Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3871

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-04-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
8965237 CV EXPL 21-1284
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huur, o&o. Huurachterstand overleden moeder gedaagde toegewezen na wijziging grondslag ongerechtvaardigde verrijking in voortgezet huurderschap (7:268 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8965237 CV EXPL 21-1284

uitspraak: 16 april 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

Stichting Woonplus Schiedam,

gevestigd te Schiedam,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 21 december 2020,

gemachtigde: M.A. Venegas Carbonell te Schiedam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “Woonplus” respectievelijk “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

 de dagvaarding, met producties;

 de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord van [gedaagde] , met bijlage;

 het tussenvonnis van 25 januari 2021, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

 het faxbericht van 9 maart 2021 van Woonplus, met producties.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 maart 2021. Woonplus heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] . [gedaagde] is niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken.

1.3.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

Tussen Woonplus en de moeder van [gedaagde] bestond met ingang van 23 januari 2019 een huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan de [adres] (hierna: het gehuurde).

2.2.

[gedaagde] woonde vanaf het begin van die huurovereenkomst in het gehuurde en had daarin zijn hoofdverblijf, maar was geen wettelijk of contractueel medehuurder.

2.3.

Over de periode van november 2019 tot en met augustus 2020 is een huurachterstand

ontstaan ter hoogte van € 1.200,83.

2.4.

Na het overlijden van de moeder van [gedaagde] op 29 juni 2020 heeft Woonplus met [gedaagde] een nieuwe huurovereenkomst gesloten, die is ingegaan op 1 september 2020.

2.5.

[gedaagde] is uit hoofde van die huurovereenkomst maandelijks, bij vooruitbetaling voor de eerste dag van elke maand, de huurprijs € 602,26 per maand aan Woonplus verschuldigd.

2.6.

[gedaagde] heeft vanaf de maand september 2020 een huurachterstand laten ontstaan.

2.7.

Bij brief van 2 november 2020 heeft Woonplus [gedaagde] een aanmaning gestuurd met betrekking tot de huurachterstand. In deze brief staat onder meer het volgende:

“(…) Woonplus heeft u al enige malen aangemaand voor het niet correct betalen van de huur, waardoor er een huurachterstand is ontstaan. Helaas heeft u aan onze verzoeken tot betaling geen gehoor gegeven.

(…) wij verzoeken u dan ook dringend er voor te zorgen dat de gehele huurachterstand ad € 2.431,03 aan ons te voldoen, binnen 14 dagen vanaf de dag nadat deze brief bij u is bezorgd, zodat voorkomen wordt dat een gerechtelijke procedure zal worden opgestart, waarbij alle kosten voor uw rekening zullen komen.(…)”

3. Het geschil

3.1.

Woonplus heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. te ontbinden de onderhavige huurovereenkomst om redenen van wanprestatie zijdens

[gedaagde] ;

b. [gedaagde] te veroordelen om de woning, staande en gelegen te [plaatsnaam] aan het adres [adres] binnen twee weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis met al wie

of wat zich daarin of daarop vanwege [gedaagde] mocht bevinden te ontruimen en te

verlaten en met overgifte der sleutels ter vrije en algehele beschikking van Woonplus te stellen, bij gebreke waarvan deze ontruiming gedwongen zal plaatsvinden door een

gerechtsdeurwaarder;

c. [gedaagde] te veroordelen om aan Woonplus te betalen, een bedrag van € 3.712,83, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.626,37 vanaf de dag der dagvaarding tot die

der algehele voldoening en voorts te vermeerderen met € 602,26, althans het periodieke

bedrag dat naar wettelijke bepalingen als huurprijs geldt voor het gehuurde, voor iedere maand dat [gedaagde] het onderwerpelijke pand na 1 januari 2021 in zijn bezit mocht

houden, alles met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

3.2.

Aan haar vordering heeft Woonplus - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd. In periode van november 2019 tot en met augustus 2020 is een huurachterstand ontstaan ter hoogte van € 1.200,83. [gedaagde] had toen hoofdverblijf in de woning en is daarom vanwege ongerechtvaardigde verrijking dit bedrag aan Woonplus verschuldigd. Daarnaast heeft [gedaagde] een huurachterstand laten ontstaan ter hoogte van € 2.425,54 en is hij ook dat bedrag aan Woonplus verschuldigd. Er is sprake van een ernstige en ook toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] in de nakoming van de huurovereenkomst. Woonplus vordert om die redenen de ontbinding van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst en dat [gedaagde] zal worden bevolen het gehuurde te ontruimen en te verlaten op een termijn van twee weken na betekening van het te wijzen vonnis. [gedaagde] is van rechtswege op de vervaldag van elke (onbetaald gebleven) huurmaand in verzuim komen te verkeren. De gemachtigde van Woonplus heeft hem op 2 november 2020 aangemaand tot betaling van de huurachterstand binnen een termijn van veertien dagen en hem erop gewezen dat hij, bij het uitblijven van betaling, een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zal worden. Omdat die brief niet tot betaling heeft geleid, maakt Woonplus aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten, die zij beperkt tot een bedrag van € 75,00 (inclusief btw). Woonplus maakt vanwege het verzuim van [gedaagde] ook aanspraak op wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW, die berekend tot en met 16 december 2020 € 11,46 bedraagt.

3.3.

[gedaagde] heeft de vordering op de rolzitting van 14 januari 2021 erkend. Verder heeft hij - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. [gedaagde] woonde bij zijn inmiddels overleden moeder. Hij heeft na haar overlijden direct geprobeerd de woning op zijn naam te krijgen. Voor zijn uitkering moest hij een huurcontract overhandigen. Door corona heeft dit alles lang geduurd. Op verzoek van en in overleg met Woonplus heeft [gedaagde] een aanvraag om schuldhulpverlening ingediend, daarom verbaast het hem dat hij is gedagvaard. De lopende huur kan [gedaagde] wel betalen.

3.4.

Op hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd, wordt hierna, voor zover voor de uitkomst van de procedure van belang, teruggekomen.

4. De beoordeling

4.1.

[gedaagde] is, hoewel deugdelijk opgeroepen, zonder enig bericht (van verhindering) niet verschenen bij de mondelinge behandeling. Uit een niet verschijnen van een partij kan de kantonrechter de gevolgtrekking maken die zij geraden acht.

4.2.

De door Woonplus gevorderde hoofdsom bestaat uit het bedrag van € 1.200,83, dat aan huurachterstand is ontstaan voordat zij met [gedaagde] de huurovereenkomst heeft gesloten, en een bedrag van € 2.425,54, dat [gedaagde] zelf aan huurachterstand heeft laten ontstaan.

4.2.1.

Bij het faxbericht van 9 maart 2021 heeft Woonplus een overzicht van de actuele huurachterstand van [gedaagde] overgelegd en gesteld dat hij de lopende huur niet voldoet en de schuld hiermee oploopt. Uit het overzicht volgt dat de huurachterstand van [gedaagde] zelf, berekend tot en met de maand maart 2021, € 3.635,56 bedraagt.

4.2.2.

Woonplus heeft voorts tijdens de mondelinge behandeling de grondslag van het door haar gevorderde bedrag van € 1.200,83 gewijzigd van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:211 BW) in huurachterstand als erfgenaam (voor wat betreft de maand maart 2020) en huurachterstand uit hoofde van voortgezet huurderschap als bedoeld in artikel 7:268 BW (voor wat betreft de maand augustus 2020).

4.2.3.

[gedaagde] is niet verschenen bij de mondelinge behandeling en hij heeft deze stellingen van Woonplus dan ook niet weersproken. Nu [gedaagde] bovendien de vordering op de rolzitting van 14 januari 2021 heeft erkend, gaat de kantonrechter in rechte uit van de juistheid van hetgeen Woonplus over de hoofdsom heeft gesteld en zal de vordering van het bedrag van € 1.200,83 toewijzen op grond van de door Woonplus gewijzigde grondslag en ook de gevorderde huurachterstand tot en met de maand december 2020 ad € 2.425,54. Dit betekent dat [gedaagde] aan Woonplus dient te betalen een hoofdsom van in totaal € 3.626,37.

4.3.

Op grond van artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van zijn verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Het betalen van de huur heeft daarbij te gelden als één van de essentiële verplichtingen van de huurder die voortvloeit uit de huurovereenkomst. Bij de beantwoording van de vraag of de ontbinding is gerechtvaardigd, kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn.

4.3.1.

De huurachterstand die [gedaagde] zelf heeft laten ontstaan bedraagt, berekend tot en met december 2020, vier maanden hetgeen in beginsel ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. Het is aan [gedaagde] om te onderbouwen waarom deze tekortkoming niet zou moeten leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst. Dit heeft [gedaagde] nagelaten. Daar komt bij dat de lopende huur niet iedere maand (tijdig) wordt betaald, wat blijkt uit de recente specificatie van Woonplus. Bovendien is er geen concreet uitzicht op het inlopen van de huurachterstand. Weliswaar heeft [gedaagde] - naar op de rolzitting gesteld - contact opgenomen met de schuldhulpverlening, maar hij heeft daarvan (nadien) geen andere stukken overgelegd dan de bevestiging van zijn aanvraag bij Stroomopwaarts en is ook niet verschenen op de mondelinge behandeling om een en ander toe te lichten.

4.3.2.

Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de kantonrechter niet van Woonplus worden verlangd dat de huurovereenkomst wordt voortgezet. Daarom zal de kantonrechter ook de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde toewijzen. De ontruimingstermijn wordt gesteld op veertien dagen.

4.4.

De gevorderde gebruikersvergoeding van € 602,26 zal de kantonrechter vanaf de maand januari 2021 toewijzen.

4.5.

Omdat [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd tegen de door Woonplus gevorderde wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW, zal de kantonrechter deze - als op de wet gegrond - toewijzen zoals in de beslissing vermeld.

4.6.

Woonplus maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering dient beoordeeld te worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding ad € 75,00 (inclusief btw) komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu in de verplichte aanmaning als bedoeld in artikel 6:96, zesde lid BW de hoogte van de verschuldigde buitengerechtelijke kosten niet correct is aangezegd. In die aanmaning, bovengenoemde brief van 2 november 2020, staat immers enkel dat alle kosten bij [gedaagde] in rekening zullen worden gebracht indien hij niet tijdig betaalt, maar daarbij heeft Woonplus nagelaten het bedrag van die kosten te vermelden.

4.7.

[gedaagde] wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, die tot aan deze uitspraak aan de zijde van Woonplus worden vastgesteld op € 609,96 aan verschotten (€ 102,96 aan dagvaardingskosten en € 507,00 aan griffierecht) en € 436,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten à € 218,00 per punt).

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Woonplus te betalen € 3.637,83 (aan achterstallige huur berekend tot en met de maand december 2020 en verschenen wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW), vermeerderd met de wettelijke rente over € 3.626,37 vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

ontbindt de bovengenoemde huurovereenkomst tussen partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen twee weken na de uitspraak van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege [gedaagde] daar bevinden en het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van Woonplus te stellen;

veroordeelt [gedaagde] om aan Woonplus te betalen € 602,26 met ingang van de maand januari 2021 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Woonplus vastgesteld op € 609,96 aan verschotten en € 436,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. D.L. Spierings en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44478