Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3876

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-04-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
ROT 21/1863 en ROT 21/1485
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

inschrijving in de RNI vloeit voort uit besluiten tot uitschrijving uit de Brp; mededeling dat eiseres en haar kinderen zijn opgenomen in de RNI is geen besluit; bezwaar terecht n-o verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: ROT 21/1863

ROT 21/1485 (hoofdzaak)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak tussen

[naam verzoekster], te [woonplaats verzoekster], verzoekster, tevens eiseres (hierna: eiseres),

gemachtigde: mr. drs. M.J.G. Schroeder,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. A.T. Kaziemkhan.

Procesverloop

Bij brief van 20 januari 2021 heeft verweerder medegedeeld dat eiseres en haar kinderen zijn opgenomen in het Register niet-ingezetenen (RNI) .

Bij besluit van 24 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de brief van 20 januari 2021 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2021, tegelijkertijd met het onderzoek in zaaknummer ROT 21/2054. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [naam].

Overwegingen

Inleiding

1.1.

Indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.

Feiten en omstandigheden

3.1.

Bij besluiten van 23 maart 2020 heeft verweerder eiseres en haar drie minderjarige kinderen per 2 december 2019 ambtshalve uitgeschreven uit de Basisregistratie personen (Brp). Daarvoor stonden zij ingeschreven op het adres [adres].

Verweerder heeft tot de uitschrijving besloten omdat eiseres geen aangifte van adreswijziging heeft doorgegeven en er na onderzoek geen feitelijke verblijfplaats van haar en haar kinderen bekend was. Eiseres heeft op 29 juli 2020 een verzoek om hervestiging ingediend. Verweerder heeft dit verzoek bij besluit van 12 augustus 2020 afgewezen. Eiseres heeft tegen de besluiten van 23 maart 2020 en 12 augustus 2020 bezwaar gemaakt. Ook heeft zij verzoeken om voorlopige voorzieningen ingediend. Daarbij heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om te bepalen dat zij en haar kinderen voorlopig worden opgenomen in de Brp. Bij uitspraken van 23 juni 2020 (zaaknummer ROT 20/2671) en 14 oktober 2020 (zaaknummer ROT 20/4447) heeft de voorzieningenrechter deze verzoeken afgewezen. Verweerder heeft het bezwaar tegen de besluiten van 23 maart 2020 bij besluit van 20 juli 2020 ongegrond verklaard. Het beroep hiertegen is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer ROT 20/4588. Verweerder heeft het bezwaar tegen het besluit van 12 augustus 2020 bij besluit van 22 januari 2021 ongegrond verklaard. Het beroep hiertegen is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer ROT 21/1057.

3.2.

Bij e-mail van 19 oktober 2020, aangevuld bij brief van 22 oktober 2020, heeft eiseres verweerder gevraagd of zij en haar minderjarige kinderen staan ingeschreven in de RNI en, indien dit het geval is, hoe de registratie heeft plaatsgevonden. Bij brief van 13 januari 2021 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld. Bij brief van 20 januari 2021 heeft verweerder medegedeeld dat eiseres en haar kinderen zijn opgenomen in de RNI en dat aan deze opneming het adresonderzoek ten grondslag ligt met als resultaat de ambtshalve opneming van vertrek uit Nederland overeenkomstig artikel 2.22 van de Wet Basisregistratie personen (Wet Brp). Dit betekent dat de persoonslijsten van eiseres en haar kinderen zijn overgeheveld (“verhuisd”) naar de RNI. Per e-mail van 25 januari 2021 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen haar inschrijving in de RNI.

Standpunt verweerder

4. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het bezwaar gericht is tegen een informatieve mededeling. Door deze mededeling zijn de rechten van eiseres en haar kinderen niet veranderd. De brief van 20 januari 2021 maakt slechts de administratieve verwerking van de uitschrijving van eiseres en haar kinderen uit de Brp inzichtelijk. Het besluit tot uitschrijving is genomen op 23 maart 2020. Tegen de informatieve mededeling is geen bezwaar mogelijk, omdat dit geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Standpunt eiseres

5. Eiseres is van mening dat de inschrijving in de RNI niet kan worden gezien als een automatisch intredend rechtsgevolg van de besluiten van 23 maart 2020. Het besluit van 23 maart 2020 sluit de mogelijkheid niet uit dat verzoekster binnengemeentelijk is verhuisd. Voor de inschrijving in de RNI volstaat niet dat iemand met onbekende bestemming is vertrokken. Hij moet uit Nederland zijn vertrokken. Eiseres woont echter nog steeds in Rotterdam. De uitschrijving uit de Brp sluit de inschrijving in de RNI uit, omdat de RNI een onderdeel is van de Brp. Daarbij komt dat de inschrijving in de RNI op 20 januari 2021 niet kan worden herleid naar de besluiten van 23 maart 2020, omdat naar aanleiding van de aangifte van hervestiging op 12 augustus 2020 een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden, waarbij niet tot (handhaving van de) inschrijving in de RNI is beslist. Als er geen besluit tot inschrijving valt aan te wijzen, dan dient de brief van 20 januari 2021 te worden gekwalificeerd als het besluit tot inschrijving in de RNI. Uit artikel 2.22 van de Wet Brp en procedure 6.3 van de Handleiding Uitvoeringsprocedures (HUP) volgt dat verzoekster en haar kinderen niet in de RNI behoorden te worden ingeschreven zonder een daaraan voorafgaande rechterlijke vaststelling dat zij uit Nederland waren vertrokken. Eiseres verzoekt de voorzieningenrechter te bepalen dat verweerder ambtshalve zorgdraagt voor het uitschrijven van eiseres en haar kinderen uit de RNI.

Oordeel voorzieningenrechter

6.1.

Artikel 2.22 van de Wet brp luidt:
"1. Indien een ingezetene niet kan worden bereikt, van hem geen aangifte van wijziging van zijn adres of van vertrek is ontvangen als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, of 2.21, eerste lid, en na gedegen onderzoek geen gegevens over hem kunnen worden achterhaald betreffende het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland noch het volgende verblijf buiten Nederland, draagt het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg voor de opneming van het gegeven van het vertrek van de ingezetene uit Nederland.”

6.2.

Volgens de Werkinstructies Registratie Niet-ingezetenen (WIR) bevat de Brp de persoonsgegevens van de ingeschreven personen en bestaat deze uit een ingezetenen deel en een niet-ingezetenen deel. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat de Brp een “paraplu” is, waaronder ook de RNI valt, en dat de terminologie “uitschrijven” ongelukkig gekozen is, omdat in werkelijkheid geen sprake is van uitschrijving, maar van overheveling van de persoonslijst van de betrokkene van het ingezetenen deel naar het niet-ingezetenen deel. Dit betekent, in tegenstelling tot wat eiseres stelt, dat de in de besluiten van 23 maart 2020 genoemde uitschrijving uit de Brp de inschrijving in de RNI niet uitsluit.

6.3.

De uitkomst van het onderzoek, dat ten grondslag heeft gelegen aan de besluiten van 23 maart 2020, was dat eiseres is vertrokken met onbekende bestemming. Volgens paragraaf 6.3.1 van de HUP draagt verweerder in dat geval ambtshalve zorg voor het opnemen van het gegeven van vertrek van de ingezetene uit Nederland (artikel 2.22 van de Wet Brp). Dit wordt ook wel vertrek onbekend waarheen (VOW) genoemd. Na het verwerken van VOW verhuist de persoonslijst naar de RNI. Dit betekent, in tegenstelling tot wat eiseres stelt, niet dat vast moet komen te staan dat betrokkene daadwerkelijk uit Nederland is vertrokken. Wel betekent dit dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de inschrijving in de RNI voortvloeit uit de besluiten van 23 maart 2020. Het besluit van 12 augustus 2020, waarbij het verzoek om hervestiging is afgewezen, heeft hier geen verandering in gebracht.

6.4.

De voorzieningenrechter is dan ook met verweerder van oordeel dat de brief van 20 januari 2021, waarbij is medegedeeld dat verzoekster en haar kinderen zijn opgenomen in de RNI, geen besluit is omdat hiermee de rechten van verzoekster en haar kinderen niet zijn veranderd. Het rechtsgevolg was al ingetreden met de besluiten van 23 maart 2020.

6.5.

Het bezwaar van eiseres tegen de inschrijving in de RNI kan in het beroep naar aanleiding van de besluiten van 23 maart 2020 (zaaknummer ROT 20/4588) aan de orde komen en het bezwaarschrift kan worden gezien als aanvulling van de gronden van dit beroep. De voorzieningenrechter zal ervoor zorgen dat de stukken in deze zaak aan het dossier met zaaknummer ROT 20/4588 worden toegevoegd.

6.5.

Verweerder heeft het tegen de brief van 20 januari 2021 gerichte bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Van een schending van de hoorplicht is geen sprake.

7. Het beroep is ongegrond en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M.P. Meijer, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 30 april 2021.

De griffier en de voorzieningenrechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op de voorlopige voorziening, staat geen rechtsmiddel open.

Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.