Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3875

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-04-2021
Datum publicatie
03-05-2021
Zaaknummer
8997863 CV EXPL 21-4291
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vorderingen ziektekostenpremies uit 2007 niet verjaard. Betalingen ten onrechte niet afgeboekt op oudste schuld. Aannemelijk dat een deel nog openstaat, toewijzing. Onder omstandigheden BIK en WR afgewezen en compensatie proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8997863 CV EXPL 21-4291

uitspraak: 30 april 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de naamloze vennootschap

Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V.,

gevestigd te Leiden,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 19 januari 2021,

gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “Zilveren Kruis” respectievelijk “[gedaagde]”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

 de dagvaarding, met producties;

 de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord van [gedaagde];

 de conclusie van repliek, met producties;

 de aantekeningen van de griffier van de mondelinge reactie van [gedaagde] en zijn partner, [naam].

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

Tussen Zilveren Kruis als zorgverzekeraar en [gedaagde] als verzekeringnemer is een zorgverzekeringsovereenkomst tot stand gekomen.

2.2.

Bij brieven van 2 maart 2010, 29 september 2011, 3 november 2011, 14 augustus 2012, 18 september 2012, 22 maart 2013, 24 augustus 2016, 7 juni 2019, 1 juli 2019, 6 augustus 2019, 28 augustus 2019, 23 september 2019, 11 mei 2020 en 30 oktober 2020 heeft (de gemachtigde van) Zilveren Kruis [gedaagde] gemaand het op dat moment openstaande bedrag te voldoen.

2.3.

Bij brief van 9 december 2020 heeft de gemachtigde van Zilveren Kruis [gedaagde] gemaand het op dat moment openstaande bedrag van € 306,40 aan hoofdsom en € 82,66 aan rente te betalen binnen vijftien dagen nadat de brief bij hem is bezorgd, bij gebreke waarvan [gedaagde] tevens de incassokosten ad € 45,96 en de btw daarover ad € 9,65 verschuldigd zal zijn.

3. Het geschil

3.1.

Zilveren Kruis heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar tegen kwijting te betalen een bedrag van € 445,14, te vermeerderen met de wettelijke rente over de openstaande hoofdsom vanaf de dag van dagvaarding tot er is betaald, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de btw over de daarvoor in aanmerking komende kostenposten.

3.2.

Aan haar vordering heeft Zilveren Kruis - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd. Zilveren Kruis vordert nakoming van de tussen haar en [gedaagde] gesloten zorgverzekeringsovereenkomst, nu [gedaagde], ondanks daartoe te zijn aangemaand, is in gebreke gebleven met betaling van de zorgpremie voor de maanden april tot en met juli 2007. Op grond van het bepaalde in artikel 6:83 sub a BW was hij steeds direct in verzuim. Omdat [gedaagde] de hoofdsom van € 306,40 niet heeft betaald binnen de in de veertiendagenbrief van 9 december 2020 genoemde termijn, was Zilveren Kruis genoodzaakt de vordering uit handen te geven. Zij vordert daarom tevens de buitengerechtelijke incassokosten ad € 55,61 (inclusief btw). Voorts maakt Zilveren Kruis op grond van artikel 6:119 BW aanspraak op de wettelijke rente, waaronder bedragen aan vervallen rente. De vervallen rente vanaf de verzuimdata met betrekking tot de maandelijkse premies tot de datum van overdracht van de incasso (9 december 2020) bedraagt € 82,66. De vervallen rente vanaf 9 december 2020 tot de dag van dagvaarding bedraagt € 0,47.

3.3.

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. Het kan kloppen dat het bedrag niet is betaald, maar het gaat om een oude vordering die verjaard is. De moeder van [gedaagde] heeft dit bij brief van 5 juli 2019 al aan Zilveren Kruis medegedeeld. De partner van [gedaagde] heeft in 2011 een adreswijziging aan Zilveren Kruis doorgegeven. Verder heeft zij in 2019 gevraagd welke bedragen er nog open stonden, omdat [gedaagde] bezig was om alle schulden in kaart te brengen. Het klopt niet dat Zilveren Kruis niet wist waar [gedaagde] verbleef. Zij wist wat het verblijfsadres van [gedaagde] was, maar heeft slechts één of twee brieven per jaar gestuurd en heeft verder niets gedaan.

3.4.

Op hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd, wordt hierna, voor zover voor de uitkomst van de procedure van belang, teruggekomen.

4. De beoordeling

4.1.

Zilveren Kruis vordert betaling van [gedaagde] van de premie van zijn basiszorgverzekering over de maanden april (restant van € 18,40), mei (€ 96,00), juni (€ 96,00) en juli 2007 (€ 96,00). [gedaagde] heeft gesteld dat het zou kunnen dat er nog iets openstaat, maar dat dit hele oude vorderingen zijn, zodat hij dat niet precies weet en één en ander ook niet meer goed na kan kijken, zodat hij een beroep op verjaring doet. In reactie hierop heeft Zilveren Kruis aanmaningsbrieven overgelegd.

4.1.1.

Voor een vordering als hier aan de orde geldt op grond van artikel 3:307 lid 1 BW dat deze verjaart door verloop van vijf jaar na aanvang van de dag volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Verder is van belang dat die verjaring kan worden gestuit op grond van artikel 3:317 lid 1 BW door een schriftelijke aanmaning/mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. In dat laatste geval begint een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar te lopen met de aanvang van de volgende dag (artikel 3:319 lid 1 en 2 BW).

4.1.2.

De door Zilveren Kruis overgelegde in 2.2. en 2.3. genoemde aanmaningen kwalificeren alle als een stuitingsbrief in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW. [gedaagde] heeft de ontvangst van genoemde brieven niet (gemotiveerd) betwist. Omdat tussen de verschuldigdheid van de maandpremies voor april tot en met juli 2007 en de aanmaningen geen periode langer dan vijf jaar zit, is de verjaring van alle door Zilveren Kruis gevorderde maandpremies met die aanmaningen gestuit.

4.1.3.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van Zilveren Kruis niet is verjaard.

4.2.

De kantonrechter leidt uit de door Zilveren Kruis overlegde aanmaningen af dat [gedaagde] een aanzienlijke achterstand in onder meer zijn premie betalingen had over aanvankelijk de periode december 2006 tot en met maart 2010. Voor deze achterstand van in totaal € 3.071,35 is hij op 2 maart 2010 aangemaand. Vervolgens heeft er kennelijk een betaling plaatsgevonden want op 29 maart 2011 wordt hij aangemaand voor een bedrag van € 2.846,40 voor premies die zien op de periode april 2007 tot en met december 2010. De achterstand over deze periode loopt vervolgens op tot € 4.994,96 op 6 augustus 2019. In dit bedrag is nu ook nog een premie van juni 2019 opgenomen en zorgkostennota’s. Daarnaast is in dit bedrag, waarin dus ook de in deze procedure gevorderde bedragen opgenomen zijn, een bedrag van € 703,24 aan rente en een bedrag van 570,27 aan buitengerechtelijke incassokosten opgenomen. De volgende aanmaningsbrief dateert van 28 augustus 2019. In deze brief wordt nog slechts een bedrag van € 500,29 (€ 402,40 aan hoofdsom en € 97,89 aan rente) gevorderd. Kennelijk is in de tussentijd een bedrag van ongeveer € 4.494,67 voldaan. Een toelichting hierop is door Zilveren Kruis niet gegeven. Ook is niet duidelijk hoe en op welke wijze zij deze betaling heeft verwerkt en aan welke facturen zij de betalingen heeft toegerekend. De wet schrijft in artikel 6:43 BW voor dat de toerekening plaatsvindt op de oudste verbintenis. Dit zou betekenen dat de onderhavige vordering al als betaald moet worden beschouwd. Daarnaast strekt op grond van artikel 6:44 BW een betaling eerst in mindering op de kosten, dan op de rente en dan op de hoofdsom. Hier volgt uit dat ook de rente en buitengerechtelijke incassokosten berekend over de achterstand (waarin dus de in deze procedure gevorderde premies ook zijn opgenomen) al voldaan zouden moeten zijn. Dit zou betekenen dat de in deze procedure gevorderde bedragen (premies over april tot en met juli 2007 met buitengerechtelijke incassokosten en rente) reeds door [gedaagde] voldaan zijn. Daar staat dan wel tegenover dat er weer andere premies niet zijn betaald en [gedaagde] nog immer een bedrag van € 306,40 aan Zilveren Kruis verschuldigd is. Dat is ook zo als Zilveren Kruis toch niet heeft afgeboekt op de oudste vordering. Ook dan is er nog een bedrag van € 306,40 verschuldigd.

Nu [gedaagde] voorts heeft gesteld dat het best kan dat er nog een bedrag openstaat en ook niet heeft aangetoond nog meer betaling(en) te hebben verricht, zal de kantonrechter dan ook aannemen dat dit bedrag nog verschuldigd is en dit bedrag toewijzen.

4.3.

Wel ziet de kantonrechter onder deze omstandigheden geen grond (meer) voor het toewijzen van de rente en buitengerechtelijke incassokosten. Deze kosten zijn kennelijk al eerder door [gedaagde] voldaan en voor dat geval kan de kantonrechter -zonder nadere toelichting die ontbreekt- niet volgen hoe over een bedrag van € 306,40 vanaf augustus 2019 nu nog een rente van € 82,66 verschuldigd kan zijn, met name nu door [gedaagde] kennelijk al een bedrag van € 703,24 aan rente is voldaan. En voor het geval [gedaagde] nog geen rente zou hebben voldaan, zou dit betekenen dat er minder aan hoofdsom nog kan openstaan. Een toelichting op dit alles is door Zilveren Kruis niet gegeven. Dit had van Zilveren Kruis wel verwacht mogen worden, gelet op het feit dat het hier een zeer oude vordering betreft (bijna 14 jaar oud) en er wel betaling(en) zijn gedaan.

4.4.

In bovengenoemde omstandigheden en nu een deel van de vordering moeten worden afgewezen ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Zilveren Kruis tegen kwijting te betalen € 306,40;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Verkerk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44478