Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3838

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
30-04-2021
Zaaknummer
ROT 20/3730
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten, technisch sepot, toetsingskader, motiveringsgebrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/3730


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. D. Vermaat,

en

de korpschef van politie (de politiechef van de regionale eenheid Amsterdam), verweerder,

gemachtigde: [naam] .

Procesverloop

In het besluit van 24 oktober 2019 (primair besluit) heeft verweerder de door Securitas Nederland B.V. ten behoeve van eiser gevraagde toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten afgewezen.

In het besluit van 4 juni 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 25 juli 2019 heeft verweerder een aanvraag om toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wbpr) van Securitas Nederland B.V. ontvangen ten behoeve van eiser. In het primaire besluit heeft verweerder deze toestemming aan eiser onthouden. De onthouding van de toestemming vindt zijn grondslag in artikel 7, vierde lid, van de Wbpr in samenhang met paragraaf 3.3 onder a en b van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 (beleidsregel). Uit het onderzoek naar de betrouwbaarheid van eiser, waarbij onder andere het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) en de politiegegevens zijn geraadpleegd, zijn namelijk vier feiten naar voren gekomen.

1. Het besturen van een motorvoertuig terwijl het rijbewijs ongeldig is verklaard op 17 april 2017. Deze zaak is op 18 april 2017 geseponeerd wegens onvoldoende bewijs (feit één).

2. Het besturen van een motorvoertuig terwijl het rijbewijs ongeldig is verklaard op 18 mei 2017. Eiser is hiervoor op 4 september 2017 veroordeeld tot 1 week gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en 20 uur taakstraf subsidiair 10 dagen hechtenis (feit twee).

3. Het rijden onder invloed van alcohol (560 ug/l) op 7 juni 2015. Eiser heeft hiervoor op 9 juni 2016 door de politierechter een geldboete van € 650,- subsidiair 13 dagen hechtenis opgelegd gekregen (feit drie).

4. Het rijden onder invloed van alcohol (480 ug/l) op 15 april 2018 (feit vier).

Verweerder motiveert het primaire besluit verder met de overweging dat de door eiser gepleegde feiten door hem ernstig worden gevonden en deze eiser onvoldoende betrouwbaar maken. Hierbij overweegt verweerder dat artikel 7, vierde lid, van de Wbpr stelt dat toestemming wordt onthouden als iemand niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het uitvoeren van de betreffende werkzaamheden.

2. Verweerder legt aan het bestreden besluit, in aanvulling op het primaire besluit, ten grondslag dat eiser door meerdere rechtsregels te overtreden en dit ook bij herhaling te doen (rijden onder invloed) heeft aangetoond niet over de nodige betrouwbaarheid te beschikken. Ook heeft eiser inmiddels, op 17 oktober 2019, een strafbeschikking van € 300,- opgelegd gekregen voor feit vier. Verweerder heeft een belangenafweging gemaakt en geconcludeerd dat het belang van betrouwbare veiligheidszorg zwaarder weegt dan de belangen van eiser.

3. De voor deze zaak toepasselijke wet- en regelgeving zijn opgenomen in de aan deze uitspraak gehechte bijlage.

4. De rechtbank stelt voorop dat verweerder beoordelingsvrijheid heeft bij de beoordeling of de betrokkene voldoende betrouwbaar is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:326). Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1871), worden aan medewerkers in de beveiligingsbranche, gelet op de aard van deze branche, hogere eisen gesteld dan aan medewerkers in willekeurige andere betrekkingen. Dit betekent dat verweerder als beoordelingsmaatstaf mag hanteren dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven dient te zijn.

5.1

Eiser voert aan dat feit één niet meegenomen had mogen worden in de beoordeling van het bestreden besluit. Hier was namelijk sprake van een misverstand. De zaak is al een dag later geseponeerd, omdat eiser wel in het bezit was van een geldig rijbewijs.

5.2

De rechtbank stelt vast dat in paragraaf 3.3, onder b, van de beleidsregel is opgenomen dat sepotbeslissingen bij de besluitvorming kunnen worden betrokken. Hierbij staat voorop dat sepots geen uitsluitsel geven over de strafbaarheid van de verdachte. Verweerder dient zich dan ook te allen tijde rekenschap ervan te geven dat het enkele gegeven dat iemand als verdachte is aangemerkt niet betekent dat diegene daadwerkelijk strafbaar heeft gehandeld. Het enkele feit dat eiser werd verdacht van het besturen van een voertuig zonder rijbewijs, zegt dus op zichzelf bezien niets over de betrouwbaarheid en de integriteit van eiser. Slechts als de processen-verbaal leiden tot een serieuze verdenking van eiser, kunnen zij ertoe leiden dat verweerder eiser onvoldoende betrouwbaar of integer kan achten. Het vereiste dat een serieuze verdenking moet bestaan is opgenomen in de beleidsregel.

5.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder feit één ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Hierbij is van belang dat sprake is van een sepot wegens onvoldoende bewijs, oftewel een technisch sepot. Verweerder heeft onvoldoende onderbouwd waarom dit sepot, dat geen beleidssepot is, desondanks toch kan worden meegenomen in de beoordeling. Verweerder heeft geen nader onderzoek gedaan naar de onderliggende feiten. Het enkele gegeven dat eiser een maand later is aangehouden, en vervolgens enkele maanden later veroordeeld, voor een zelfde feit (feit twee) levert naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanwijzing dat eiser op 17 april 2017 een strafbaar feit heeft begaan. De beroepsgrond slaagt. Dit leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met het in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgenomen motiveringsbeginsel. De rechtbank zal vervolgens op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb bezien of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.

6.1

Eiser voert aan dat de feiten twee, drie en vier niet meegenomen hadden mogen worden in de beoordeling van het bestreden besluit. Ten aanzien van feit twee was sprake van een misverstand. Eiser is hier niet bijgestaan door een advocaat en wilde de zaak zo snel mogelijk afhandelen. Bij feit drie is slechts € 650,- boete opgelegd en deze overtreding heeft meer dan vier jaar geleden plaatsgevonden en valt dus buiten de terugkijktermijn. Eiser erkent feit vier en stelt hiervoor al ernstig gestraft te zijn.

6.2

Ten aanzien van de feiten twee, drie en vier stelt de rechtbank allereerst vast dat deze feiten alle drie onder de a-grond vallen. Dat betekent dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte als dragende overweging heeft opgenomen dat eiser meerdere rechtsregels naast zich neer heeft gelegd waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Dit criterium is immers ontleend aan het in de beleidsregel opgenomen toetsingskader voor de b-grond. Ook in zoverre is sprake van een ondeugdelijke motivering van het bestreden besluit.

6.3

De rechtbank is vervolgens van oordeel dat verweerder, op grond van paragraaf 3.3, onder a, van de beleidsregel, de feiten twee, drie en vier aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Eiser heeft de veroordelingen ten aanzien van deze feiten niet betwist en heeft niet betwist dat deze feiten alle drie als a-grond onder de beleidsregel kunnen worden beschouwd. De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat ten aanzien van feit twee sprake is van een misverstand, omdat uitgegaan mag en moet worden van de justitiële documentatie. Dat eiser ervoor heeft gekozen om te procederen zonder rechtsbijstand en niet in hoger beroep is gegaan, dient voor zijn rekening en risico te komen. Ook volgt de rechtbank eiser niet in de stelling dat feit drie buiten de terugkijktermijn valt. De veroordeling voor dit feit heeft namelijk plaatsgevonden op 9 juni 2016 en het bestreden besluit is genomen op 4 juni 2020. De rechtbank volgt eiser evenmin in de stelling dat een boete van € 650,- niet meegenomen mag worden. De hoogte van de straf die eiser heeft gekregen van de strafrechter speelt geen, of in ieder geval geen doorslaggevende, rol. Deze beroepsgronden falen.

7.1

Eiser voert in beroep aan dat door het bestreden besluit hem de mogelijkheid wordt ontnomen om weer volledig maatschappelijk te gaan functioneren. Eiser heeft in persoonlijk opzicht een moeilijke periode achter de rug. De aangevraagde toestemming is een belangrijke motivatie om zijn leven weer op te pakken. Er zijn humanitaire redenen die ertoe moeten leiden dat de toestemming wordt verleend. Weigering van de toestemming voelt als een driedubbele straf, aldus eiser.

7.2

Voor zover eiser hier heeft bedoeld om een beroep te doen op artikel 4:84 van de Awb en heeft bedoeld te stellen dat handelen door verweerder overeenkomstig zijn beleidsregel voor eiser gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot met de beleidsregel te dienen doelen, is de rechtbank van oordeel dat uit het bestreden besluit voortvloeit dat van een dergelijke situatie geen sprake is. Verweerder heeft in de recente persoonlijke ontwikkelingen van eiser, waaronder dat hij een moeilijke periode achter de rug heeft en zijn leven weer op wil pakken, geen aanleiding hoeven zien om doorslaggevend belang toe te kennen aan het (financiële) belang van eiser, dit gelet op het met de beleidsregel te dienen doel dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven dient te zijn. De beroepsgrond faalt.

8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de betrouwbaarheid en integriteit van eiser niet boven iedere twijfel verheven is. Gelet op het imperatieve karakter van artikel 7, vierde lid, van de Wbpr leidt dit ertoe dat verweerder terecht de gevraagde toestemming aan eiser heeft onthouden.

9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb maar dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting). Die punten hebben een waarde van € 534,- bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.068,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van mr. F. van Ommeren, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2021.

de griffier is buiten staat de rechter is verhinderd te tekenen

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage: juridisch kader

De Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

Artikel 7

(…)

2. Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid stelt geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. Indien de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd op een luchtvaartterrein, wordt de toestemming, bedoeld in de eerste volzin, verleend door de commandant van de Koninklijke marechaussee.

(…)

4. De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk. Indien de desbetreffende persoon een ambtenaar is als bedoeld in artikel 5, derde lid, wordt de toestemming slechts onthouden indien deze persoon niet beschikt over de benodigde bekwaamheid. Voor de tewerkstelling van de overige opsporingsambtenaren wordt de toestemming slechts verleend na het overleggen van de ontheffing, bedoeld in artikel 5, vierde lid, en indien de desbetreffende persoon beschikt over de benodigde bekwaamheid.

De Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus luiden – voor zover hier van belang – als volgt:

Artikel 3.3. Betrouwbaarheid personeel en leidinggevenden

De toestemming aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau om personen te werk stellen, zoals bedoeld in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de wet wordt onthouden indien bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid blijkt van:

a. veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken;

b. andere omtrent de aanvrager bekende feiten.

Ad a. (veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken)

De persoon waarvoor toestemming wordt gevraagd mag op het moment van de aanvraag niet:

1) binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd of,

2) binnen vier jaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete of een taakstraf is opgelegd

Verlenging terugkijktermijn

Wanneer de aanvrager gedurende de voor zijn aanvraag relevante terugkijktermijn enige tijd een vrijheidsstraf heeft ondergaan wordt de van toepassing zijnde terugkijktermijn (telkens) vermeerderd met de feitelijke duur van de vrijheidsbeneming. Dit totdat de termijn bestaat uit in totaal vier dan wel acht jaren, waarin geen sprake is geweest van een vrijheidsbenemende straf. De betrokkene heeft immers gedurende de duur van de vrijheidsbenemende straf niet kunnen laten zien dat hij geen (relevante) strafbare feiten meer zal plegen.

Transacties en strafbeschikkingen

Een transactie met het Openbaar Ministerie en een strafbeschikking, opgelegd door het Openbaar Ministerie of door een opsporingsambtenaar, worden gelijk gesteld met een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.

(…)

Andere rechterlijke uitspraken dan veroordelingen

Met betrekking tot rechterlijke uitspraken die niet tot een veroordeling hebben geleid, kan gedacht worden aan zaken waarbij het tot een vrijspraak is gekomen wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Die situatie zal in het algemeen minder snel aanknopingspunten bieden om een toestemming te weigeren. Een vrijspraak wil echter niet zonder meer zeggen dat de verdachte het feit niet heeft gepleegd, maar dat de rechter niet voldoende bewezen acht dat de verdachte het feit gepleegd heeft. De korpschef kan in bepaalde gevallen ook na een vrijspraak nog altijd reden hebben om de persoon waarvoor toestemming wordt gevraagd niet betrouwbaar te achten. In het algemeen is het wel zo dat een vrijspraak extra zware eisen zal stellen aan de motivering van de weigering van de toestemming.

Ad b. (andere omtrent de aanvrager bekende feiten)

De toestemming kan ook worden geweigerd wanneer op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten dan wel onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden. Dit zal met name -maar niet uitsluitend- het geval zijn wanneer betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde.

Sepots, processen-verbaal en mutaties

Zo kunnen (tegen betrokkene) opgemaakte processen-verbaal of (dag/mutatie)rapporten ertoe leiden dat betrokkene onvoldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking (of bedenking) bestaat.

Ook sepots kunnen een rol spelen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid. Hierbij dient de aard van het sepot in ogenschouw te worden genomen. Een technisch sepot, bijvoorbeeld wegens onvoldoende bewijs, zal bij de beoordeling naar de betrouwbaarheid een minder grote rol spelen dan een sepotbeslissing die op beleidsmatige gronden is genomen. In het geval dat een sepot wordt meegenomen in de beoordeling, wordt voor wat betreft de terugkijktermijn als uitgangspunt genomen de datum waarop het Openbaar Ministerie de beslissing heeft genomen de zaak te seponeren.

(…)