigheid van het vuurwapen in de auto.

4.1.2.

Beoordeling

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Vaststaande feiten

Op 29 mei 2020 ontvangen verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] rond 07.07 uur de melding dat aan de [plaats delict] te Rotterdam meerdere keren is geschoten en dat de dader achterin een goudkleurige Volkswagen Transporter is gestapt, waarna deze is weggereden in de richting van het Prinsenplein. Ter plaatse treffen de verbalisanten het lichaam van [naam slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) aan voor de woning aan de [adres 1] . Het slachtoffer heeft meerdere inschoten in zijn hoofd en een uitschot aan de linkerzijde van zijn hoofd, net boven zijn slaap. De andere inschoten zitten ter hoogte van zijn kaak, zijn linkeroog en aan de rechterzijde van zijn hoofd. Het slachtoffer had geen hartslag en ademhaling meer.1 Onderzoek aan het lichaam van het slachtoffer wijst uit dat het slachtoffer twintig huidperforaties heeft en is overleden aan de gevolgen van meervoudig schotletsel aan het hoofd/de nek en een inschot van de hals/romp.2Op de plaats delict worden veertien hulzen aangetroffen van het kaliber 9 mm Parabellum.3

Kort na het schietincident verstrekt het Team Criminele Inlichtingen van de Eenheid Rotterdam gegevens over een vermoedelijk gestolen Renault Megane met het kenteken [kentekennummer 1] en een vermoedelijk gestolen Volkswagen Transporter die is voorzien van valse kentekenplaten. De voertuigen zijn op 14 respectievelijk 19 mei 2020 van peilbakens voorzien. Uit de bakengegevens volgt dat de beide voertuigen voorafgaand aan de schietpartij rond 05:15 uur in elkaars nabije omgeving stil hebben gestaan in de buurt van de Stadionlaan, vlakbij de locatie waar na de schietpartij de Volkswagen Transporter is aangetroffen. Verder volgt uit de bakengegevens dat de Volkswagen Transporter omstreeks 07:06 uur vanaf de [plaats delict] wordt verreden naar de directe omgeving van de Renault Megane die op dat moment nog stilstaat nabij de Stadionlaan in de Rotterdamse wijk Sportdorp. Kort nadat de Volkswagen Transporter tot stilstand komt, wordt de Renault Megane verreden. De bakengegevens worden rechtstreeks gedeeld met de meldkamer van de politie.4 De politie zet naar aanleiding daarvan de achtervolging in op de Renault Megane.

Na een wilde achtervolging door de politie crasht de Renault Megane. Het voertuig komt tot stilstand op de Verlengde Motorstraat. De verdachte is de bestuurder van de Renault Megane en de medeverdachte [naam medeverdachte] zit als bijrijder in het voertuig. Zowel de verdachte als de medeverdachte probeert na de crash aan de politie te ontkomen door te voet de vlucht in te zetten.5 De verdachte staakt zijn vlucht(poging) nadat de politie een waarschuwingsschot lost en wordt daarop aangehouden. De verdachte draagt bij zijn aanhouding zwarte handschoenen en is in het bezit van de autosleutel van de Renault Megane. Tijdens zijn insluitingsfouillering treft de politie in zijn broekzak de autosleutel aan van een Volkswagen Transporter.6 Ook de medeverdachte wordt na de crash aangehouden.7 De politie heeft gezien dat de medeverdachte tijdens zijn vlucht iets op de grond heeft laten vallen in de Verlengde Motorstraat. Dit blijkt een handschoen te zijn. De handschoen wordt inbeslaggenomen voor sporenonderzoek.8

Na de aanhouding van de verdachte en de medeverdachte wordt de Renault Megane onderzocht. In het voertuig wordt een vuurwapen van het merk Glock type 199 aangetroffen met de slede in de achterste stand.10 De kamer en het patroonmagazijn van het vuurwapen zijn leeg.11 Verder wordt in het voertuig nog aangetroffen: een donkerkleurige regenjas (met capuchon), een donkerkleurige regenbroek, een handschoen met daarin een wegwerphandschoen en een Cola-fles met benzine.12 De vanaf de [plaats delict] verreden Volkswagen Transporter wordt eveneens onderzocht. Het voertuig is voorzien van vervalste kentekenplaten met kenteken [kentekennummer 2] en is op de kruising van de Stadionlaan met de Arresleestraat achtergelaten. De Volkswagen Transporter kan met de onder de verdachte inbeslaggenomen sleutel worden geopend. Ook in dit voertuig wordt een met benzine gevulde frisdrankfles aangetroffen.13

Forensisch onderzoek

De in de Renault Megane aangetroffen goederen worden onderzocht om te bezien of deze verband houden met het schietincident aan de [plaats delict] . Het gaat daarbij om het vuurwapen, de regenkleding en de handschoen met daarin de wegwerphandschoen. De handschoenen die de verdachte tijdens zijn aanhouding droeg en de door de medeverdachte op de Verlengde Motorstraat achtergelaten handschoen zijn eveneens op sporen onderzocht.

Met betrekking tot de Glock wordt met de hoogste mate van waarschijnlijkheid geconcludeerd dat de op de plaats delict aangetroffen hulzen met dit vuurwapen zijn verschoten.14 Op de in de Renault Megane aangetroffen regenkleding wordt DNA aangetroffen dat matcht met de medeverdachte, telkens met een bewijskracht van meer dan 1 miljard. Het DNA wordt onder meer aangetroffen op de binnenzijde van de kraag en de binnenzijde van de rechter manchet van de regenjas en op de tailleband van de regenbroek.15 Ook op de handschoen (met daarin de wegwerphandschoen) is aan de binnenzijde en op de manchet DNA aangetroffen dat matcht met de medeverdachte, telkens met een bewijskracht van meer dan 1 miljard. Dit geldt ook voor de binnenzijde van de wegwerphandschoen.16 De handschoen die op de Verlengde Motorstraat is achtergelaten vormt naar alle waarschijnlijk een paar met de in de Renault Megane aangetroffen handschoen waarop het aan de medeverdachte te linken DNA is aangetroffen.17 Op de in de Renault Megane aangetroffen regenkleding en handschoenen zijn geen DNA-sporen van de verdachte aangetroffen.

Naast DNA-sporen worden op de mouwen van de regenjas ook schotresten aangetroffen. De schotresten betreffen categorie A-deeltjes.18 Op de handschoen die door de medeverdachte op de Verlengde Motorstraat is achtergelaten zijn eveneens schotresten met categorie A-deeltjes aangetroffen. Categorie A deeltjes zijn deeltjes die op basis van hun elementsamenstelling en morfologie karakteristiek zijn voor schotresten. Van deze deeltjes zijn qua elementsamenstelling tot op heden geen andere bronnen van herkomst bekend dan een schietproces. Vergelijkend schotrestenonderzoek tussen enerzijds de hulzen en anderzijds de mouwen van de regenjas en de handschoen geeft weliswaar geen uitsluitsel dat de op de regenjas en handschoen aangetroffen deeltjes afkomstig zijn van het verschieten van deze hulzen, maar de resultaten van dit onderzoek sluiten die conclusie geenszins uit.19

Is de verdachte bij het schietincident betrokken geweest?

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte bij het schietincident aan de [plaats delict] betrokken is geweest. Uit de hiervoor geschetste vaststaande feiten en uit de navolgende bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af.

Op de plaats delict zijn kort na het schietincident meerdere getuigen gehoord. Getuige [naam getuige 1] heeft verklaard 6 à 7 knallen te hebben gehoord. Hij is hierop naar het raam van zijn woning gerend, waar vandaan hij een vrij uitzicht heeft op de straat. De getuige ziet midden op straat een goudkleurige Volkswagen Transporter staan met het kenteken [kentekennummer 2] . Hij ziet dat de achterdeur van het busje wordt dichtgetrokken en dat het voertuig vervolgens hard wegrijdt.20 Getuige [naam getuige 2] heeft verklaard dat hij omstreeks 07.00 uur wakker schrikt van schoten. Vanuit het voorraam van zijn woning ziet hij een donkergetinte man in een Volkswagen Transporter springen, waarna het voertuig de straat uitrijdt. [naam getuige 2] heeft twee donkergetinte mannen met donkere kleding in het voertuig zien zitten. De man die achterin sprong, deed zelf één deur open. [naam getuige 2] omschrijft deze man als een donkergetinte man met een fors postuur en langer dan 1.80 meter. De man had een lange donkere regenjas aan, een zwarte pet op, een donkere broek en zwarte schoenen aan. De getuige vermoedt dat de man een Antilliaanse afkomst heeft. [naam getuige 2] is naar buiten gegaan nadat de bus is weggereden. Hij ziet dan zijn buurjongen van nummer 18 in de voortuin van huisnummer 20 liggen. Hij ziet dat zijn buurjongen meerdere gaten in zijn hoofd heeft.21 Ook getuige [naam getuige 3] hoort meerdere harde klappen waarna hij naar zijn raam is gelopen. De getuige ziet een donkerkleurige bestelbus ter hoogte van nummer 16 midden op de straat staan. De getuige ziet een jongen naar de bestelbus rennen en instappen. Hij zag dat de jongen een vuurwapen in zijn handen had. [naam getuige 3] weet zeker dat hij een vuurwapen heeft gezien; hij heeft de loop van het pistool zien uitsteken. [naam getuige 3] verklaart dat de man geheel in het donker was gekleed, ongeveer 180 cm lang is en tussen de 20 en 30 jaar oud.22

Uit de getuigenverklaringen en uit het moment waarop de meldkamer over het schietincident is geïnformeerd, volgt dat het slachtoffer op 29 mei 2020 omstreeks 07.00 uur is doodgeschoten. De bakengegevens van de Volkswagen Transporter tonen ook aan dat het voertuig kort daarvoor richting de [plaats delict] is verreden. Uit de gegevens blijkt dat de Volkswagen Transporter om 05.26 uur stilstaat aan de [adres 2] , daar weer vertrekt om vervolgens om 06.53 uur met de zeer hoge snelheid van 143 kilometer per uur terug naar de plaats delict te rijden. Uit de bakengegevens valt ook af te lezen dat de Volkswagen Transporter om 6:57 uur bij de [adres 3] is en na enkele minuten alweer van de plaats delict wegrijdt.23

De rechtbank stelt op basis van de hierboven beschreven uiteenzetting van de diverse voor het bewijs redengevende bevindingen en verklaringen vast – zoals hierna nader toegelicht – dat het de verdachte is geweest die met de medeverdachte naar de plaats delict is gereden om het slachtoffer van het leven te beroven.

Het door de verdachte (pas in het verhoor van 15 december 2020) aangedragen alternatieve scenario past weliswaar binnen de bewijsmiddelen, maar is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. De verdachte heeft verklaard dat hij ongeveer twee weken voor het schietincident iemand op straat tegenkwam die hem later via de app ‘Signal’ heeft gevraagd om op 28 mei 2020 voor een klein geldbedrag een gestolen auto van A naar B te rijden. In de nacht van 28 op 29 mei 2020 zou omstreeks 0.00 uur nog aan de verdachte zijn gevraagd of hij iemand mee kon nemen. De verdachte is daarmee akkoord gegaan. Ter terechtzitting heeft de verdachte desgevraagd verklaard hier geen vragen over te hebben gesteld. De verdachte heeft verder verklaard dat hij op 29 mei 2020 rond 05.45 uur uit Capelle aan den IJssel is vertrokken en op de dag en de uren daaraan voorafgaand thuis geweest. De politie heeft de verdachte al eerder geconfronteerd met het gegeven dat de historische verkeersgegevens van het nummer van zijn mobiele telefoon anders hebben uitgewezen. De verdachte heeft ter terechtzitting voor het eerst verklaard dat dit komt doordat hij in de avond/nacht van 28/29 mei 2020 zijn simkaart aan zijn broertje heeft uitgeleend.

De verdachte heeft verklaard aan de [adres verdachte] door een vriend te zijn opgepikt, die hem vervolgens bij de Renault Megane in Sportdorp heeft afgezet. De verdachte kreeg toen telefonisch te horen dat hij moest wachten tot degene die mee moest rijden er zou zijn en dat de verdachte zijn telefoon niet mocht gebruiken en moest meegeven. De verdachte heeft verklaard dat hij ongeveer een half uur à drie kwartier heeft gewacht tot die persoon, zijnde de medeverdachte, aan kwam lopen en plaatsnam in de Renault Megane.

Tijdens de politieverhoren en ook ter terechtzitting is getracht het door de verdachte aangedragen scenario te begrijpen en te verifiëren. Aan de verdachte is gevraagd van wie hij de opdracht heeft gekregen om de gestolen auto van A naar B te rijden en waar hij de auto had moeten afleveren. Ondanks dat in ieder geval ten aanzien van die tweede vraag niet valt in te zien hoe de verdachte iemand zou kunnen schaden door daarop te antwoorden, heeft de verdachte geen nadere informatie willen verschaffen. Ook is aan de verdachte gevraagd waarom hij in de door hem geschetste situatie zoveel risico’s heeft genomen in zijn vlucht voor de politie, hoe de sleutel van de Volkswagen Transporter in de Renault Megane terecht is gekomen en hoe deze sleutel in zijn broekzak terecht is gekomen. Het komt de rechtbank voor dat de verdachte goed heeft nagedacht over de vragen waarop hij een antwoord heeft gegeven. Die antwoorden zijn echter steeds onvoldoende concreet geweest en wanneer daarop werd doorgevraagd heeft de verdachte zich veelal op zijn zwijgrecht beroepen.

De rechtbank acht het opmerkelijk dat de verdachte pas op de terechtzitting van 11 maart 2021 heeft verklaard dat hij zijn simkaart die nacht aan zijn broertje had uitgeleend en dit ten tijde van zijn eerdere verhoren was vergeten. De verdachte had zich immers kunnen ontlasten door deze informatie direct te verschaffen. Ter zitting heeft de verdachte bovendien geen antwoord kunnen geven op de vraag op welk nummer hij werd gebeld toen hem werd medegedeeld dat hij moest wachten op degene die mee moest rijden. De rechtbank hecht dan ook geen geloof aan die verklaring en constateert in het verlengde daarvan dat het niet klopt dat de verdachte de dag en nacht voorafgaand aan het schietincident thuis is geweest. Op 28 mei 2020 om 22:08 uur straalt de telefoon van de verdachte immers nog de zendmast aan de Haringvliet in het centrum van Rotterdam aan en uit de telecomgegevens blijkt dat de telefoon die nacht tot 02:11 uur (het tijdstip waarna de telefoon niet meer is gebruikt) vermoedelijk door Rotterdam is verplaatst.24 Daar komt bij dat de verdachte pas in het verhoor van 15 december 2020, nadat het dossier vrijwel compleet was, met zijn alternatieve scenario is gekomen en dat de verdachte geen antwoord heeft willen geven op vragen over de losse eindjes in dat scenario. Die omstandigheden doen af aan de aannemelijkheid daarvan. Het alternatieve scenario van de verdachte wordt niet gevolgd.

Op basis van de bakengegevens, het forensische bewijs en de verschillende aangehaalde getuigenverklaringen staat het voor de rechtbank vast dat de medeverdachte degene is geweest die in de [plaats delict] op het slachtoffer heeft geschoten waarna hij via de achterdeur in de Volkswagen Transporter is gesprongen. De verdachte was in het bezit van de autosleutel van de Volkswagen Transporter die op de plaats delict is gezien en voor het uitvoeren van de moord is gebruikt. Bovendien is de verdachte kort na de schietpartij samen met de schutter aangehouden. Onder deze omstandigheden is de rechtbank ervan overtuigd dat de verdachte niet alleen bestuurder was van de Renault Megane, maar ook de bestuurder van de Volkswagen Transporter is geweest.

Opzet en voorbedachte raad

Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verdachte en de medeverdachte het slachtoffer opzettelijk en met voorbedachten rade gedood. Uit de bakengegevens van de Volkswagen Transporter blijkt dat het voertuig vanaf 05:20 uur in de wijk waar het slachtoffer woonde heeft rondgereden en ook op 05:22 uur en 05:26 uur al aan de [plaats delict] heeft gereden en heeft stil gestaan. De verdachte heeft het slachtoffer in de omgeving van diens woning opgewacht en is blijkens de bakengegevens met een zeer hoge snelheid naar de woning van het slachtoffer gereden op het moment dat het slachtoffer de woning naderde.25 Door de medeverdachte is vervolgens het vuur op het slachtoffer geopend. Hieruit volgt een vooropgezet plan en het voornemen om het slachtoffer van het leven te beroven. Dat het slachtoffer dood moest, volgt ook uit het aantal aangetroffen hulzen en de vele schotletsels van het slachtoffer.

Medeplegen

De verdachte heeft niet alleen gehandeld en de rechtbank is van oordeel dat tussen de verdachte en de medeverdachte sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. De verdachte heeft de Volkswagen Transporter op het moment dat het slachtoffer zijn woning naderde met een snelheid van 143 kilometer per uur naar de [plaats delict] verreden en de bus zodanig gepositioneerd dat deze midden op straat stond. Op die wijze heeft de medeverdachte het slachtoffer van dichtbij kunnen benaderen en vanaf een korte afstand op het lichaam en hoofd kunnen schieten. De verdachte heeft ten tijde van de moordaanslag op het slachtoffer op de medeverdachte staan wachten. Doordat de Volkswagen Transporter midden op straat stond, kon de medeverdachte na het lossen van de schoten direct in het voertuig springen en konden de verdachten daarna direct de straat uit rijden. De verdachte is met de medeverdachte gevlucht en zij zijn, met alle goederen die hen met de liquidatie in verband konden brengen, in de Renault Megane overgestapt. De rechtbank is gezien deze omstandigheden van oordeel dat de bijdrage van de verdachte geenszins ondergeschikt is geweest aan die van de medeverdachte en acht de verdachte ook ten volle verantwoordelijk voor de moord op [naam slachtoffer] . De rechtbank merkt op dat het dossier aanwijzingen bevat dat er ook nog een of meer andere personen bij de schietpartij zijn betrokken. Omdat onvoldoende duidelijk is geworden welke rol zij hebben vervuld en hoe die rol juridisch gekwalificeerd moet worden, beperkt de rechtbank de bewezenverklaring tot het in vereniging met “een ander” plegen van de feiten.

Arrest Hof van Justitie van de Europese Unie (Prokuratuur)

Bij tussenvonnis van 25 maart 2021 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om het Openbaar Ministerie en de verdediging in de gelegenheid te stellen hun standpunt kenbaar te maken over de eventuele gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) H.K. vs Estland (Prokuratuur) (ECLI:EU:C:2021:152, hierna ook: het arrest van het HvJ EU) voor de beoordeling van de onderhavige zaak.

In dit arrest heeft het HvJ EU onder meer het volgende overwogen:

“ 45 Gelet op het voorgaande moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, gelezen in het licht van de artikelen 7, 8 en 11 en artikel 52, lid 1, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die de mogelijkheid biedt om overheidsinstanties met het oog op het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten toegang te verlenen tot een reeks verkeers- of locatiegegevens die informatie kunnen verschaffen over de communicaties van een gebruiker van een elektronische-communicatiemiddel of over de locatie van de door hem gebruikte eindapparatuur en waaruit precieze conclusies kunnen worden getrokken over zijn persoonlijke levenssfeer ‐ welke toegang niet beperkt is tot procedures ter bestrijding van zware criminaliteit en ter voorkoming van ernstige bedreigingen van de openbare veiligheid ‐, en dit ongeacht de duur van de periode waarvoor om toegang tot dergelijke gegevens wordt verzocht en ongeacht de hoeveelheid en de aard van de gegevens die voor die periode beschikbaar zijn.

(…)

50 Aangezien een algemene toegang tot alle bewaarde gegevens los van enig – zelfs ook maar indirect – verband met het nagestreefde doel niet kan worden geacht tot het strikt noodzakelijke te zijn beperkt, moet de betrokken nationale regeling dus aan de hand van objectieve criteria bepalen in welke omstandigheden en onder welke voorwaarden aan de bevoegde nationale instanties toegang tot de gegevens van de abonnees of de geregistreerde gebruikers moet worden verleend. In dit verband kan in beginsel voor het doel van bestrijding van de criminaliteit slechts toegang worden verleend tot de gegevens van personen die ervan worden verdacht een ernstig misdrijf te plannen, te plegen of te hebben gepleegd of op de een of andere wijze betrokken te zijn bij een dergelijk misdrijf. In bijzondere situaties, zoals die waarin vitale belangen van nationale veiligheid, landsverdediging of openbare veiligheid door terroristische activiteiten worden bedreigd, zou echter ook toegang tot de gegevens van andere personen kunnen worden verleend, wanneer op grond van objectieve elementen kan worden geoordeeld dat deze gegevens in het concrete geval een daadwerkelijke bijdrage tot de bestrijding van dergelijke activiteiten zouden kunnen leveren (zie in die zin arrest Tele2, punt 119, en arrest van 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a., C‑511/18, C‑512/18 en C‑520/18, EU:C:2020:791, punt 188).

51 Om te waarborgen dat deze voorwaarden in de praktijk ten volle in acht worden genomen, is het van wezenlijk belang dat de toegang van de bevoegde nationale instanties tot de bewaarde gegevens wordt onderworpen aan voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of door een onafhankelijke bestuurlijke entiteit, en dat deze rechterlijke instantie of deze entiteit haar beslissing geeft op een met redenen omkleed verzoek van deze instanties dat met name wordt ingediend in het kader van procedures ter voorkoming, opsporing of vervolging van strafbare feiten. In naar behoren gemotiveerde urgente gevallen dient die toetsing op korte termijn plaats te vinden (zie in die zin arrest van 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a., C‑511/18, C‑512/18 en C‑520/18, EU:C:2020:791, punt 189 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

(…)

54 Uit de voorgaande overwegingen volgt dat het vereiste van onafhankelijkheid waaraan moet worden voldaan door de instantie die de in punt 51 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte voorafgaande toetsing moet verrichten, impliceert dat deze instantie de hoedanigheid van derde moet hebben ten opzichte van degene die om toegang tot de gegevens verzoekt, zodat eerstgenoemde de toetsing objectief en onpartijdig en zonder beïnvloeding van buitenaf kan verrichten. In het bijzonder impliceert het vereiste van onafhankelijkheid op strafrechtelijk gebied, zoals de advocaat-generaal in wezen in punt 126 van zijn conclusie heeft opgemerkt, dat de instantie die belast is met die voorafgaande toetsing enerzijds niet betrokken mag zijn bij de uitvoering van het betrokken strafrechtelijk onderzoek en anderzijds neutraal moet zijn ten opzichte van de partijen in de strafprocedure.

55 Dat is niet het geval bij een openbaar ministerie dat de onderzoeksprocedure leidt en, in voorkomend geval, optreedt als openbaar aanklager. Het openbaar ministerie heeft immers niet tot taak om een geschil in volledige onafhankelijkheid te beslechten, maar om het, in voorkomend geval, als procespartij die de strafvordering instelt, voor te leggen aan de bevoegde rechter.

(…)

58 Aangezien de verwijzende rechter bovendien de vraag heeft opgeworpen of het ontbreken van controle door een onafhankelijke instantie kan worden verholpen aan de hand van een latere, door een rechterlijke instantie verrichte toetsing van de rechtmatigheid van de toegang van een nationale instantie tot verkeers- en locatiegegevens, moet worden opgemerkt dat de onafhankelijke toetsing, zoals de in punt 51 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak vereist, voorafgaand aan elke toegang moet plaatsvinden, behalve in naar behoren gemotiveerde urgente gevallen. In laatstgenoemde gevallen dient de toetsing op korte termijn plaats te vinden. Zoals de advocaat-generaal in punt 128 van zijn conclusie heeft vastgesteld, kan met een dergelijke latere toetsing niet worden tegemoetgekomen aan het doel van een voorafgaande toetsing, dat erin bestaat te verhinderen dat tot de betrokken gegevens een toegang wordt verleend die verder gaat dan strikt noodzakelijk is.”

Het OM heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overwegingen van het HvJ EU geen gevolgen hebben voor de Nederlandse rechtspraktijk met betrekking tot de uitoefening van opsporingsbevoegdheden in verhouding tot een aanbieder van een elektronische communicatiedienst of een elektronisch communicatienetwerk.

De overwegingen van het HvJ EU over voorafgaande toetsing hebben volgens het OM namelijk telkens betrekking op toegang tot verkeersgegevens en locatiegegevens die op grond van een wettelijke bewaarplicht worden verwerkt. Benadrukt wordt dat de Estse rechter moest oordelen over de verenigbaarheid met het EU-recht van het opvragen door een officier van justitie van verkeers- en locatiegegevens die alleen bij de provider beschikbaar waren geweest omdat hij deze had bewaard om te voldoen aan de in Estland bestaande dataretentieplicht. Het arrest van het HvJ moet volgens het OM beperkt worden uitgelegd en heeft slechts betrekking op verkeers- en locatiegegevens die op grond van een wettelijke bewaarplicht door de aanbieder worden bewaard. Het arrest heeft daardoor geen gevolgen voor de Nederlandse rechtspraktijk. De Nederlandse Wet Bewaarplicht, die is opgenomen in de Telecommunicatiewet, is op 11 maart 2015 door de kortgedingrechter in Den Haag buiten werking gesteld (vindplaats ECLI: NL: RBDHA: 2015:2498). Hierdoor kent Nederland geen algemene wettelijke verplichting meer voor aanbieders om verkeers- en locatiegegevens op te slaan. Uitsluitend gegevens die ten behoeve van de bedrijfsvoering door aanbieders worden en nog zijn opgeslagen, zijn te vorderen op grond van de wettelijke bevoegdheden.

Heeft het arrest van het HvJ EU gevolgen voor de Nederlandse rechtspraktijk?

De rechtbank stelt voorop dat uit het arrest van het HvJ EU onder meer volgt dat het voor strafrechtelijke doeleinden verlenen van toegang tot de in het arrest bedoelde communicatiegegevens slechts is toegestaan in het kader van procedures ter bestrijding van zware criminaliteit en procedures ter voorkoming van ernstige bedreigingen van de openbare veiligheid. Niet ter discussie staat dat in deze zaak van een dergelijke procedure sprake is omdat de ten laste gelegde schietpartij een “serious crime” betreft.

Voorts volgt uit het arrest van het HvJ EU dat het aan de nationale wetgever is om de voorwaarden vast te stellen waaronder de aanbieders van elektronische communicatiediensten aan de bevoegde nationale instanties toegang moeten verlenen tot de persoonsgegevens waarover zij beschikken. Van belang is dat die toegang onderworpen is aan een voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit. Gelet op de vereiste onafhankelijkheid, mag de instantie die die toetsing verricht niet betrokken zijn bij de uitvoering van het betrokken strafrechtelijk onderzoek en moet zij neutraal zijn ten opzichte van de partijen in de strafprocedure. Dat is niet het geval bij een openbaar ministerie dat de onderzoeksprocedure van een strafrechtelijk onderzoek leidt en in voorkomend geval ook optreedt als openbaar aanklager tijdens de strafprocedure. Een latere toetsing van het besluit van de officier van justitie is niet voldoende om aan het onafhankelijkheidsvereiste te voldoen, omdat de controle door een onafhankelijke autoriteit moet plaatsvinden voorafgaand aan de machtiging.

Anders dan het OM is de rechtbank van oordeel dat het arrest zich niet beperkt tot verkeers- en locatiegegevens die op grond van een wettelijke bewaarplicht door de aanbieder worden bewaard. Het dictum van het arrest is juist algemeen geformuleerd.

Daarnaast vindt de rechtbank steun voor haar oordeel in het arrest in de zaak Ministerio Fiscal (C-207/16) van 2 oktober 2018, waarin het HvJ EU heeft geoordeeld dat een in het kader van een opsporingsonderzoek geformuleerd verzoek om toegang tot persoonsgegevens die door aanbieders van elektronische communicatiediensten worden bewaard, binnen de werkingssfeer van Richtlijn 2002/58 (hierna: de Richtlijn) valt.

Ten slotte wijst de rechtbank in dit verband op rechtsoverwegingen 57-60 van de conclusie van de Advocaat-Generaal bij dit arrest (ECLI:EU:C:2020:18) waarin wordt overwogen dat het HvJ EU de problematiek van de toegang van de bevoegde nationale autoriteiten tot de bewaarde gegevens “los van de omvang van de aan de aanbieders van elektronische communicatiediensten opgelegde verplichting tot bewaring van gegevens” behandelt en, met name, los van de algemene of gerichte aard van bewaring van de gegevens. Deze vaststelling houdt verband met het feit dat het HvJ EU de bewaring van gegevens en de toegang ertoe als twee onderscheiden inmengingen in de door het Handvest beschermde grondrechten beschouwt.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de in het onderhavige onderzoek opgevraagde verkeersgegevens en mastgegevens – hoewel deze zijn opgevraagd in overeenstemming met de voorschriften uit het Wetboek van Strafvordering (Sv) - achteraf gezien niet door een officier van justitie gevorderd hadden mogen worden zonder voorafgaande onafhankelijke toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit. Het is aan de wetgever om de Nederlandse wettelijke regeling met spoed in overeenstemming te brengen met het Unierecht. Dat neemt niet weg dat het arrest van het HvJ EU acute rechtsvragen oproept, waarmee de rechter wordt geconfronteerd.

Zoals uit het bovenstaande volgt, gebruikt de rechtbank de mastgegevens niet direct als bewijsmiddel, maar heeft zij deze wel betrokken in haar bewijsconstructie bij de beoordeling van het door de verdachte geschetste alternatieve scenario. De vraag is welke gevolgen het arrest heeft voor deze bewijsconstructie.

Het HvJ EU geeft in het arrest La Quadrature du Net e.a. van 6 oktober 2020 (C-511/18, C-512/18, C-520-18, ECLI:C:2020:791) een beoordelingskader met betrekking tot de vraag hoe om te gaan met processen-verbaal die zijn opgesteld op basis van informatie die in strijd met de voorschriften van het Unierecht is verkregen. Het HvJ EU overweegt allereerst dat het volgens het beginsel van procedurele autonomie uitsluitend een zaak van het nationale recht is om de regels vast te stellen met betrekking tot de toelaatbaarheid van (onrechtmatig verkregen) informatie/ bewijs. De rechtbank zal daarom aansluiting zoeken bij het beoordelingskader van artikel 359a Sv) zoals de verdediging (primair) en het OM ook voorstaan.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt van dien aard zijn dat de verkeers- en mastgegevens niet kunnen bijdragen aan een bewezenverklaring. Het OM heeft zich op het standpunt gesteld dat zij de gegevens heeft opgevraagd in overeenstemming met de voorschriften uit Sv en dat het toen niet was te voorzien dat dit niet op deze manier was toegestaan. Het OM kan derhalve geen verwijt worden gemaakt, zodat dient te worden volstaan met de constatering dat sprake is van een vormverzuim zonder daaraan een rechtsgevolg te verbinden.

Tot welk rechtsgevolg leidt dit?

In zijn arrest van 1 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1889) overweegt de Hoge Raad dat aan de rechtspraak over de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen als uitgangspunt ten grondslag ligt dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot de aard en de ernst van het vormverzuim en het door de verdachte als gevolg van het vormverzuim geleden nadeel. Dat betekent tevens dat, waar mogelijk, wordt volstaan met het – vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien – minst verstrekkende rechtsgevolg.

In onderhavige zaak zijn de historische gegevens van de telefoon van verdachte opgevraagd. Dit zijn gegevens die kunnen worden aangemerkt als verkeers- en locatiegegevens in de zin van de Richtlijn.

Zoals hiervoor al is overwogen, zijn de gegevens opgevraagd in overeenstemming met de wettelijke regeling. Weliswaar leidt deze constatering niet tot het oordeel dat het Unierecht niet is geschonden, maar de rechtbank is van oordeel dat het nadeel dat door de schending is veroorzaakt in deze zaak beperkt is. De historische gegevens beslaan slechts een beperkte tijdsspanne en niet kan worden gezegd dat daarmee een min of meer compleet beeld van het privéleven van de verdachte is verkregen. Niet is aangevoerd welke persoonlijke informatie kon worden achterhaald die de ernst tekent van de inbreuk op verdachtes persoonlijke levenssfeer. Bovendien weegt de rechtbank mee dat aannemelijk is dat de rechter-commissaris – indien deze was benaderd met het verzoek de vorderingen vooraf te toetsen – toestemming zou hebben gegeven voor het doen van deze vorderingen.

Dit brengt met zich dat de rechtbank zal volstaan met de constatering dat er sprake is van een vormverzuim zonder dat daar een rechtsgevolg aan wordt verbonden.

4.1.3.

Conclusie

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van moord en aan het in vereniging voorhanden hebben van een vuurwapen.

4.2.

Bewezenverklaring

Op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 29 mei 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een vuurwapen in het hoofd en het lichaam van die [naam slachtoffer]

geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

2.

hij op 29 mei 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool, te weten een pistool van het merk Glock, model 19 Gen 5, kaliber 9x19mm, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

medeplegen van moord;

2.

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft samen met de medeverdachte de 30-jarige [naam slachtoffer] in koelen bloede vermoord. De verdachte heeft samen met de medeverdachte het slachtoffer in de vroege ochtend in een gestolen busje opgewacht in de omgeving van diens woning en is met hoge snelheid in de richting van de woning gereden op het moment dat het slachtoffer zijn woning naderde. De medeverdachte is vervolgens uit de bus gestapt en heeft het vuur op het slachtoffer geopend. Op het slachtoffer zijn meerdere kogels afgevuurd en daarbij is het slachtoffer meermalen – ook van dichtbij – door het hoofd geschoten. Het slachtoffer heeft geen enkele kans gehad om de op hem gerichte en nauwgezet voorbereide moordaanslag te overleven. Daarmee heeft deze moord het karakter van een kille afrekening, een liquidatie, gekregen.

De verdachte is nietsontziend en gewetenloos te werk gegaan. Het slachtoffer is op een doordeweekse dag in de vroege ochtend voor zijn eigen woning en midden in een woonwijk doodgeschoten. De moeder en het zusje van het slachtoffer zijn van de kogelschoten wakker geworden. De moeder van het slachtoffer heeft haar zoon in een plas bloed zien liggen en zien sterven. Het zusje van het slachtoffer heeft haar broer bloedend en verminkt op straat zien liggen. Dit geldt ook voor de beste vriendin van de familie die zich nog over het slachtoffer heeft ontfermd en van dichtbij heeft gezien hoe het bloed uit zijn hoofd liep. Ook de broer van het slachtoffer heeft hem kort na zijn overlijden op straat zien liggen. Door de moord op het slachtoffer is aan de naasten van het slachtoffer groot en onherstelbaar leed toegebracht. De moeder van het slachtoffer heeft haar pijn en verdriet tijdens de uitoefening van het spreekrecht op indringende wijze naar voren gebracht. Dit geldt ook voor de verklaring die namens het zoontje van het slachtoffer ter terechtzitting naar voren is gebracht. De rechtbank begrijpt dat de daad van de verdachte ingrijpende gevolgen heeft gehad en zal hebben op het leven van [naam zoontje slachtoffer] , die zonder zijn vader zal moeten opgroeien.

Naast de dierbaren van het slachtoffer zijn ook meerdere omwonenden wakker geworden van de kogelschoten. Ook zij hebben het bebloede en verminkte lichaam van het slachtoffer op de grond zien liggen. Dit is ook voor de direct omwonenden een zeer beangstigende ervaring geweest. Een feit als dit heeft niet alleen een enorme impact op de nabestaanden en omwonenden, maar schokt ook de samenleving in het algemeen.

De verdachte heeft er met zijn handelen blijk van gegeven geen respect te hebben voor het leven van zijn medemensen. Daarbij is het extra pijnlijk dat de verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daad noch openheid van zaken biedt over het motief achter deze kille en gewetenloze moord.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 januari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten vindt de rechtbank enkel het opleggen van een gevangenisstraf passend, en wel van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur.

Ten aanzien van de strafmaat heeft de verdediging verwezen naar een onderzoek van de Erasmus Universiteit Rotterdam naar verhoging van het tijdelijke strafmaximum voor moord. Het rapport van dit onderzoek heeft als titel: ‘Verhoging strafmaximum moord; is veertig het nieuwe dertig?’. Uit dit onderzoek volgt dat in de periode 2012-2018 de gemiddelde gevangenisstraf voor kale moord 14,4 jaar was.

Nu het in deze zaak vermoedelijk gaat om een moord in opdracht die op professionele wijze is gepleegd en bovendien midden in een woonwijk en op klaarlichte dag heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank een hogere straf opleggen dan het door de verdediging aangehaalde gemiddelde.

Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in liquidatiezaken worden opgelegd. De rechtbank zal de verdachte een lagere straf opleggen dan de medeverdachte, nu de verdachte niet degene is geweest die heeft geschoten en nu de verdachte anders dan de medeverdachte niet eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vorderingen benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

8.1.

Inleiding

In dit strafproces vorderen zeven personen schadevergoeding van de verdachte. Een deel van de gevraagde vergoedingen ziet op immateriële schade en een deel ziet op materiële schade. In alle gevallen is gevraagd om wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

De rechtbank heeft de verschillende vorderingen samengevat in het onderstaande overzicht:

Eisende partij

Shockschade / andere persoonsaantasting

Affectieschade

Materiële schadeposten

[naam benadeelde 1]

€ 40.000,-

€ 20.000,-

(1) kosten lijkbezorging

€ 15.121,89

(2) kosten verwerping nalatenschap

€ 130,-

(3) verhuiskosten

primair: € 6.334,-

subsidiair: € 2.000,- /

€ 1.500,-

(4) eigen risico 2020

€ 235,88

(5) eigen risico 2021

€ 385,-

(6) medicijnkosten

€ 155,44

(7) kosten auto

€ 2.843,50

[naam benadeelde 2]

primair € 30.000,- subsidiair: € 30.000,-

/ € 10.000,-

€ 20.000,-

levensonderhoud:

primair: € 13.900,-

subsidiair: € 3.475,-

[naam benadeelde 3]

€ 40.000,-

primair: € 20.000,-

subsidiair:

€ 17.500,-

eigen risico: € 737,49

[naam benadeelde 4]

primair: € 20.000,-subsidiair:

€ 17.500,-

[naam benadeelde 5]

€ 40.000,-

€ 17.500,-

(1) kosten lijkbezorging € 1.433,95

(2) eigen risico € 770,-

(3) verlies aan verdienvermogen

€ 12.160,- en € 520,-

[naam benadeelde 6]

€ 20.000,-

eigen risico € 624,88

[naam benadeelde 7]

kosten lijkbezorging € 1.913,88

8.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich met betrekking tot de verschillende vorderingen van de benadeelde partijen op de navolgende standpunten.

[naam benadeelde 1]

Toewijzing van de gevorderde immateriële schade. Toewijzing van de materiële schade met

uitzondering van de gevorderde kosten ter zake van de verhuiskosten en het eigen risico

2021.

[naam benadeelde 2]

Toewijzing van de gevorderde immateriële en materiële schade.

[naam benadeelde 3]

Toewijzing van de (primair) gevorderde immateriële schade. Toewijzing van de materiële

schade met uitzondering van de gevorderde kosten ter zake van het eigen risico 2021.

[naam benadeelde 4]

Toewijzing van de (primair) gevorderde immateriële schade.

[naam benadeelde 5]

Toewijzing van de gevorderde shockschade. Toewijzing van de materiële schade met

uitzondering van de gevorderde kosten ter zake van de etenswaren (in het kader van de

kosten lijkbezorging) en het eigen risico 2021. Referte met betrekking tot de gevorderde

affectieschade en ten aanzien van de materiële schade voor zover die kosten zien op het

verlies van arbeidsvermogen.

[naam benadeelde 6]

Toewijzing van de gevorderde immateriële schade. Toewijzing van de

materiële schade met uitzondering van de gevorderde kosten ter zake van het eigen risico

2021.

[naam benadeelde 7]

Toewijzing van de materiële schade met uitzondering van de gevorderde kosten ter zake van

de beveiligingskosten en de overige kosten. -

In alle gevallen is gevraagd om de vorderingen (hoofdelijk) toe te wijzen inclusief wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de benadeelde partijen voor het deel dat niet voor toewijzing in aanmerking komt niet-ontvankelijk te verklaren.

8.3.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gelet op de bepleite vrijspraak primair om afwijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen verzocht. In het geval dat de verdachte ter zake van een van de ten laste gelegde feiten zou worden veroordeeld, is verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen omdat behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De verdediging heeft voorts, behoudens referte ter zake van bepaalde door de benadeelden opgevoerde schadeposten, per vordering de (hoogte van de) gevorderde immateriële en/of materiële schade steeds gemotiveerd betwist.

8.4.

Beoordeling

8.4.1.

De vorderingen van [naam benadeelde 1] (moeder slachtoffer)


affectieschade

Vast is komen te staan dat aan mevrouw [naam moeder slachtoffer] door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht. De vordering zal voor het deel dat betrekking heeft op de affectieschade worden toegewezen. Het Besluit vergoeding affectieschade bepaalt dat de ouder van een meerderjarig thuiswonend kind dat als gevolg van een misdrijf is overleden, recht heeft op € 20.000,- aan affectieschade.

shockschade

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2002:AD5356) kan vergoeding van shockschade plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door het waarnemen van het tenlastegelegde, of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid.

De rechtbank stelt vast dat mevrouw [naam moeder slachtoffer] in aanmerking komt voor shockschade.

Mevrouw [naam moeder slachtoffer] werd wakker van meerdere schoten en zij heeft haar zoon direct nadat hij was beschoten bloedend en schokkend op de grond voor haar woning zien liggen. Mevrouw [naam moeder slachtoffer] heeft het ernstige verminkte gezicht van haar zoon gezien en zag het bloed uit zijn mond en hoofd stromen. Mevrouw [naam moeder slachtoffer] heeft voorts een verklaring overgelegd van een psycholoog waaruit blijkt dat zij aan PTSS lijdt en hiervoor onder behandeling is. Er moet voor de hoogte van de shockschade gekeken worden welk geestelijk letsel de benadeelde partij heeft geleden of nog zal lijden door de confrontatie met (de gevolgen van) het misdrijf en welk bedrag dan passend is. Dat is een complexe vraag die op dit moment niet volledig kan worden beantwoord. Gelet op de wijze waarop mevrouw [naam moeder slachtoffer] met de directe gevolgen van het misdrijf is geconfronteerd, zal de rechtbank naast het toegekende bedrag aan affectieschade naar billijkheid een bedrag van € 20.000,- aan shockschade toewijzen. De vordering levert voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

materiële schade

De navolgende gevorderde materiële schadeposten zullen worden toegewezen:

  • -

    uitvaart Curaçao (€ 8.561,11);

  • -

    reiskosten (€ 24,24 + € 2.229,70 + € 38,79 = € 2.292,73);

  • -

    verwerping nalatenschap (€ 130,-);

  • -

    eigen risico 2020 (€ 235,88);

  • -

    medicijnkosten (€ 155,44).

Voormelde kosten zijn op de wet gegrond en voldoende onderbouwd.

De benadeelde partij zal voor zover de vordering betrekking heeft op de volgende gevorderde kosten niet-ontvankelijk worden verklaard:

  • -

    kosten etenswaren gedurende de uitvaartperiode onder post ritueel;

  • -

    afscheidsvideo (ritueel);

  • -

    overige kosten (ritueel);

  • -

    verhuiskosten;

  • -

    eigen risico 2021;

  • -

    kosten auto.

Onvoldoende is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder 1 bewezen verklaarde feit. Voorts zijn de bewijsstukken ter onderbouwing van voornoemde gevorderde kosten ontoereikend. Nader onderzoek naar de gegrondheid naar dit onderdeel van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen hetgeen een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

8.4.2.

Vorderingen van [naam benadeelde 2] (zoontje slachtoffer)

affectieschade

Vast is komen te staan dat aan [naam zoontje slachtoffer] door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht. De vordering zal voor het deel dat betrekking heeft op de affectieschade worden toegewezen. Het Besluit vergoeding affectieschade bepaalt dat het minderjarige kind van een slachtoffer dat door een misdrijf om het leven is gekomen, recht heeft op € 20.000,- aan affectieschade.

aantasting in de persoon

[naam zoontje slachtoffer] zal niet-ontvankelijk verklaard worden in het deel van de vordering dat betrekking heeft op de aantasting in de persoon (in de vorm van shockschade dan wel aantasting in de persoon op andere wijze). De beantwoording van de vraag of [naam zoontje slachtoffer] schadevergoeding toekomt wegens aantasting in zijn persoon, betreft een complexe vraag die op basis van de thans voorhanden informatie niet eenduidig kan worden beantwoord. De vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

materiële schade

De rechtbank acht het aannemelijk dat het slachtoffer een bijdrage leverde aan de kosten van levensonderhoud voor de minderjarige [naam zoontje slachtoffer] en dat [naam zoontje slachtoffer] die bijdrage nu misloopt. Voor de vaststelling van de kosten van gederfd levensonderhoud is de financiële situatie van het slachtoffer relevant. De moeder van het slachtoffer, mevrouw [naam moeder slachtoffer] , heeft bij de politie verklaard dat het slachtoffer geen werk had. Nu verder geen informatie is overgelegd waaruit de financiële situatie van het slachtoffer is gebleken, zal de rechtbank bij de vaststelling van de kosten van gederfd levensonderhoud uitgaan van een bedrag van € 25,- per maand, tot aan de achttiende verjaardag van [naam zoontje slachtoffer] . De rechtbank kiest voor dit bedrag omdat dit het bedrag is dat voor minima wordt gehanteerd bij het bepalen van een bijdrage in het levensonderhoud van kinderen.

Het voorgaande houdt in dat aan [naam zoontje slachtoffer] een bedrag van € 3.475,00

(139 maanden x € 25,-) aan gederfd levensonderhoud zal worden toegewezen.

8.4.3.

Vorderingen van [naam benadeelde 3] (zus slachtoffer)

affectieschade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij niet kan worden aangemerkt als één van de in de wet aangewezen kring van gerechtigden. Van een zorgrelatie in gezinsverband is niet gebleken. Vast staat dat [naam zus slachtoffer] een hechte band had met haar overleden broer en dat zij zeer ontdaan is door het verlies van haar broer, maar dit is juridisch gezien niet voldoende om te spreken van een dusdanig bijzondere affectieve relatie dat de hardheidsclausule dient te worden toegepast. De memorie van toelichting noemt als voorbeeld van een nauwe persoonlijke betrekking waarop de hardheidsclausule van toepassing is een relatie van broers of zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen. Met name het zorgaspect is in dit geval onvoldoende onderbouwd. De situatie van [naam zus slachtoffer] verschilt in zoverre niet van andere broers en zussen die samen in een hecht gezin opgroeien.

shockschade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij in aanmerking komt voor shockschade.

[naam zus slachtoffer] heeft via haar slaapkamerraam haar broer, vrijwel direct nadat hij voor de woning is doodgeschoten, bloedend op de grond zien liggen. [naam zus slachtoffer] heeft daarbij het ernstig verminkte gezicht van haar overleden broer gezien. [naam zus slachtoffer] heeft voorts een verklaring van een psycholoog overgelegd waaruit blijkt dat zij lijdt aan PTSS en onder behandeling is. Er moet voor de hoogte van de shockschade gekeken worden welk geestelijk letsel de benadeelde partij heeft geleden of nog zal lijden door de confrontatie met (de gevolgen van) het misdrijf en welk bedrag dan passend is. Dat is een complexe vraag die op dit moment niet volledig kan worden beantwoord. Gelet op de wijze waarop [naam zus slachtoffer] met de directe gevolgen van het misdrijf is geconfronteerd, zal de rechtbank naar billijkheid een bedrag € 20.000,- aan shockschade toewijzen. De vordering levert voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

materiële schade

Aan [naam zus slachtoffer] wordt ter zake van de door haar gevorderde materiële schade het door haar gevorderde bedrag van € 352,49 betreffende het eigen risico over het jaar 2020 toegewezen. Deze kosten zijn op de wet gegrond en voldoende onderbouwd. Dit geldt niet ten aanzien van het gevorderde bedrag aan eigen risico over het jaar 2021, zodat de benadeelde partij ter zake van dat deel van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Nader onderzoek naar de gegrondheid naar dit onderdeel van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen hetgeen een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

8.4.4.

Vordering van [naam benadeelde 4] (broer slachtoffer)

affectieschade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij niet kan worden aangemerkt als één van de in de wet aangewezen kring van gerechtigden. Van een zorgrelatie in gezinsverband is niet gebleken. Vast staat dat [naam broer 1 slachtoffer] een hechte band had met zijn overleden broer en dat hij zeer ontdaan is door het verlies van zijn broer, maar dit is juridisch gezien niet voldoende om te spreken van een dusdanig bijzondere affectieve relatie dat de hardheidsclausule dient te worden toegepast. De memorie van toelichting noemt als voorbeeld van een nauwe persoonlijke betrekking waarop de hardheidsclausule van toepassing is een relatie van broers of zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen. Met name van het zorgaspect is in dit geval niet gebleken. De situatie van [naam broer 1 slachtoffer] verschilt in zoverre niet van andere broers en zussen die samen in een hecht gezin opgroeien. De benadeelde partij zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

8.4.5.

Vorderingen van [naam benadeelde 5] (broer slachtoffer)

affectieschade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij niet kan worden aangemerkt als één van de in de wet aangewezen kring van gerechtigden en zal de benadeelde partij derhalve niet-ontvankelijk verklaren. Vast staat dat [naam broer 2 slachtoffer] een hechte band had met zijn overleden broer en dat hij zeer ontdaan is door het verlies van zijn jongere broer, is dit juridisch gezien niet voldoende om te spreken van een dusdanig bijzondere affectieve relatie dat de hardheidsclausule dient te worden toegepast. De memorie van toelichting noemt als voorbeeld van een nauwe persoonlijke betrekking waarop de hardheidsclausule van toepassing is een relatie van broers of zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen. Met name van het zorgaspect is in dit geval niet gebleken. De situatie van [naam broer 2 slachtoffer] verschilt in zoverre niet van andere broers en zussen die samen in een hecht gezin opgroeien.

shockschade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij in aanmerking komt voor shockschade.

[naam broer 2 slachtoffer] is kort nadat zijn moeder hem belde dat het slachtoffer was doodgeschoten ter plaatste gekomen. [naam broer 2 slachtoffer] heeft zijn jongere broer van dichtbij bloedend op de grond zien liggen en heeft gezien hoe hij door meerdere kogels in het gezicht was geraakt. [naam broer 2 slachtoffer] heeft een verklaring van een psycholoog overgelegd waaruit blijkt dat hij aan PTSS lijdt en hiervoor tot 3 december 2020 onder behandeling is geweest. Er moet voor de hoogte van de shockschade gekeken worden welk geestelijk letsel de benadeelde partij heeft geleden of nog zal lijden door de confrontatie met (de gevolgen van) het misdrijf en welk bedrag dan passend is. Dat is een complexe vraag die op dit moment niet volledig kan worden beantwoord. Gelet op de wijze waarop [naam broer 2 slachtoffer] met de directe gevolgen van het misdrijf is geconfronteerd, zal de rechtbank naar billijkheid een bedrag € 20.000,- aan shockschade toewijzen. De vordering levert voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.


materiële schade

De gevorderde schadevergoeding met betrekking tot de kosten van lijkbezorging ad € 1.433,95 alsmede de kosten van het eigen risico over het jaar 2020 van € 385,- en de kosten als gevolg van het verlies aan verdienvermogen van in totaal € 12.680,- zijn genoegzaam onderbouwd, zodat de vordering ter zake van deze posten wordt toegewezen. Dit geldt niet ten aanzien van de gevorderde kosten aan eigen risico over het jaar 2021, omdat het behandeltraject bij de psycholoog blijkens de door de benadeelde partij overgelegde stukken in 2020 was afgerond. De benadeelde partij zal ter zake van dat deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

8.4.6.

Vorderingen van [naam benadeelde 6]

shockschade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij in aanmerking komt voor shockschade.

Mevrouw [naam vriendin slachtoffer] , een goede vriendin van het slachtoffer, is direct nadat het slachtoffer was beschoten en zij het slachtoffer bloedend op de grond zag liggen, naar hem toegegaan om zich over hem te ontfermen. Zij zag het slachtoffer bloedend en schokkend op de grond liggen. Zij zag van dichtbij bloed uit de mond en het hoofd van het slachtoffer stromen en heeft tevergeefs getracht het slachtoffer wakker te houden. Mevrouw [naam vriendin slachtoffer] heeft een verklaring van een psycholoog overgelegd waaruit blijkt dat zij aan PTSS lijdt en onder behandeling is. Er moet voor de hoogte van de shockschade gekeken worden welk geestelijk letsel de benadeelde partij heeft geleden of nog zal lijden door de confrontatie met (de gevolgen van) het misdrijf en welk bedrag dan passend is. Dat is een complexe vraag die op dit moment niet volledig kan worden beantwoord. Gelet op de wijze waarop mevrouw [naam vriendin slachtoffer] met de directe gevolgen van het misdrijf is geconfronteerd, zal de rechtbank naar billijkheid een bedrag € 20.000,- aan shockschade toewijzen. De vordering levert voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

materiële schade

Aan mevrouw [naam vriendin slachtoffer] wordt ter zake van de door haar gevorderde materiële schade het door haar gevorderde bedrag van € 282,36 betreffende het eigen risico over het jaar 2020 toegewezen. Deze kosten zijn op de wet gegrond en voldoende onderbouwd. Dit geldt niet ten aanzien van het gevorderde bedrag aan eigen risico over het jaar 2021, zodat de benadeelde partij ter zake van dat deel van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Nader onderzoek naar de gegrondheid naar dit onderdeel van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen hetgeen een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

8.4.7.

Vorderingen van [naam benadeelde 7]

materiële schade

Aan mevrouw [naam benadeelde 7] wordt ter zake van de door haar gevorderde materiële schade voor de publicatie van overlijden (€ 94,24), de kosten van de lijkwagen (€ 249,03), het rouwboeket (€ 149,11) en een simkaart/digicel (€ 42,03) een bedrag van € 534,41 toegewezen. Deze kosten zijn op de wet gegrond en voldoende onderbouwd.

De benadeelde partij zal voor zover de vordering betrekking heeft op de gevorderde kosten ter zake van beveiliging en de overige kosten niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien deze kosten niet rechtstreeks voortvloeien uit het onder 1 bewezen verklaarde feit dan wel de bewijsstukken ter onderbouwing van de vordering ontoereikend zijn. Nader onderzoek naar de gegrondheid naar dit onderdeel van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen hetgeen een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

8.5.

Conclusies

De rechtbank zal de volgende bedragen toewijzen:

Eisende partij

Shockschade

Affectieschade

Materiële schadeposten

[naam benadeelde 1]

€ 20.000

€ 20.000,-

€ 11.375,16

[naam benadeelde 2]

€ 20.000,-

€ 3.475,00

[naam benadeelde 3]

€ 20.000,-

€ 352,49

[naam benadeelde 5]

€ 20.000,-

€ 14.498,95

[naam benadeelde 6]

€ 20.000,-

€ 282,36

[naam benadeelde 7]

€ 534,41

Voor zover vorderingen niet toegewezen worden, wordt de betreffende partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn of haar vordering.

De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen over de toegewezen bedragen vanaf 29 mei 2020. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

Nu de vorderingen van de in deze paragraaf genoemde benadeelde partijen (in overwegende mate) zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 47, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 26 en 55 van Wet wapens en munitie.

10 .Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 (zeventien) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Vorderingen benadeelde partijen

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader, wat betekent dat indien en voor zover de een betaalt de ander van zijn betalingsverplichting zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partijen de navolgende bedragen te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente hierover vanaf 29 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening:

Eisende partij

Shockschade

Affectieschade

Materiële schadeposten

[naam benadeelde 1]

€ 20.000,-

€ 20.000,-

€ 11.375,16

[naam benadeelde 2]

€ 20.000,-

€ 3.475,00

[naam benadeelde 3]

€ 20.000

€ 352,49

[naam benadeelde 5]

€ 20.000

€ 14.498,95

[naam benadeelde 6]

€ 20.000

€ 282,36

[naam benadeelde 7]

€ 534,41

verklaart ieder van de benadeelde partijen, genoemd in § 8.1 van dit vonnis, niet-ontvankelijk in hun vorderingen voor zover er meer of anders is gevorderd dan wat hiervoor is toegewezen;

Schadevergoedingsmaatregel

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partijen de navolgende bedragen, steeds vermeerderd met de wettelijke rente over die bedragen vanaf 29 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, te betalen:

Ten behoeve van

Bedrag

Gijzeling

[naam benadeelde 1]

€ 51.375,16

100 dagen

[naam benadeelde 2]

€ 23.475,-

60 dagen

[naam benadeelde 3]

€ 20.352,49

60 dagen

[naam benadeelde 5]

€ 34.498,95

76 dagen

[naam benadeelde 6]

€ 20.282,36

60 dagen

[naam benadeelde 7]

€ 534,41

9 dagen

beveelt dat – bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van deze bedragen – gijzeling kan worden toegepast voor maximaal de duur van het aantal dagen genoemd in bovenstaand overzicht; toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

Proceskostenveroordeling

veroordeelt de verdachte in de proceskosten gemaakt door de benadeelde partijen, genoemd in § 8.5 van dit vonnis, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partijen begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C. Vogtschmidt, voorzitter,

en mrs. G.A. Bouter-Rijksen en P.E. van Althuis, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.R.S. van Nuss, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 29 mei 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een vuurwapen in/op het hoofd en/of het lichaam van die [naam slachtoffer]

geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

subsidiair

[naam medeverdachte] op of omstreeks 29 mei 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en met voorbedachten rade

een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft/hebben voornoemde [naam medeverdachte] en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

meermalen met een vuurwapen in/op het hoofd en/of het lichaam van die [naam slachtoffer]

geschoten,

tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks

29 mei 2020 te Rotterdam

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of

inlichtingen heeft verschaft, door als bestuurder van een of meer voertuig(en)

- die [naam medeverdachte] en/of voornoemd vuurwapen met een voertuig (Volkswagen Transporter)

naar/nabij de (latere) plaats delict, te weten de [plaats delict] , te vervoeren/brengen en/of

- (daarbij) vervolgens, ten tijde van het misdrijf/schietincident, met dat/een voertuig in de directe nabijheid van de plaats delict op die [naam medeverdachte] te wachten en/of

- (vervolgens) die [naam medeverdachte] (en/of daarbij het gebruikte vuurwapen) direct na het gepleegde

misdrijf/schietincident met dit voertuig en/of (vervolgens) een ander voertuig (Renault Megane) weg te vervoeren van de plaats delict ten einde de vlucht van die [naam medeverdachte] te

realiseren/effectueren.

2.

hij op of omstreeks 29 mei 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º

van die wet in de vorm van¿een pistool, te weten een pistool van het merk

Glock, model 19 Gen 5, kaliber 9x19mm, voorhanden heeft gehad.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, betreft het steeds processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, als bijlage opgenomen bij het zaakproces-verbaal van de Politie Eenheid Rotterdam, onderzoek [naam onderzoek] , nummer [proces-verbaalnummer] , doorgenummerd van 1 tot en met 706. Tenzij anders aangegeven, verwijzen paginanummers naar de nummers van het doorlopend genummerde procesdossier van voornoemd dossier (hierna steeds aangeduid als het zaakproces-verbaal). Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, als bijlage opgenomen bij het relaas proces-verbaal van het Team Forensische Opsporing van de Politie eenheid Rotterdam, onderzoek [naam onderzoek] , nummer [proces-verbaalnummer] , bijlagen 1 tot en met 33, betreft het eveneens steeds processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Het relaas proces-verbaal van het Team Forensische Opsporing wordt hierna steeds aangeduid als het proces-verbaal forensisch onderzoek. Proces-verbaal van bevindingen, p. 1 en 2 van het zaakproces-verbaal.

2 Proces-verbaal forensisch onderzoek p. 16 en de daarbij behorende bijlage 21.

3 Proces-verbaal forensisch onderzoek p. 7 en de daarbij behorende bijlage 4.

4 Proces-verbaal van bevindingen met bijlage, p. 685 tot en met 698 van het zaakproces-verbaal. De rechtbank merkt in dit verband op dat zij het door de raadsvrouw ter zitting van 9 april 2021 aangevoerde verweer met betrekking tot de bakengegevens passeert als tardief, nu de rechtbank het onderzoek uitdrukkelijk enkel heeft heropend om de standpunten van het OM en de verdediging te vernemen over het hierna besproken arrest Prokuratuur van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 144 tot en met 153 van het zaakproces-verbaal.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 7 tot en met 8 van het zaakproces-verbaal.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 3 en 4 van het zaakproces-verbaal.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 154 tot en met 157 van het zaakproces-verbaal.

9 Proces-verbaal forensisch onderzoek p. 13 en de daarbij behorende bijlage 16.

10 Proces-verbaal van bevindingen met fotobijlage, p. 31 tot en met 36 van het zaakproces-verbaal.

11 Proces-verbaal forensisch onderzoek p. 10 en de daarbij behorende bijlage 13.

12 Proces-verbaal van bevindingen met fotobijlage, p. 158 tot en met 162 van het zaakproces-verbaal.

13 Proces-verbaal van bevindingen met fotobijlage, p. 158 tot en met 162.

14 Proces-verbaal forensisch onderzoek p. 21 tot en met 23 en de daarbij behorende bijlage 28.

15 Proces-verbaal forensisch onderzoek p. 23 en 24 en de daarbij behorende bijlage 29.

16 Proces-verbaal forensisch onderzoek p. 20 en 21 en de daarbij behorende bijlage 27

17 Proces-verbaal forensisch onderzoek p. 20 en de daarbij behorende bijlage 26.

18 Proces-verbaal forensisch onderzoek p. 24 en de daarbij behorende bijlage 30.

19 Proces-verbaal forensisch onderzoek p. 25 tot en met 28 en de daarbij behorende bijlage 32.

20 Proces-verbaal van bevindingen, p. 37 en 38 van het zaakproces-verbaal.

21 Proces-verbaal van bevindingen, p. 49 en 50 van het zaakproces-verbaal.

22 Proces-verbaal van bevindingen, p. 56 en 57 van het zaakproces-verbaal.

23 Proces-verbaal van bevindingen, p. 685 tot en met 698 van het zaakproces-verbaal.

24 Proces-verbaal van bevindingen analyse telecom, p. 678 tot en met 681 van het zaakproces-verbaal.

25 Proces-verbaal van bevindingen, p. 685 tot en met 698 van het zaakproces-verbaal.