Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3852

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-04-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
AWB-21_1984
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoekster is met haar kinderen, die de Nederlandse nationaliteit hebben, rechtstreeks vanuit Marokko naar Nederland gekomen, zonder ooit eerder in Nederland of een EU-land te hebben verbleven. De minderjarige kinderen verblijven dan ook niet in een gastland waarvan zij niet de nationaliteit hebben, zoals artikel 3 van de Richtlijn vereist. Hetzelfde geldt ook voor verzoekster, als familielid van haar minderjarige kinderen. De Richtlijn 2004/38 is dan ook niet op verzoekster en haar kinderen van toepassing is. Verweerder kan dan ook niet artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38 aan verzoekster tegenwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 21/1984

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam verzoekster], te [woonplaats verzoekster], verzoekster,

gemachtigde: mr. O. Saraç,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. A. Hielkema.

Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verzoekster heeft een nader stuk ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2021.

Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens is verschenen [naam], tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten

1. Verzoekster is een alleenstaande ouder met twee kinderen (geboren in 2003 en 2005). Verzoekster heeft zich, na het overlijden van haar man eind 2020, komende vanuit Marokko in Nederland gevestigd met haar twee minderjarige kinderen die de Nederlandse nationaliteit hebben. Zij woont samen met haar kinderen in bij de dochter van haar overleden man. Op 13 maart 2021 heeft zij bij verweerder een bijstandsuitkering aangevraagd.

Standpunten

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verzoekster geen verblijfstitel heeft die recht geeft op bijstand. In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat verzoekster nog geen drie maanden in Nederland is. Verweerder is dan ook gelet op artikel 24 van de Richtlijn 2004/38/EG niet verplicht om gedurende de eerste drie maanden van verblijf bijstand toe te kennen aan een (gezinslid) van een Unieburger.

3. Verzoekster is niet overtuigd van de juistheid van het bestreden besluit, omdat zij aan alle voorwaarden voldoet en woonachtig is binnen de gemeente Rotterdam. Verzoekster heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend op basis van het arrest Chavez-Vilchez van 10 mei 2017 (ECLI:EU:C:2017:354). Dit betekent dat een Nederlands kind, burger van de Unie, niet door het weigeren van verblijf aan de derdelander ouder genoodzaakt zou kunnen worden het grondgebied van de Unie te verlaten. Op basis van het genoemde arrest is het verblijfsrecht waar verzoekster een beroep op doet een declaratoir verblijfsrecht. Het declaratoir verblijfsrecht bevestigt slechts het al bestaande verblijfsrecht dat verzoekster heeft. Zonder het afwachten van een verblijfsvergunning kan er ook bijstand worden verstrekt aan een alleenstaande derdelander met minderjarige Nederlandse kinderen. Verder is verzoekster van mening dat zij niet valt onder het toepassingsbereik van de Richtlijn 2004/38/EG, zodat de in artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn genoemde drie maanden termijn niet op haar van toepassing is. Verder doet verzoekster een beroep op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), ECLI:NL:CRVB:2017:2420. Tevens verwijst verzoekster naar artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en doet zij een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Wettelijk kader

4.1

Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.

4.2.

Op grond van artikel 3 van Richtlijn 2004/38/EG (Richtlijn 2004/38) is deze richtlijn van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2), die hem begeleiden of zich bij hem voegen.

Op grond van artikel 24, eerste lid, van de Richtlijn 2004/38, onverminderd specifieke, in het Verdrag en het afgeleide recht uitdrukkelijk opgenomen bepalingen, geniet iedere burger van de Unie die op basis van deze richtlijn op het grondgebied van een gastland verblijft, binnen het toepassingsgebied van het Verdrag dezelfde behandeling als de onderdanen van dat gastland. Dit recht geldt ook voor familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die verblijfsrecht of duurzaam verblijfsrecht genieten.

Op grond van het tweede lid is, in afwijking van het eerste lid, het gastland niet verplicht een recht op sociale bijstand toe te kennen, gedurende de eerste drie maanden van verblijf of, in voorkomend geval de in artikel 14, vierde lid, onder b), bedoelde langere periode, noch is het verplicht om vóór de verwerving van het duurzame verblijfsrecht steun voor levensonderhoud toe te kennen voor studies, inclusief beroepsopleiding, in de vorm van een studiebeurs of - lening, aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen, of personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden.

4.3.

Artikel 11, eerste lid, van de Pw bepaalt dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

Artikel 11, tweede lid van de Pw bepaalt - voor zover hier van belang – dat met de in het eerste lid bedoelde Nederlander wordt gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000).

Spoedeisend belang

5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening, nu zij naast het feit dat zij geen bijdrage kan leveren aan de kosten van levensonderhoud in het gezin waar zij verblijft ook geen noodzakelijke schoolspullen kan kopen voor haar minderjarige kinderen.

Beoordeling

6. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraken van 27 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2240) en 15 mei 2018 (ECLI:NL: CRVB:2018:1704) is het de primaire verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris (IND) om te beoordelen of vreemdelingen hier te lande rechtmatig verblijven. Het beginsel van Unietrouw, zoals verwoord in artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VWEU), brengt mee dat de autoriteiten van de lidstaten met elkaar in overleg treden met het oog op een nuttige toepassing van het Unierecht. Dit geldt des te meer voor autoriteiten binnen een lidstaat. Het ligt dan ook bij de beoordeling van het recht op bijstand van een betrokkene op de weg van het bijstandverlenende orgaan om in overleg met de Staatssecretaris te onderzoeken of betrokkene aan het recht van de Unie een verblijfsrecht hier te lande kan ontlenen en dus rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw2000 en voor toepassing van de Pw met een Nederlander gelijk moet worden gesteld.

7. Niet in geschil is dat verzoekster de Marokkaanse nationaliteit heeft en dat zij zich met haar twee minderjarige kinderen die de Nederlandse nationaliteit hebben in Nederland heeft gevestigd. De kinderen van verzoekster zijn, zo heeft zij verklaard, in december 2020 rechtstreeks vanuit Marokko naar Nederland gekomen, zonder ooit eerder in Nederland of een EU-land te hebben verbleven. Verzoekster is in januari 2021 op grond van een visum naar Nederland gekomen.

Evenmin is in geschil dat verzoekster derdelander is en op 25 januari 2021 een aanvraag heeft gedaan op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat zij, gelet op het stempel in haar paspoort, al op 14 januari 2021 in Nederland is aangekomen. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard ook contact te hebben gehad met de IND over de verblijfscode. Zolang nog niet op de aanvraag van

25 januari 2021 is beslist geldt voor verzoekster verblijfscode 30. Deze code houdt in: Vw 2000 art.8, onder e, toetsing aan het gemeenschapsrecht, arbeid vrij”.

Gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is besproken is het niet onwaarschijnlijk dat verzoekster gelet op het arrest Chavez-Vilchez een verblijfsrecht aan het Unierecht kan ontlenen en dat na de beoordeling van de aanvraag van 25 januari 2021 een verblijfsdocument zal worden verstrekt.

8. De voorzieningenrechter kan verweerder niet volgen in zijn betoog dat Richtlijn 2004/38 op verzoekster van toepassing is. Deze Richtlijn is van toepassing op EU-burgers die zich naar een ander EU-land, het gastland, begeven dan wel daar verblijven. Verzoekster stelt dat haar kinderen, die de Nederlandse nationaliteit hebben, in december 2020 rechtstreeks vanuit Marokko naar Nederland zijn gekomen, zonder ooit eerder in Nederland of een EU-land te hebben verbleven. Verweerder heeft dat niet betwist. Verzoekster is, zo is ter zitting gebleken, in januari 2021 vanuit Marokko naar Nederland gekomen. De minderjarige kinderen verblijven dan ook niet in een gastland waarvan zij niet de nationaliteit hebben, zoals artikel 3 van de Richtlijn vereist. Hetzelfde geldt ook voor verzoekster, als familielid van haar minderjarige kinderen. De Richtlijn 2004/38 is dan ook niet op verzoekster en haar kinderen van toepassing is. Verweerder kan dan ook niet artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38 aan verzoekster tegenwerpen.

De verwijzing naar deze bepaling van Richtlijn 2004/38/EG kan dan ook niet (mede) aan het bestreden besluit ten grondslag worden gelegd.

9. Voorts dient te worden beoordeeld of er aanleiding is om een voorlopige voorziening te treffen. Uit overweging 7. en 8. volgt dat verzoekster naar alle waarschijnlijkheid gezien het arrest Chavez-Vilchez verblijfsrecht aan het Unierecht kan ontlenen. Voorts kan haar artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn 2004/38 niet worden tegengeworpen. Ervan uitgaande dat de belangen van verzoekster die de zorg heeft voor haar minderjarige schoolgaande kinderen zwaar wegen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder dient met ingang van de datum van het verzoek om voorlopige voorziening, te weten 7 april 2021, aan verzoekster voorschotten toe te kennen naar de voor haar geldende norm, waarbij rekening moet worden gehouden met het feit dat zij inwoont bij familie en zij (mogelijk) als kostendeler moet worden aangemerkt. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat verweerder de voorschotten ook in de vorm van een lening kan verstrekken.

10. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

11. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en treft de voorlopige voorziening

zoals omschreven in overweging 9;

- bepaalt dat verweerder aan verzoekster het betaalde griffierecht van € 49,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van

€ 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. van den Berg, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 30 april 2021.

De griffier en de voorzieningenrechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.