Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3879

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
03-05-2021
Zaaknummer
C/10/582130 / HA ZA 19-857
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betaling koopprijs aandelen door middel van cessie. Beoordeling rechtsgeldigheid (eerdere) cessie(s). Art. 3:94 lid 3 BW. Artikel 3:88 lid 1 BW. Te goeder trouw. Een beroep door de verkrijger is geen vereiste voor het intreden van het rechtsgevolg van artikel 3:88 BW. Nu de cessies geldig zijn, heeft gedaagde voldaan aan haar betalingsverplichting jegens eiseres. Voor ontbinding is geen grondslag. De betalingsafspraak tussen partijen is geen wederkerige overeenkomst in de zin van artikel 6:261 lid 1 BW. Dwaling is niet van toepassing op de onderhavige overeenkomst. Bij bedrog komt alleen de schuldenaar een eventueel beroep toe op de vernietiging van de rechtshandeling. Afwijzing vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/582130 / HA ZA 19-857

Vonnis van 14 april 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] .,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres] ,

eiseres,

advocaat mr. Th.P.J. Hanssen te Den Haag,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] .,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.A.D. Bol te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 30 augustus 2019, met producties 1 tot en met 18;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 9;

  • -

    de conclusie van repliek tevens akte van eisvermindering, met producties 19 en 20;

  • -

    de conclusie van dupliek, met producties 10 tot en met 19;

  • -

    de akte overlegging producties tevens akte van eisvermeerdering van [eiseres] , met producties 21 tot en met 23;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie gehouden op 2 november 2020;

  • -

    de brief van 12 februari 2021 van [eiseres] met een reactie op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

De heer [persoon A] (hierna: [persoon A] ) is, via [bedrijf A] , enig aandeelhouder en bestuurder van [eiseres] .

2.2.

De aandelen in [gedaagde] worden gehouden door Stichting [naam stichting] . Bestuurders van [gedaagde] zijn [persoon B] en [persoon c] (hierna: [persoon B en C] ).

2.3.

[persoon D] . en [persoon E] (hierna gezamenlijk te noemen: [persoon D en E] ) zijn vennoten van [naam vof] .

2.4.

De Vlaardingse Vastgoed Maatschappij (V.V.M.) B.V. (hierna: VVM ) is op 19 september 2008 opgericht door [gedaagde] .

2.5.

Medio 2015 zijn [persoon A] , [persoon B en C] en [persoon D en E] een samenwerking aangegaan, in het kader waarvan zij gezamenlijk een flatgebouw hebben gekocht staande en gelegen aan de [adres] te Vlaardingen (hierna: het flatgebouw). Het flatgebouw is op 31 december 2015 juridisch geleverd aan VVM .

2.6.

Op 21 maart 2016 verwierf [eiseres] 50% van de aandelen in het kapitaal van VVM . [eiseres] werd (onder meer) naast [persoon B en C] tevens bestuurder van VVM .

2.7.

Tussen VVM en [naam vof] werd eveneens op 21 maart 2016 een vennootschap onder firma genaamd WLM v.o.f. (hierna: WLM ) opgericht. In WLM was VVM voor twee derde deel gerechtigd en [naam vof] voor een derde deel.

2.8.

WLM werd economisch gerechtigde van de vastgoedportefeuille (waaronder het flatgebouw) waarvan VVM juridisch eigenaar was.

2.9.

Op 21 december 2017 is een koopovereenkomst gesloten tussen VVM en WLM als verkopers en [persoon G] (hierna: [persoon G] ) als koper ter zake de verkoop van het flatgebouw. Het flatgebouw is voor een prijs van € 7.600.000,- verkocht aan [persoon G] .

2.10.

Ten aanzien van de betaling van de koopprijs is in de koopovereenkomst bepaald dat een deel van de koopprijs (€ 615.000,-) door [persoon G] wordt betaald door middel van verkoop van een vordering ter hoogte van € 615.000,-, die zijn vennootschap, Winplus B.V. (hierna: Winplus) had op zeven vennootschappen, te weten: ICU Reclame B.V., Wevo Production Cards B.V., Drukkerij Sky-Line Asten B.V., Circum Logistics B.V., Biks Beheer B.V., Flower Cards Company B.V. en Creative Match Company B.V. (hierna: de debiteuren) in verband met door Winplus aan hen verstrekte leningen. De vordering van Winplus is later opgehoogd naar € 655.000,- in verband met een aanvullende kredietverstrekking aan de debiteuren. Tot zekerheid van terugbetaling van de leningen hebben de debiteuren (onder meer) al hun huidige en toekomstige vorderingen op derden, hun bedrijfsinventaris, machines, voertuigen, voorraad, goodwill en intellectuele eigendommen aan Winplus verpand.

2.11.

De leningen ter hoogte van in totaal € 655.000,-, genoemd in 2.10 (hierna gezamenlijk te noemen: de Winplus-vordering), zijn schriftelijk vastgelegd in overeenkomsten van 20 juli 2017 en 5 januari 2018. Namens debiteuren hebben [persoon F] (hierna: [persoon F] ) en [persoon H] (hierna: [persoon H] ) de overeenkomsten ondertekend. Met betrekking tot de aflossing is overeengekomen dat de leningen worden afgelost in 48 opvolgende maandelijkse termijnen van € 11.250,- en € 2.395,83, voor het eerst te betalen op 30 juni 2018. De debiteuren waren tevens een rente van 9% per jaar verschuldigd over de leningen. De rente zou met ingang van 31 januari 2018 verschuldigd zijn.

2.12.

Bij akte van levering van 24 januari 2018 is het flatgebouw aan [persoon G] geleverd.

2.13.

In een akte van cessie van 24 januari 2018 tussen WLM en VVM enerzijds en [persoon G] en Winplus anderzijds (hierna: cessie I), is onder meer het volgende opgenomen:

“(…)

Artikel 1.

Tussen de volmachtgever de heer [persoon G] in prive als koper en WLM V.O.F. als verkoper is een overeenkomst van verkoop en koop gesloten met betrekking tot een flatgebouw (…) te Vlaardingen, verder genoegzaam aan partijen bekend, zulks tegen een koopsom ad zevenmiljoen zeshonderdduizend euro (€ 7.600.000,00), van welke koopsom een gedeelte ter grootte van zeshonderd vijf en vijftigduizend euro (€ 655.000,00) zal worden voldaan door overdracht van de na te melden vorderingen (ten behoeve van WinPlus B.V.) ten gelijke bedrage.

Partijen wensen bij onderhavige akte uitvoering te geven aan vorenstaande.

Artikel 2.

1. Ter uitvoering van gemelde overeenkomst levert de comparante sub A voor en namens partij 1 (de voornoemde besloten vennootschap Win Plus B.V.) aan partij 2, de hierna sub 6. te melden vorderingsrechten, met alle daaruit voortvloeiende en aan verbonden rechten en verplichtingen, welke levering door de comparante sub B voor en namens partij 2 wordt aanvaard;

2. De vorderingen worden geleverd met alle daaraan verbonden afhankelijke rechten zoals na te melden recht van pand en alle daaruit voortvloeiende rechten en voorrechten (…)

(…)

Artikel 5.

Voor de rechtsgeldigheid van een cessie is mededeling aan de schuldenaar een wettelijk vereiste, zonder deze mededeling is de overdracht van geen waarde. Partijen geven zowel genoemde notaris als elkander - zo nodig onherroepelijk – volmacht om deze mededelingen zelfstandig te doen (…)”

2.14.

[persoon A] , [persoon B en C] en [persoon D en E] hebben (op enig moment) besloten de tussen hen bestaande samenwerking te beëindigen. In het kader van die beëindiging is de Winplus-vordering toebedeeld aan [gedaagde] , in welk verband de Winplus-vordering door WLM aan [gedaagde] zou worden gecedeerd (hierna: cessie II). Bij onderhandse akte van 10 juli 2018 zijn VVM en [naam vof] . ter zake het volgende overeengekomen:

“(…) Komen hierbij overeen als volgt:

WLM Vof, daarbij vertegenwoordigd door haar vennoten als hiervoor vermeld, cedeert bij deze aan

[gedaagde] . , die bij deze aanvaardt, als onderdeel van de ontvlechting van de tussen

partijen bestaande samenwerkingsverbanden, de vorderingen die Winplus B.V. heeft uit hoofde van

een op 20.7.2017 bij schriftelijke overeenkomst verstrekte kredietfaciliteit en gevestigde

pandrechten (…)”

2.15.

[eiseres] en [gedaagde] hebben in (het voorjaar van) 2018 overeenstemming bereikt over de (terug)koop van de door [eiseres] gehouden aandelen in het kapitaal van VVM door [gedaagde] (hierna: de terugkoopovereenkomst). Partijen zijn daarbij een koopsom van € 1.262.697,- overeengekomen.

2.16.

[gedaagde] heeft een bedrag van € 7.697,- aan [eiseres] in contanten voldaan. Ten aanzien van de betaling van het restant van de koopsom, hebben partijen afgesproken dat dit deels (voor een bedrag van € 600.000,-) wordt omgezet in een lening van [eiseres] aan [gedaagde] , af te lossen op 1 juli 2021 en deels (voor een bedrag van € 655.000,-) door [gedaagde] wordt betaald middels cessie van de Winplus-vordering door [gedaagde] aan [eiseres] (hierna: cessie III). [eiseres] heeft [gedaagde] volledige kwijting verleend voor de betaling van de koopsom.

2.17.

Voornoemde afspraak tussen [gedaagde] en [eiseres] is vastgelegd in een akte van levering van 20 juli 2018, waarbij de aandelen aan [gedaagde] zijn geleverd en waarin tevens de cessie van [gedaagde] aan [eiseres] is opgenomen. In de leveringsakte is voorts vermeld dat de rechten uit de Winplus-vordering aan [eiseres] toekomen met ingang van 1 april 2018. In artikel 10.2 van de leveringsakte is voorts het volgende opgenomen:

“Verkoper en koper doen bij deze akte afstand van het recht om de aan deze levering ten grondslag liggende overeenkomst te (doen) ontbinden of te (doen) vernietigen.”.

2.18.

Op 31 juli 2019 is de onderhandse akte van 10 juli 2018 (2.14) ter registratie aangeboden bij de Belastingdienst.

2.19.

Na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, heeft [eiseres] op 30 juli 2020 ten laste van [gedaagde] conservatoir beslag gelegd op diverse onroerende zaken van [gedaagde] .

3. Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, na eisvermindering en eisvermeerdering, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

“(…)

I. voor zover nodig voor toewijzing van de vordering onder II en/of de vordering onder III, voor recht te verklaren dat (primair) door [eiseres] . rechtsgeldig is vernietigd, althans te vernietigen, althans (subsidiair) dat door [eiseres] . rechtsgeldig is ontbonden, althans te ontbinden, de afspraak tussen [gedaagde] . en [eiseres] ., waarbij [gedaagde] . zich jegens [eiseres] . heeft verbonden de Winplus Vordering in betaling te geven aan [eiseres] . en [eiseres] zich jegens [gedaagde] . heeft verbonden in ruil daarvoor aan [gedaagde] kwijting te verlenen voor de betaling van de koopprijs voor de aandelen in het kapitaal van Vlaardingse Vastgoed Maatschappij ( VVM ) BV. tot het bedrag van € 655.000,-;

II. [gedaagde] . te veroordelen tot betaling aan [eiseres] . van een bedrag ad € 641.354,17, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW, althans artikel 6:119 BW, te rekenen vanaf 20 juli 2018, althans 25 januari 2019, althans 3 augustus 2019, althans een door Uw Rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;

III. [gedaagde] . te veroordelen tot betaling aan [eiseres] . van de kosten van de door [eiseres] . ten laste van [gedaagde] . gelegde conservatoire beslagen, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW, althans artikel 6:199 BW, vanaf heden, althans vanaf de dag van het te wijzen vonnis, tot aan de dag der algehele voldoening;

IV. [gedaagde] . te veroordelen in de kosten van dit geding, inclusief alle nakosten, en om te bepalen dat deze kosten dienen te worden voldaan binnen zeven dagen na dagtekening, althans betekening, van het in dezen te wijzen vonnis en ingeval voldoening binnen die termijn niet plaatsvindt, de kosten te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW, althans artikel 6:119 BW, te rekenen vanaf veertien dagen na dagtekening, althans betekening, van het in dezen te wijzen vonnis”.

3.2.

[eiseres] heeft aan haar vorderingen - kort samengevat - het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.1.

De cessie van Winplus aan WLM (cessie I) is niet rechtsgeldig, omdat een onjuiste mededeling heeft plaatsgevonden. Er heeft derhalve geen eigendomsoverdracht naar WLM plaatsgevonden. Dit houdt in dat ook de cessie tussen WLM en [gedaagde] (cessie II) niet rechtsgeldig heeft kunnen plaatsvinden, omdat WLM niet beschikkingsbevoegd was. Verder is ten aanzien van deze cessie geen mededeling gedaan, noch een tijdige registratie bij de Belastingdienst. Nu [gedaagde] niet beschikkingsbevoegd was, is de cessie tussen [gedaagde] en [eiseres] (cessie III) ook niet geldig.

3.2.2.

Dit heeft tot gevolg dat een gedeelte van de koopprijs (€ 655.000,-) tot op heden door [gedaagde] onbetaald is gelaten, zodat [gedaagde] is gehouden dit bedrag (verminderd met reeds door middel van verrekening betaalde bedragen) aan [eiseres] te betalen. In dit verband geldt dat [eiseres] de inbetalinggevingsafspraak tussen partijen, die kwalificeert als een wederkerige overeenkomst, reeds heeft vernietigd op grond van artikel 3:44 BW (bedrog) althans artikel 6:228 BW (dwaling), dan wel ontbonden op grond van artikel 6:265 BW (wegens tekortkoming in de nakoming).

3.3.

De conclusie van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] .

3.3.1.

[gedaagde] heeft betwist dat de cessies niet rechtsgeldig hebben plaatsgevonden. Volgens [gedaagde] hebben partijen bij cessie I een stille cessie beoogd, waarvoor mededeling geen vereiste is. De levering is door totstandkoming van de akte van levering voltooid, aldus [gedaagde] . Ook cessie II en cessie III zijn daarmee rechtsgeldig geschied. [gedaagde] heeft betwist dat sprake is van bedrog of dwaling. Evenmin is sprake van een tekortkoming in de nakoming aan de zijde van [gedaagde] .

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Eiswijzigingen

4.1.

De rechtbank doet recht op de eis zoals die na vermindering (toegelaten op grond van artikel 129 Rv) en eisvermeerdering luidt. Tegen de eisvermeerdering is geen bezwaar gemaakt en de rechtbank is ook niet ambtshalve van oordeel dat deze in strijd is met de eisen van een goede procesorde.

Inleiding

4.2.

Dat [gedaagde] aandelen van [eiseres] heeft gekocht (rechtsoverwegingen 2.15 en 2.16) staat niet ter discussie, noch staat de geldigheid van deze overeenkomst tussen partijen ter discussie. Uit deze overeenkomst vloeien twee hoofdverbintenissen voort: de verkoper moet de aandelen leveren (dat dit is gebeurd, staat niet ter discussie) en de koper moet de koopsom voldoen. Partijen hebben ervoor gekozen om een deel contant te betalen (dat is voldaan en staat niet ter discussie) en een deel op andere wijze te voldoen. De verkoper heeft geaccepteerd dat € 600.000,‑ wordt voldaan door middel van een lening (deze wijze van betaling staat evenmin ter discussie) en dat € 655.000,‑ wordt voldaan door overdracht van de Winplus-vordering. Aan dat laatste deel kleven twee bezwaren volgens [eiseres] , namelijk (1) de cessie zou goederenrechtelijk niet zijn geslaagd en (2) de cessie is, of moet worden, vernietigd of ontbonden. Aldus heeft [gedaagde] haar betalingsverplichting niet geheel nagekomen, zodat dat alsnog moet gebeuren.

De goederenrechtelijke geldigheid van de cessies

4.3.

[gedaagde] heeft gesteld door cessie III aan haar betalingsverbintenis te hebben voldaan. Voor de geldigheid van cessie III moeten eerst cessies I en II worden beoordeeld.

Cessie I

4.4.

Ten aanzien van cessie I geldt het volgende. De partijbedoeling is onmiskenbaar: partijen wilden cederen; vorderingen overdragen. Voor overdracht is een leveringshandeling nodig. Die leveringshandeling wordt belichaamd door artikel 2 van de akte van cessie van 24 januari 2018. Deze handeling is onvoorwaardelijk geformuleerd en neergelegd in een notariële akte. Daarmee is de leveringshandeling verricht en voltooid op grond van artikel 3:94 lid 3 BW. Omdat de beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder niet ter discussie staat en evenmin de titel op basis waarvan wordt geleverd, is cessie I daarmee voltooid.

4.5.

Dat, zoals [eiseres] heeft gesteld, in artikel 5 van de akte van cessie staat dat voor de rechtsgeldigheid van een cessie mededeling aan de schuldenaar een wettelijk vereiste is, doet aan het voorgaande niet af.

4.5.1.

De formulering van artikel 5 tast de verklaring van partijen in artikel 2 (de vervreemder levert de vorderingen, de ontvanger neemt de levering aan) niet aan. Er wordt in artikel 5 slechts in het algemeen gewezen op een mededelingsplicht van de levering aan de schuldenaar van de vordering, als opmaat voor de machtiging aan de notaris om die mededeling te doen. Uit niets blijkt dat partijen deze mededeling hebben willen introduceren als voorwaarde voor de leveringshandeling en daarmee een onvoorwaardelijke verbintenis uit overeenkomst voorwaardelijk hebben willen nakomen. Integendeel: uit de formulering van artikel 5 kan niet anders worden begrepen dan dat hier de steller van de akte (en dat waren niet partijen zelf, maar hun notaris) partijen wilde voorlichten. De voorlichting is algemeen van aard en gaat over “een” cessie; niet concreet over deze cessie. De voorlichting gaat over wat de wet zegt over de rechtsgeldigheid van een levering, niet over de wil van partijen.

4.5.2.

De voorlichting is onjuist, omdat artikel 3:94 BW per 1 oktober 2004 is aangevuld met de mogelijkheid van levering bij notariële of onderhands geregistreerde akte, zonder mededeling aan de schuldenaar. Er staat overigens niets aan in de weg dat na een dergelijke akte alsnog (ten overvloede) mededeling wordt gedaan aan de schuldenaar; dat tast de geldigheid van de overdracht uiteraard niet aan. Kennelijk heeft de notaris de nieuwe wettelijke regeling gemist en een oude standaardtekst gebruikt, maar dat maakt niet dat de onvoorwaardelijke partijverklaring in artikel 2 van de akte ineens een voorwaardelijke is geworden.

4.5.3.

Het voorgaande betekent dat de overdracht van de Winplus-vordering aan WLM rechtsgeldig is geschied. De rechtbank hoeft dus niet te onderzoeken of er juist is medegedeeld aan de schuldenaren.

Cessie II

4.6.

De stelling van [eiseres] dat WLM ten tijde van cessie II niet beschikkingsbevoegd was, faalt omdat cessie I, anders dan [eiseres] meent, geslaagd was.

4.7.

[eiseres] heeft voorts gesteld dat cessie II niet is geslaagd, omdat geen mededeling is gedaan als bedoeld in artikel 3:94 lid 1 BW, noch de onderhandse akte van (tijdig) is geregistreerd als bedoeld in artikel 3:94 lid 3 BW.

4.8.

Vaststaat dat partijen bij onderhandse akte van 10 juli 2018 de Winplus-vordering hebben getracht te cederen. Ook staat vast dat de onderhandse akte op 31 juli 2019 ter registratie is aangeboden bij de Belastingdienst. In een dergelijk geval is voor voltooiing van de levering van belang het tijdstip van de registratie van de akte. Anders dan [eiseres] kennelijk meent is mededeling niet vereist voor voltooiing van de levering. Als dag van registratie van de akte wordt aangemerkt de dag van aanbieding ter registratie, in dit geval 31 juli 2019. Dit betekent dat de levering van cessie II eerst is voltooid op 31 juli 2019.

Cessie III

4.9.

Uit rechtsoverweging 4.8 volgt dat [gedaagde] ten tijde van cessie III, op 20 juli 2018, niet beschikkingsbevoegd was.

4.10.

Artikel 3:88 lid 1 BW bepaalt dat ondanks onbevoegdheid van de vervreemder de overdracht van een recht op naam geldig is, indien de verkrijger, te goeder trouw is en de onbevoegdheid voortvloeit uit de ongeldigheid van een vroegere overdracht, die niet het gevolg was van onbevoegdheid van de toenmalige vervreemder.

4.10.1.

Artikel 3:88 lid 1 BW is zo geformuleerd dat de wil van partijen er niet toe doet: de overdracht is geldig als aan de voorwaarden voor toepassing van de bepaling is voldaan. Een beroep door de verkrijger is geen vereiste voor het intreden van dat rechtsgevolg. Dat is ook wel logisch in het in Nederland geldende stelsel van overdracht van rechten. Als een eerdere overdracht niet slaagt, gaan in beginsel alle latere onderuit omdat telkens beschikkingsbevoegdheid heeft ontbroken. Als zo’n latere overdracht moet worden beoordeeld, kan zich de situatie voordoen dat de geldigheid van een eerdere overdracht moet worden onderzocht, terwijl bij die eerdere overdracht geen van de partijen van de latere overdracht betrokken is. In de lezing van [eiseres] staat een latere verkrijger, die geen partij was bij de overdracht die geheeld moet worden, met lege handen. Immers, als een beroep alleen kan worden gedaan door de toenmalige verkrijger, dan sluit dat anderen uit. De rechtbank is van oordeel dat ook in een geschil om een latere verkrijging de geldigheid – en dus in dit geval: de goede trouw – bij een eerdere overdracht moet (kunnen) worden onderzocht, ook zonder de noodzakelijke betrokkenheid van de toenmalige partijen. De rechtbank verwerpt dan ook het betoog van [eiseres] dat alleen aan beoordeling van de goede trouw wordt toegekomen als zij daar als verkrijger een beroep op doet.

4.10.2.

De onbevoegdheid van de vervreemder bij cessie III ( [gedaagde] ) vloeit voort uit de ongeldigheid van een vroegere overdracht (cessie II) en die ongeldigheid was niet het gevolg van onbevoegdheid van de toenmalig vervreemder ( WLM , zie rechtsoverweging 4.6), maar van een leveringsgebrek (zie rechtsoverwegingen 4.7 en 4.8).

4.10.3.

Dan blijft over de vraag of [eiseres] te goeder trouw was op het moment van de voltooiing van de overdracht van cessie III. Deze cessie is uitgevoerd door middel van een notariële levering, bij akte van 20 juli 2018. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] op het moment van het passeren van de akte, welk moment bepalend is, niet te goeder trouw was. [eiseres] had geen aanleiding om op dat moment te twijfelen aan de beschikkingsbevoegdheid van [gedaagde] . Dat [eiseres] ervan uit ging dat de overdracht goed was verlopen, blijkt ook uit de omstandigheid dat zij de debiteuren op 23 juli 2018 heeft verzocht de maandelijkse termijnen ter zake de leningen te voldoen. Dat had [eiseres] immers niet gedaan als zij dacht dat de cessie ongeldig was.

4.11.

Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat, nu [eiseres] te goeder trouw was, cessie III geldig is op grond van artikel 3:88 lid 1 BW.

Conclusie

4.12.

Met cessie III heeft [gedaagde] voldaan aan haar betalingsverplichting jegens [eiseres] , door rechtsgeldige overdracht van de Winplus-vordering aan [eiseres] , zoals partijen hebben afgesproken.

Wanprestatie, dwaling en bedrog

Ontbinding

4.13.

De rechtbank stelt voorop, dat een betalingsafspraak geen overeenkomst is in de zin van artikel 6:213 BW, omdat er geen verbintenissen uit voortvloeien.

4.13.1.

De schuldenaar ( [gedaagde] ) betaalt – ook na een betalingsafspraak – immers op een reeds bestaande verbintenis (de verbintenis tot betaling van de koopprijs uit de terugkoopovereenkomst). Ook de schuldeiser ( [eiseres] ) neemt geen nieuwe verbintenis op zich; hij geeft slechts te kennen dat hij de betaling (overdracht van de Winplus-vordering) zal accepteren. Voor zover het verstrekken van een bewijs van kwijting al het gevolg is van een verbintenis, vloeit die verbintenis niet voort uit de betalingsafspraak, maar is zij een verbintenis die al voortvloeit uit de terugkoopovereenkomst. Omdat de betalingsafspraak geen overeenkomst is in de zin van artikel 6:213 BW, is zij ook geen wederkerige overeenkomst in de zin van artikel 6:261 lid 1 BW.

4.13.2.

Voor toepassing van artikel 6:261 lid 2 BW is evenmin plaats: er worden geen wederzijdse prestaties verricht op grond van de betalingsafspraak. Als het verstrekken van een bewijs van kwijting al als een prestatie moet worden gezien, dan is die prestatie het gevolg van de terugkoopovereenkomst en niet van de betalingsafspraak. Voor ontbinding, gebaseerd op een wanprestatie, is dus geen grondslag en de rechtbank hoeft dan ook niet te onderzoeken of [gedaagde] gebrekkig heeft gepresteerd.

Dwaling

4.14.

Dwaling is alleen van toepassing op overeenkomsten in de zin van artikel 6:213 BW, maar dat is de betalingsafspraak niet. Betaling is, ook bij een betalingsafspraak, een eenzijdige handeling van de schuldenaar. Daarom kan ook via artikel 6:216 BW niet worden toegekomen aan het leerstuk dwaling.

Bedrog

4.15.

Zo betaling al een rechtshandeling is, is dat een eenzijdige rechtshandeling van de schuldenaar. Daarom komt alleen de schuldenaar ( [gedaagde] ) een eventueel beroep toe op vernietiging van die rechtshandeling. Of er daadwerkelijk bedrog is gepleegd behoeft de rechtbank dan ook niet te onderzoeken.

Conclusie

4.16.

Ontbinding en vernietiging zijn niet mogelijk.

Beslissingen op de vorderingen

4.17.

Vordering I wordt afgewezen omdat vernietiging of ontbinding niet mogelijk zijn (rechtsoverwegingen 4.13 tot en met 4.16).

4.18.

Vordering II wordt afgewezen omdat er al is betaald (rechtsoverweging 4.12).

4.19.

Vordering III wordt afgewezen omdat vordering II wordt afgewezen.

Proceskosten (tevens vordering IV)

4.20.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij (ambtshalve) in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 4.030,00

- salaris advocaat € 9.642,00 (3,0 punten × tarief € 3.214,00)

Totaal € 13.672,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 13.672,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J. van den Bos en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2021.

[3085/1407]