Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3835

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-04-2021
Datum publicatie
30-04-2021
Zaaknummer
10/996717-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Art. 98 Sv. In beslag genomen factuur van een plastisch chirurgische ingreep moet worden aangemerkt als geheimhoudersstuk. De uitzondering van art. 98 lid 5 Sv wordt niet van toepassing geoordeeld. Ook geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken waardoor het verschoningsrecht ten aanzien van de factuur moet wijken voor het belang van waarheidsvinding. Beklag is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/996717-19

Raadkamernummer: 20/338

Beschikking van de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, op het klaagschrift van:

[naam klager] , (klager)

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

voor deze zaak domicilie kiezende te Paalsesteenweg 81, B-3580 te Beringen (België),

ten kantore van zijn raadlieden mrs. L. Gyzelaers en N. Simons.

Feiten en procedure

In het strafrechtelijke onderzoek ‘Kurripako’ is een factuur van de Wellness Kliniek van 18 september 2019 in beslag genomen. Het betreft een factuur voor verrichtingen van de klager, die werkt bij genoemde kliniek, in verband met een borstvergroting. De geheimhouder officier van justitie heeft aan de rechter-commissaris gevraagd of de factuur aan het onderzoeksteam kan worden vrijgegeven.

De rechter-commissaris heeft vervolgens per brief van 20 december 2019 de Wellness Kliniek als mogelijk verschoningsgerechtigde uitgenodigd zich uit te laten over de in beslag genomen factuur. Hierop is van de Wellness Kliniek noch de klager een reactie ontvangen.

Bij beschikking van 8 januari 2020 heeft de rechter-commissaris geoordeeld dat de factuur in beslag genomen kan worden en aan het onderzoeksteam ter beschikking gesteld kan worden. Deze beschikking is bij brief van dezelfde datum verzonden aan de Wellness Kliniek.

Op 3 februari 2020 is namens de klager tegen de beschikking van 8 januari 2020 een klaagschrift ex artikel 98 Sv ingediend.

Het klaagschrift is op 9 april 2021 door de raadkamer behandeld. De klager en zijn advocaten (allen via een digitale verbinding) en de officier van justitie mr. A.C. Schaafsma zijn gehoord.

Standpunt klager en officier van justitie

Het klaagschrift keert zich tegen de inbeslagneming en terbeschikkingstelling van de factuur. Daartoe is aangevoerd dat deze is opgesteld in het kader van de medische prestaties van de klager en daarom valt onder zijn medische beroepsgeheim en dat hij zich verzet tegen de inbeslagname.

De officier van justitie heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de klager en subsidiair tot ongegrondverklaring van het beklag.

Ontvankelijkheid

De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat de beschikking van 8 januari 2020 is betekend en dat de brieven van de rechter-commissaris niet rechtstreeks zijn geadresseerd aan de klager. Mocht er al sprake zijn van overschrijding van de termijn van 14 dagen waarbinnen een klaagschrift tegen genoemde beschikking moest worden ingediend, dan acht de rechtbank deze overschrijding, gelet op het voorgaande, verschoonbaar. Het klaagschrift is dus tijdig ingediend. De klager is ontvankelijk.

Beoordeling klacht

Op grond van artikel 98 Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning zonder hun toestemming stukken waartoe hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen. Een uitzondering daarop betreffen stukken die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend. De aard van de bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of stukken object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken in beginsel toekomt aan de verschoningsgerechtigde. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om stukken waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, moet daarvan worden uitgegaan. Behalve als er redelijkerwijze geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.

De klager stelt zich op het standpunt dat het gaat om een stuk dat valt onder zijn geheimhoudingsplicht als behandelend arts. Omdat het een factuur uit een medisch dossier van een patiënt betreft, ziet de rechtbank geen reden om aan de juistheid daarvan te twijfelen. De factuur valt dan ook onder de aan de klager toekomende bevoegdheid tot verschoning. Het is in beslag genomen in het kader van een verdenking van het witwassen. Niet kan worden vastgesteld dat de factuur contant is voldaan en evenmin of het wellicht een noodzakelijk medische ingreep was. Anders dan de rechter-commissaris heeft de rechtbank op grond van de stukken van het dossier en de toelichting van de officier van justitie op de zitting dan ook niet kunnen vaststellen dat het hier gaat om een geheimhoudersstuk waarop de uitzondering als bedoeld in artikel 98 lid 5 Sv van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank is dat ook niet zonder meer inzichtelijk, in aanmerking genomen dat de factuur ziet op een betaling die reeds had plaatsgevonden. De enkele omstandigheid dat een in beslag genomen stuk kan bijdragen aan de waarheidsvinding, zo dat hier al het geval zou zijn, brengt niet mee dat dat stuk voorwerp van het strafbare feit uitmaakt of tot het begaan daarvan heeft gediend. Ook is gesteld noch gebleken dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waardoor het verschoningsrecht ten aanzien van dit schriftelijk stuk moet wijken voor het belang van waarheidsvinding. Het beklag wordt daarom gegrond verklaard.

Beslissing

De rechtbank:

vernietigt de beschikking van de rechter-commissaris van 8 januari 2020;

verklaart het beklag gegrond.

Deze beschikking is gegeven door mr. V.F. Milders, voorzitter,

en mrs. A.M.G. van de Kragt en M.M. Dolman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A-L.H. Wilkens, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2021.

De oudste rechter, de jongste rechter en de griffier zijn niet in staat mede te ondertekenen.