Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3834

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-04-2021
Datum publicatie
30-04-2021
Zaaknummer
10/750132-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Art. 6::6:26 Sv (577b oud). Verzoek tot kwijtschelding dan wel matiging van de opgelegde betalingsverplichting in verband met een ontnemingsmaatregel. Toewijzing van het matigingsverzoek, gelet op de verklaring van de verzoeker, het ontnemingsvonnis en het arrest van het hof in de ontnemingszaak van de medeverdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/750132-10

Raadkamernummer: 19/2732

Beslissing van de rechtbank te Rotterdam, meervoudige raadkamer, op het verzoekschrift op grond van artikel 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[naam verzoeker] (verzoeker),

geboren te [geboorteplaats verzoeker] op [geboortedatum verzoeker] ,

wonende te ( [postcode verzoeker] ) [woonplaats verzoeker] , [adres verzoeker] ,

voor deze zaak domicilie kiezende te (1016 AH) Amsterdam, Singel 362,

ten kantore van zijn raadsvrouw mr. J.R. Kramer.

Procedure

Op 18 oktober 2019 is op grond van artikel 577b (oud) Sv een verzoekschrift ingediend. De rechtbank heeft dit opgevat als een verzoekschrift als bedoeld in het per 1 januari 2020 in werking getreden art. 6:6:26 Sv.

Het klaagschrift is op 9 april 2021 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De verzoeker, zijn raadsvrouw en de officier van justitie mr. D.N.G. Woei-A-Tsoi, zijn gehoord.

Feiten

Bij vonnis van de meervoudige strafkamer in deze rechtbank van 21 november 2013 is een wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld van € 64.147,50 en is aan verzoeker een betalingsverplichting van € 64.147,50 opgelegd.

Inhoud van het verzoek

Op grond van (nu) art. 6:6:26 lid 1 Sv wordt verzocht om het te betalen bedrag kwijt te schelden dan wel (subsidiair) de betalingsverplichting te verminderen vanwege de betalingsonmacht van de verzoeker. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat hij volledig arbeidsongeschikt is, dat hij een Wajong-uitkering ontvangt en dat hij vanwege een hoge belastingschuld leeft van zijn beslagvrije voet. De betalingsregeling van € 25,- per maand die hij met het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) heeft afgesproken, valt hem zwaar. Kortom, hij heeft onvoldoende draagkracht en zal dit naar verwachting in de toekomst ook niet hebben.

Subsidiair wordt verzocht om de betalingsverplichting te matigen op grond van (nu) art. 6:6:26 lid 2 Sv, omdat door de rechtbank in het vonnis van 21 november 2013 een hoger bedrag is vastgesteld dan de som van het werkelijke voordeel. Het gerechtshof heeft namelijk in de ontnemingszaak van de medeverdachte bepaald dat het ontnemingsbedrag niet op transactiebasis kon worden vastgesteld, maar dient te worden berekend door middel van vermogensvergelijking, omdat niet kon worden aangesloten bij de verklaringen van aangeefsters. Bij de verzoeker moet daarvan ook worden uitgegaan. Dat betekent dat moet worden uitgekomen op een bedrag van € 5.000,-.

Het standpunt van de officier van justitie

De verzoeken moeten worden afgewezen. De gestelde ontbrekende draagkracht van de verzoeker is onvoldoende aangetoond. Verder moet worden uitgegaan van de berekening in het onherroepelijke ontnemingsvonnis. Omdat het geen gelijke gevallen betreft, kan niet worden aangesloten bij het arrest in de ontnemingszaak van de medeverdachte. Zij had namelijk een andere proceshouding dan de verzoeker, die pas vandaag heeft bekend dat hij geld heeft verdiend aan de feiten waarvoor hij is veroordeeld. Dat is te laat.

Beoordeling

Voor kwijtschelding of vermindering in de zin van art. 6:6:26 lid 1 Sv is ruimte als vaststaat dat de verzoeker niet tot betaling in staat is en in de nabije toekomst ook niet zal zijn. Het is aannemelijk dat hij op een Wajong-uitkering aangewezen blijft. Ook het beslag op die uitkering maakt dat de financiële omstandigheden waarin de verzoeker zich bevindt moeilijk zijn. De rechtbank acht die omstandigheden echter niet dusdanig dat kan worden gezegd dat sprake is van betalingsonmacht zoals vereist. Hij houdt weliswaar niet veel over om van te leven, maar hij is in staat om de met het CJIB overeengekomen betalingsregeling na te komen. Daarbij komt dat als hij de schuld bij de fiscus heeft afgelost er meer financiële ruimte zal ontstaan. Een en ander brengt de rechtbank tot het oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de draagkracht van de verzoeker onvoldoende is of in de toekomst onvoldoende zal zijn om aan de hem opgelegde betalingsverplichting (geheel) te voldoen. Het verzoek op grond van artikel 6:6:26 lid 1 Sv wordt dan ook afgewezen.

Ten aanzien van het verzoek op grond van artikel 6:6:26 lid 2 Sv wordt het volgende overwogen. Bij ontnemingsvonnis van 21 november 2013 heeft de rechtbank de berekende netto-opbrengst pondspondsgewijs aan de verzoeker en de medeverdachte toegerekend. In het hoger beroep van de medeverdachte heeft het gerechtshof bij arrest van 22 september 2015 geoordeeld dat de door de rechtbank gebruikte transactiebasis-methode, waarin de verklaringen van aangeefsters als uitgangspunt zijn genomen, niet geschikt was om tot een betrouwbare schatting te komen van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het gerechtshof heeft vervolgens door middel van de methode van vermogensvergelijking het wederrechtelijk verkregen voordeel van de medeverdachte vastgesteld op € 4.700,-.

De verzoeker heeft op zitting voor het eerst verklaard dat hij in totaal € 5.000,- a € 6.000,- heeft verdiend met de bewezen verklaarde feiten. Uit het financiële deelonderzoek volgt dat een bedrag van € 10.680,- aan onverklaarbare contante stortingen zijn gedaan op de bankrekening van de verzoeker. Een deel van dat geld zou hij naar eigen zeggen hebben verdiend met kickbokswedstrijden. Anders dan de officier van justitie wordt in de gewijzigde proceshouding van de verzoeker geen aanleiding gezien om zijn verklaring buiten beschouwing te laten. Die verklaring in samenhang bezien met het pondspondsoordeel van de rechtbank én de berekening van het gerechtshof in de zaak van de medeverdachte brengen de rechtbank tot het oordeel dat de betalingsverplichting moet worden verminderd tot een bedrag van € 4.700,-. In zoverre wordt het verzoek toegewezen. Voor zover is aangevoerd dat de verzoeker de vorderingen van de benadeelde partijen heeft betaald, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Dat deze betalingen hebben plaatsgevonden, kan namelijk niet worden vastgesteld.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot matiging toe, met dien verstande dat de aan de verzoeker bij beslissing van deze rechtbank van 21 november 2013 opgelegde verplichting tot betaling van

€ 64.147,50 aan de Staat ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel wordt verminderd tot een bedrag van € 4.700,- (vierduizend zevenhonderd euro);

wijst het verzoek voor het overige af.

Deze beslissing is genomen door

mr. V.F. Milders, voorzitter,

en mrs. A.M.G. van de Kragt en M.M. Dolman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A-L.H. Wilkens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 april 2021.

De oudste rechter, de jongste rechter en de griffier zijn niet in staat mede te ondertekenen.