Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:390

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-01-2021
Datum publicatie
26-01-2021
Zaaknummer
10/996656-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Faillissementsfraude: medeplegen onttrekking aandelenportefeuille aan de boedel van de gefailleerde mededader. Veroordeling tot taakstraf voor de duur van 70 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/996656-15

Datum uitspraak: 14 januari 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. S.Ph.Chr. Wester, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 7 december 2020 en 14 januari 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. P. van de Kerkhof heeft gevorderd:

  • -

    partiële vrijspraak van het tenlastegelegde medeplegen van, dan wel medeplichtig zijn aan, het onttrekken aan de boedel van geldbedragen van in totaal € 143.000,-;

  • -

    bewezenverklaring van het overigens primair tenlastegelegde medeplegen van het onttrekken aan de boedel van aandelen [naam aandeel 1] / [naam aandeel 2] ;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 70 uur, subsidiair 35 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Partiële vrijspraak zonder nadere motivering

Ten aanzien van het primair en subsidiair tenlastegelegde onttrekken aan de boedel van een geldbedrag van € 143.000,-.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het zowel primair als subsidiair onder het tweede gedachtestreepje tenlastegelegde onttrekken aan de boedel van een geldbedrag van in totaal € 143.000,- niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering partieel zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit wat betreft de tenlastegelegde [naam aandeel 1] - en [naam aandeel 2] -aandelen en heeft daartoe - verkort en zakelijk - aangevoerd dat er geen (gemeenschappelijk) opzet en bewuste en nauwe samenwerking met de medeverdachte [naam medeverdachte] was om de rechten van de schuldeisers bedrieglijk te verkorten. De verdachte heeft in 2000 [naam aandeel 1] -aandelen van de medeverdachte verkregen voor ƒ 400.000,- op grond van een overeenkomst tot aandelenoverdracht. Het feit dat deze overeenkomst niet is aangetroffen in de omvangrijke administratie van de medeverdachte en dat de overdracht ook niet is geregistreerd in het aandelenregister van [naam aandeel 1] (hierna [naam aandeel 1] ) maakt niet dat de overeenkomst nooit heeft bestaan. De medeverdachte heeft voorts verklaard dat per abuis deze [naam aandeel 1] -aandelen in zijn aangiften inkomstenbelasting over 2007 en 2008 zijn opgenomen en dat hij dit heeft hersteld in zijn aangifte inkomstenbelasting over 2009.

4.2.2.

Beoordeling

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de medeverdachte in juli 2000 1.312.322 aandelen [naam aandeel 1] . ( [naam aandeel 1] ) heeft verworven met een certificaat en een digitale toegangscode. De medeverdachte heeft zich vóór zijn faillietverklaring op 28 juni 2012 als eigenaar gedragen door 1.017.500 aandelen [naam aandeel 1] als een bezitting voor een bedrag van € 808.409,- te vermelden in zijn aangiften inkomstenbelasting 2007 en 2008 en door met deze aandelen rechtshandelingen te verrichten door op 23 maart 2009 in een geldleningsovereenkomst 1.000.000 aandelen [naam aandeel 1] als pand ter zekerheid te geven.

Ook na zijn faillietverklaring is de medeverdachte zich blijven gedragen als eigenaar van deze aandelen. Hij heeft op 23 oktober 2015 aan een medewerker van [naam aandeel 1] schriftelijk opdracht verstrekt voor de conversie van 1.000.000 aandelen [naam aandeel 1] in 200.000 aandelen [naam aandeel 2] ( [naam aandeel 2] ) en heeft deze aandelen op initiatief van de verdachte over laten boeken op een eerder door hem op 29 augustus 2014 geopende Luxemburgse effectenrekening op naam van de verdachte. In zijn communicatie over deze aandelenruil met [naam aandeel 1] heeft de medeverdachte het in de maand november 2015 gehad over “my shares” en laten weten: “I only ow [de rechtbank leest: own] 1.000.000 shares [naam aandeel 1] ”. Verder heeft de medeverdachte in een tapgesprek op 30 november 2015 tegen een vermogensbeheerder gezegd ten aanzien van deze aandelenswap “dat hij al 15 en 16 jaar in [naam aandeel 1] zit” en “dat hij nu wil cashen”.

Het voortdurend aandeelhouderschap van de medeverdachte vindt bovendien steun in de verklaring van de CEO van de [naam aandeel 1] , [naam persoon] , dat geen rechtsgeldige aandelenoverdracht van de aandelen [naam aandeel 1] van de medeverdachte aan de verdachte, waarvoor op grond van de statuten voorafgaande toestemming van de Raad van Bestuur van de [naam aandeel 1] was vereist, heeft plaatsgevonden en dat de medeverdachte daarom al die tijd aandeelhouder van [naam aandeel 1] was. Dit heeft [naam persoon] eveneens eerder geschreven aan de verdachte in een reactie op haar e-mail van 15 februari 2016, waarin zij [naam persoon] liet weten dat de aandelen via een ‘stock sale and purchase agreement’ zouden zijn overgedragen aan haar en waarin zij er bij hem op aandrong niet met de curator van de medeverdachte te corresponderen of uitlatingen te doen ten aanzien van de aandelen [naam aandeel 1] .

In het licht van het bovenstaande is niet gebleken dat de aandelen voorafgaand aan het faillissement van de medeverdachte waren overgedragen door de medeverdachte aan de verdachte. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de verdediging in dit verband geen overeenkomst of enig ander bescheid dat duidt op het aandeelhouderschap van de verdachte heeft overgelegd. Uit het door de medeverdachte overgelegde bankafschrift blijkt enkel dat de verdachte aan hem op 28 juli 2000 een geldbedrag van ƒ 400.000,- heeft betaald, maar niet, bij gebrek aan een omschrijving c.q. titel, waarop deze betaling betrekking had. Dit afschrift is dan ook in deze context onvoldoende. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de aanslag inkomstenbelasting over 2009 ambtshalve is opgelegd. Hieruit kan dan ook, anders dan de verdediging heeft betoogd, niet blijken dat de medeverdachte met deze aanslag de eerdere opneming van de aandelen [naam aandeel 1] in zijn aangiften inkomstenbelasting op eigen initiatief zou hebben hersteld.

De rechtbank komt op grond van het vorenoverwogene dan ook tot het oordeel dat ten tijde van het faillissement van de medeverdachte de aandelen [naam aandeel 1] tot zijn vermogen behoorden.

Nu vaststaat dat de medeverdachte de curator niet heeft ingelicht over voornoemd(e) aandelenbezit en aandelenconversie, zijn de aandelen [naam aandeel 1] / [naam aandeel 2] ten onrechte buiten de boedel gehouden, waardoor de crediteuren bedrieglijk zijn benadeeld.

Gelet op de hiervoor genoemde e-mailcorrespondentie tussen de verdachte en [naam persoon] en het door de verdachte ter beschikking stellen van haar Luxemburgse bankrekening ten behoeve van de boeking van de [naam aandeel 2] -aandelen, heeft zij actief en significant bijgedragen aan het onttrekken van de aandelen aan de boedel en aan het creëren van de schijn dat de aandelen aan haar zouden zijn overgedragen. Zij heeft met haar handelen zodanig bewust en nauw samengewerkt met de medeverdachte, en haar bijdrage aan de tenlastegelegde gedragingen is van zodanig gewicht, dat er sprake is van medeplegen.

De verdachte moet minimaal beseft hebben dat haar handelen, gelet op de waarde van de omgezette aandelen, op enig moment tot benadeling van de faillissementsschuldeisers in de boedel van de medeverdachte heeft geleid. Er is dus sprake van opzet.

Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

4.2.3.

Conclusie

Er is voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden voor een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde met betrekking tot de aandelen [naam aandeel 1] / [naam aandeel 2] .

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij in de periode van 1 april 2012 tot en met 30 juni 2016 te Ede en/of Reeuwijk en/of Luxemburg (Luxemburg), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een anderenatuurlijke persoon, terwijl [naam medeverdachte] bij vonnis van de rechtbank Arnhem d.d. 28 juni 2012 in staat van faillissement is verklaard, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van diens ( [naam medeverdachte] ) schuldeisers,

goederen aan de boedel heeft onttrokken

immers hebben zij verdachte, en haar mededader -zakelijk omschreven-:

- goederen, te weten één miljoen, aandelen van [naam aandeel 1] en 200.000 aandelen van [naam aandeel 2] buiten de boedel gebracht en/of uit het zicht en/of uit de macht van de curator gebracht en/of gehouden .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

het medeplegen van bedrieglijke bankbreuk.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten en omstandigheden waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich samen met haar mededader [naam medeverdachte] schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. De verdachte heeft samen met hem aandelen met een geschatte waarde van ruim € 100.000,- onttrokken aan diens boedel, waardoor de schuldeisers ernstig in hun verhaalsmogelijkheden benadeeld zijn. Daarnaast tast faillissementsfraude het vertrouwen tussen ondernemers ook onderling aan, welk vertrouwen van essentieel belang is voor een goed functionerend handelsverkeer. De verdachte had klaarblijkelijk enkel financieel gewin voor ogen en heeft zich niets gelegen laten liggen aan de belangen van de schuldeisers. De verdachte heeft voorts ter terechtzitting geen blijk gegeven van enig inzicht in het strafwaardige van haar gedrag. De rechtbank rekent de handelswijze van de verdachte haar dan ook zwaar aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 november 2020, waaruit blijkt dat de verdachte in 2007 is veroordeeld voor een soortgelijk vermogensdelict.

7.4.

Strafoplegging

De ernst van het bewezenverklaarde feit met het daarbij behorende fraudebedrag van ongeveer € 100.000,- zou in beginsel de oplegging van een gevangenisstraf rechtvaardigen. De rechtbank zal hiervan echter afzien gelet op de ouderdom van het feit en de strafeis van de officier van justitie. De rechtbank legt in plaats daarvan ter vergelding en preventie een taakstraf op.

Gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de rol van de verdachte ziet de rechtbank geen aanleiding tot de toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht zoals is bepleit door de raadsman.

7.4.

Overschrijding redelijke termijn

Bij de berechting van een zaak zonder dat er sprake is van bijzondere omstandigheden dient de behandeling van de zaak op de terechtzitting met een eindvonnis binnen 24 maanden na de aanvang van de redelijke termijn te zijn afgerond. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van de verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. De verdachte is in deze zaak op 18 april 2016 in verzekering gesteld, waardoor op deze datum de redelijke termijn aangevangen is. Tussen deze datum en het eindvonnis op 14 januari 2021 ligt een periode van ruim 57 maanden. Er is derhalve een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze termijnoverschrijding is niet aan de verdachte toe te rekenen. Deze overschrijding leidt echter niet tot matiging van de op te leggen taakstraf in het onderhavige geval.

Indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden zou de rechtbank een taakstraf hebben opgelegd die minder dan honderd uur bedraagt. In dat geval volstaat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad - standaardarrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) - het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.

Alles afwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste taakstraf voor de duur van zeventig uur passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d, 47 en 341 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 70 (zeventig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek (38) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 19 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Rabbie, voorzitter,

en mrs. C.E. Bos en R.H. Kroon, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. van Puffelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

zij in of omstreeks de periode van 1 april 2012 tot en met 30 juni 2016 te

Ede en/of Reeuwijk en/of Düsseldorf (Duitsland) en/of Luxemburg (Luxemburg),

althans (elders) in Nederland en/of

Duitsland en/of Luxemburg, tezamen en in vereniging met een of meer andere

rechtspersonen en/of een of meer natuurlijke personen, althans alleen, terwijl

[naam medeverdachte] bij vonnis van de rechtbank Arnhem dd. 28 juni 2012 in staat

van faillissement is verklaard, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de

rechten van diens ( [naam medeverdachte] )

schuldeiser(s),

1.lasten heeft verdicht en/of (een) bate(n) niet heeft verantwoord en/of

2.(een) goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken

immers heeft/hebben zij verdachte, en/of haar mededader(s) -zakelijk

omschreven-:

- ( een) goed(eren), te weten 1.312.322, althans één miljoen, aandelen van [naam aandeel 1]

en/of 200.000 aandelen van [naam aandeel 2] , in elk geval een hoeveelheid

aandelen van [naam aandeel 1] en/of [naam aandeel 2] , buiten de boedel gebracht en/of

doen brengen en/of uit het zicht en/of uit de macht van de curator gebracht

en/of doen brengen en/of gehouden en/of doen houden (1-AMB-009);

en/of

- ( een) goed(eren), te weten (een) geldbedrag(en) ter hoogte van (in totaal)

143.000 euro, althans enig(e) geldbedrag(en), op diverse tijdstippen (in

delen) ontvangen op de bankrekening [rekeningnummer 1] , en/of (vervolgens) van

de bankrekening [rekeningnummer 1] (een) geldbedrag(en) ter hoogte van (in

totaal) 115.000 euro, althans enig(e) geldbedrag(en), op diverse tijdstippen

(in delen) overgemaakt en/of doen overmaken en/of laten overmaken op rekening

[rekeningnummer 2] op naam van [naam bedrijf] en/of

(vervolgens) (een gedeelte van) genoemd(e) geldbedrag(en) tot een totaalbedrag

van 114.100 euro, op diverse tijdstippen (in delen) contant opgenomen en/of

laten opnemen en/of doen opnemen, en/of (aldus) genoemd(e) geldbedrag(en)

buiten de boedel gebracht en/of doen brengen en/of uit het zicht en/of uit de

macht van de curator gebracht en/of doen brengen en/of gehouden en/of doen

houden (1-AMB-011, 1-AMB-017);

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

[naam medeverdachte] in of omstreeks de periode van 1 april 2012 tot en met 30

juni 2016 te Ede en/of Reeuwijk en/of en/of Luxemburg (Luxemburg) en/of

Düsseldorf (Duitsland), althans (elders) in Nederland en/of en/of Luxemburg

en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met een of meer andere

rechtspersonen en/of een of meer natuurlijke personen, althans alleen, terwijl

hij ( [naam medeverdachte] ) bij vonnis van de rechtbank Arnhem dd. 28 juni 2012 in

staat van faillissement is verklaard, (telkens) ter bedrieglijke verkorting

van de rechten van zijn

schuldeisers,

1.lasten heeft verdicht en/of (een) bate(n) niet heeft verantwoord en/of

2.(een) goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken,

immers heeft/hebben [naam medeverdachte] , en/of zijn mededader(s) -zakelijk

omschreven-:

- ( een) goed(eren), te weten 1.312.322, althans één miljoen, aandelen van [naam aandeel 1]

en/of 200.000 aandelen van [naam aandeel 2] , in elk geval een hoeveelheid

aandelen van [naam aandeel 1] en/of [naam aandeel 2] , buiten de boedel gebracht en/of

doen brengen en/of uit het zicht en/of uit de macht van de curator gebracht

en/of doen brengen en/of gehouden en/of doen houden (1-AMB-009);

en/of

- ( een) goed(eren), te weten (een) geldbedrag(en) ter hoogte van (in totaal)

143.000 euro, althans enig(e) geldbedrag(en), op diverse tijdstippen (in

delen) ontvangen op de bankrekening [rekeningnummer 1] , en/of (vervolgens) van

de bankrekening [rekeningnummer 1] (een) geldbedrag(en) ter hoogte van (in

totaal) 115.000 euro, althans enig(e) geldbedrag(en), op diverse tijdstippen

(in delen) overgemaakt en/of doen overmaken en/of laten overmaken op rekening

[rekeningnummer 2] op naam van [naam bedrijf]

en/of (vervolgens) (een gedeelte van) genoemd(e) geldbedrag(en) tot een

totaalbedrag van 114.100 euro, op diverse tijdstippen (in delen) contant

opgenomen en/of laten opnemen en/of doen opnemen, en/of (aldus) genoemd(e)

geldbedrag(en) buiten de boedel gebracht en/of doen brengen en/of uit het

zicht en/of uit de macht van de curator gebracht en/of doen brengen en/of

gehouden en/of doen houden (1-AMB-011, 1-AMB-017);

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, toen daar opzettelijk behulpzaam is

geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft

verschaft door haar bankrekening(en) en/of enige (andere) bankrekening voor

overboeking(en) en/of storting(en) ter beschikking te (doen) stellen en/of

door het/de geldbedrag(en) te (doen) overboeken/storten op (een) (andere)

bankrekening(en).