Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3797

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
C/10/605918 / HA ZA 20-991
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering ontbinding koopovereenkomst inzake levering bunkers VLSFO (brandstof) en terugbetaling koopprijs toegewezen omdat VLSFO niet aan specificaties voldeed (off spec).

Alsnog nakomen is blijvend onmogelijk omdat tijdsbevrachtingsovereenkomst ten einde liep en schip teruggeleverd diende te worden aan eigenaar.

Beroep op exoneratieclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Leerstukken voordeelstoerekening en eigen schuld niet van toepassing omdat het geen geval van wettelijke verplichting tot schadevergoeding betreft.

Slechts de wettelijke rente, niet de wettelijke handelsrente (ex art. 6:119a BW), wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/605918 / HA ZA 20-991

Vonnis van 28 april 2021

in de zaak van

de vennootschap naar buitenlands recht

COCKETT MARINE OIL (ASIA) PTE LTD,

gevestigd te Singapore,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A. Jumelet te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ORIM ENERGY B.V.,

gevestigd te Bergen op Zoom,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. E.C.G. van Loon te Etten-Leur.

Partijen zullen hierna Cockett en Orim genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 5 augustus 2020, met producties 1 t/m 17;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met producties 1 t/m 10;

  • -

    de oproepingsbrief van de rechtbank van 17 december 2020;

  • -

    de brief van de rechtbank van 8 januari 2020 (zittingsagenda);

  • -

    de brief van mr. Yesildag namens Cockett van 25 januari 2021 met productie 12;

  • -

    de spreekaantekeningen van mr. Yesildag;

  • -

    de spreekaantekeningen van mr. Van Loon;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 februari 2021;

  • -

    het B-formulier van Orim van 23 februari 2021 met het verzoek een nadere akte te nemen;

  • -

    het B-formulier van Cockett van 24 februari 20210 waarin zij tegen dit verzoek bezwaar maakt en vonnis vraagt;

1.2.

De rechtbank heeft het verzoek van Orim afgewezen en heeft vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Op 17 januari 2020 hebben Cockett als koper en Orim als verkoper een overeenkomst gesloten voor de levering van (bunkers met) very low sulphur fuel oil, (hierna: VLSFO) aan het motorschip “[naam schip]’’ (hierna ook: het schip) in Antwerpen. De koopprijs bedroeg USD 402.053,91 (788.341 Mt VLSFO x USD 510,=). De General Conditions of the Dutch Association of Independent Bunker Suppliers, (hierna: de NOVE- bunkercondities) zijn van toepassing op de overeenkomst tussen partijen.

2.2.

Cockett heeft op haar beurt als verkoper een overeenkomst gesloten met RWE Supply & Trading GmbH (hierna: RWE), zijnde de tijdbevrachter van het schip, ter zake van dezelfde bunkers.

2.3.

Bunkering/ levering van de VLSFO vond namens Orim en per “barge” rechtstreeks plaats op 27 januari 2020 in Antwerpen, aan boord van het motorschip [naam schip].

2.4.

De geleverde bunkers VLSFO zijn na levering getest. Er is een aantal monsters genomen op het schip zelf, de zogenaamde Ship’s Samples. Op 29 januari 2020 is een Ship’s Sample getest door Veritas Petroleum Services (hierna: VPS). Uit de testresultaten volgde dat de VLSFO niet voldeed aan de gestelde normen volgens ISO 8217:2010 en daarmee off spec was. Cockett en door haar Orim zijn hiervan op 12 februari 2020 op de hoogte gesteld.

2.5.

Het Barge Sample (Supplier), dat door Orim bewaard is na de levering, is volgens de NOVE-bunkervoorwaarden bindend tussen partijen. Dit Barge Sample (Supplier) is op 21 maart 2020 getest. Ook daaruit volgde dat de geleverde VLSFO off spec was.

2.6.

Partijen zijn nadien met elkaar in overleg getreden over het verwijderen van de VLSFO uit het schip (debunkeren) en het opnieuw leveren van VLSFO die aan de specificaties zou voldoen.

2.7.

Op 5 april 2020 heeft Orim in Malta de bewuste partij VLSFO uit het schip laten verwijderen.

2.8.

De prijs van VLSFO is gedaald vanaf het moment van de levering aan het schip op 27 januari 2020 en debunkering van de partij VLSFO op 5 april 2020.

2.9.

Op 28 april 2020 heeft Cockett Orim aansprakelijk gesteld en verzocht een credit nota op te stellen voor de koopprijs van de VLSFO. De koopprijs was namelijk al voldaan door Cockett. Orim heeft zich bereid verklaard USD 147.616,85 te voldoen; niet de koopprijs ad USD 402.053,91.

2.10.

Cockett heeft beslag gelegd op de bankrekening van Orim onder de Deutsche Bank.

3. Het geschil

3.1.

Cockett vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de koopovereenkomst tussen haar en Orim te ontbinden, en Orim te veroordelen om aan haar USD 402.053,91te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 9 juni 2020, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening met veroordeling van Orim in de proceskosten, de beslagkosten en nakosten daaronder begrepen, eveneens uitvoerbaar bij voorraad.

3.2.

Orim voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Cockett, met veroordeling van Cockett in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de 15de dag na het vonnis en Cockett te veroordelen in de nakosten, alsmede om de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.3.

In reconventie vordert Orim opheffing van het door Cockett gelegde beslag op de bankrekening van Orim bij de Deutsche Bank en het beslag opgeheven te houden, op straffe van een dwangsom van € 500,= per dag, met een maximum van € 50.000,= en veroordeling van Cockett in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente over deze proceskosten vanaf de 15de dag na het vonnis en Cockett te veroordelen in de nakosten, alsmede om de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De beoordeling

in conventie

IPR

4.1.

Omdat de koper, Cockett, in Singapore gevestigd is en de verkoper, Orim, in Nederland is gevestigd en omdat de VLSFO geleverd is in België, betreft het hier een internationaal geschil. Daarom zal de rechtbank allereerst ambtshalve de bevoegdheid en het toepasselijke recht vaststellen.

Bevoegdheid

4.2.

Cockett heeft, als koper, onderhavige procedure ingesteld bij de rechtbank Rotterdam en beroept zich daarbij op artikel 17 van de NOVE- bunkercondities. Volgens artikel 17 lid 2 van deze condities, kan de verkoper kiezen tussen arbitrage conform de TAMARA Rules of een beslissing door de bevoegde Rotterdamse rechter. In dit geval heeft Orim geopteerd voor de rechtbank Rotterdam. Op grond van artikel 25 lid 1 Brussel Ibis-Vo is de rechtbank Rotterdam dus bevoegd kennis te nemen van dit geschil.

Toepasselijk recht

4.3.

Conform artikel 17 lid 1 van de NOVE-bunkervoorwaarden (eerste zin) is Nederlands recht van toepassing. Partijen zijn het er over eens dat de toepasselijkheid van het Weens Koopverdrag is uitgesloten (conform art. 17 lid 1 laatste zin). Op grond van artikel 3 Rome I-Vo is dus (intern) Nederlands recht van toepassing.

Kern standpunten partijen

4.4.

Cockett vordert ontbinding van de op 17 januari 2020 met Orim gesloten koopovereenkomst inzake de levering van bunkers met VLSFO aan motorschip [naam schip] in Antwerpen en terugbetaling van de koopprijs. Zij stelt dat de bunkers met VLSFO niet aan de koopovereenkomst beantwoordden. Alsnog nakomen van de overeenkomst door Orim is blijvend onmogelijk omdat zij niet in staat is een vervangende lading te ontvangen.

4.5.

Orim voert als verweer dat de overeenkomst niet kan worden ontbonden omdat een enkele tekortkoming daarvoor onvoldoende is. Cockett heeft geen redelijke termijn gesteld voor vervanging en het is niet blijvend onmogelijk om alsnog de juiste VLSFO te leveren. Als verzuim wel is ingetreden, dan is de ontbinding niet gerechtvaardigd omdat niet alle omstandigheden zijn meegewogen. Het is niet gerechtvaardigd dat Cockett haar volledige verlies afwentelt op Orim. Van opzet of grove schuld is geen sprake en de geldende voorwaarden sluiten verdere aansprakelijkheid uit. Een eventuele ongedaanmakings-verplichting kan niet gelijk zijn aan de hele koopsom. Het voordeel van Cockett dient te worden verrekend en er dient rekening te worden gehouden met eigen schuld.

4.6.

De standpunten van partijen zullen hierna verder worden besproken.

Geleverde VLSFO was off spec

4.7.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat de door Cockett van Orim aangekochte VLSFO niet de eigenschappen bezat die zij mocht verwachten op basis van de overeenkomst. Daarmee staat vast dat de geleverde VLSFO op grond van artikel 7:17 lid 1 BW niet aan de overeenkomst beantwoordde en daarmee off spec was.

Was nakoming blijvend onmogelijk?

4.8.

Orim voert bij wijze van verweer aan dat Cockett de overeenkomst niet op grond van artikel 6:265 BW kan ontbinden. Daartoe is een enkele tekortkoming onvoldoende. Er is geen verzuim en geen ingebrekestelling op grond van artikel 6:82 BW en nakoming is niet blijvend onmogelijk. Cockett kan op grond van artikel 7:21 lid 1 BW alleen een beroep doen op herstel van de gebrekkige VLSFO of vervanging daarvan en daarvoor had een redelijke termijn gesteld moeten worden. Dat is niet gebeurd. Dat RWE niet meer in staat is vervangende lading te ontvangen is niet relevant in de overeenkomst tussen Orim en Cockett. Cockett is geen makelaar of reseller, althans dat was geen onderdeel van de overeenkomst tussen partijen.

4.9.

Cockett heeft aangevoerd dat zij niet in staat was een vervangende lading bunkers VLSFO te ontvangen omdat de tijdsbevrachtingsovereenkomst tussen haar en RWE van de [naam schip] ten einde liep waardoor het schip teruggeleverd diende te worden aan de eigenaar. Ter zitting heeft zij ook verklaard dat het schip brandstof nodig had om de reis te kunnen vervolgen en daarom in de tussentijd moest bunkeren in de VS. Daarom kon het schip geen vervangende lading bunkers van Orim ontvangen. Zij kon een vervangende lading VLSFO ook niet inzetten voor een ander schip, zoals Cockett stelt, vanwege de hoge kosten van opslag en overpompen. Vanwege verschillende (soorten) installaties van schepen zijn de eisen aan de brandstof en de contractuele pariteiten steeds anders. Orim wist dat Cockett handelde als bunkerleverancier/reseller. Partijen hadden eerder met elkaar zaken gedaan.

4.10.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de door partijen gesloten overeenkomst blijkt dat Orim de door Cockett gekochte bunkerolie rechtstreeks moest leveren aan een in de haven van Antwerpen gelegen schip. Gesteld noch gebleken is dat Cockett over eigen opslagfaciliteiten beschikte. Daar komt nog bij dat Orim ten tijde van de mondelinge behandeling ook erkend heeft dat Cockett als trader optrad en dus doorleverde aan derden. Voorts is het van algemene bekendheid dat schepen doorgaans binnen enkele dagen uit een haven vertrekken en dat het derhalve zelden mogelijk zal zijn om tijdig vervangende bunkers te leveren. In dit geval - waarbij tussen partijen zelfs in geschil is wanneer bekend werd dat de geleverde partij off spec was - was dat niet anders. Bovendien is gesteld noch gebleken dat Cockett tegenover de eigenaar of de tijdbevrachter van het schip kon afdwingen dat opnieuw VLFSO aan het schip geleverd zou worden. Gezien deze omstandigheden en hun onderlinge verband, heeft Cockett voldoende onderbouwd - tegenover de onvoldoende gemotiveerde betwisting door Orim - dat Orim blijvend niet meer aan Cockett noch aan het schip VLSFO kon leveren die wel aan de overeengekomen specificaties voldeed. Derhalve kan in het midden blijven of de verkochte VLSFO al dan niet een generiek product is.

4.11.

Indien nakoming blijvend onmogelijk is, is een termijn voor redelijk herstel op grond van artikel 6:81 BW niet meer aan de orde en verkeert de verkoper zonder ingebrekestelling in verzuim. Nu hiervoor aan de orde is gekomen dat sprake was van een tekortkoming - immers de VLSFO was off spec - en dat juiste nalevering blijvend onmogelijk was, komt de vraag aan de orde of dit een ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt, zoals Cockett stelt en Orim betwist.

Is ontbinding van de overeenkomst gerechtvaardigd?

4.12.

Orim stelt in haar verweer dat ontbinding van de tussen haar en Cockett gesloten overeenkomst niet gerechtvaardigd is. Zij stelt daartoe dat alle omstandigheden en niet slechts de in artikel 6:265 lid 1 BW genoemde gezichtspunten een rol spelen. Omstandigheden die volgens haar een rol spelen zijn dat Cockett Orim niet meer in de gelegenheid stelde om alsnog na te komen en dat Cockett het volledige verlies dat zij lijdt
- vanwege de transactie die zij aanging met RWE - afwentelt op Orim. Bovendien heeft Orim aan Cockett diverse alternatieve oplossingsmogelijkheden aangeboden.

4.13.

Artikel 6:265 lid 1 BW bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

4.14.

In de spreekaantekeningen stelt Cockett dat sprake was van een wezenlijke tekortkoming. De maximale waarden TSP en aluminium en sillicon in de VLSFO waren ruimschoots overschreden. VPS adviseerde om die reden het product niet te gebruiken. Ten tijde van de mondelinge behandeling heeft Cockett nog nader toegelicht wat deze overschrijding kan betekenen voor de motor van een schip. Zo kan bijvoorbeeld de motor van het schip binnen 24 uur kapot gaan.

4.15.

De rechtbank overweegt als volgt. Op basis van hetgeen Cockett ten tijde van de mondelinge behandeling heeft verklaard en op basis van de reactie van Orim, dat dit in grote lijnen klopt en dat Orim daarom haar verantwoordelijkheid nam om te debunkeren, concludeert de rechtbank dat er sprake was van een ernstige overschrijding van de waarden en dus niet van een tekortkoming van geringe betekenis die de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

4.16.

De rechtbank ziet daarnaast niet in, in welk opzicht de omstandigheid dat Cockett Orim niet meer in de gelegenheid stelde om alsnog na te komen hier nog een (zelfstandige) betekenis speelt nu dit verweer hiervoor reeds aan de orde is gekomen en is verworpen, zie hiervoor onder 4.10. De tweede door Orim gestelde omstandigheid, dat Cockett het verlies dat zij lijdt - vanwege de transactie die zij aanging met RWE - afwentelt op Orim, heeft Orim niet nader onderbouwd. De rechtbank ziet - zonder nadere onderbouwing op dit punt - niet in hoe deze omstandigheid een rol zou kunnen spelen in de (invulling van de) tenzij-bepaling onder artikel 6:265 BW (“tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt”).

4.17.

Uit het arrest dat Orim aanhaalt, HR 24 november 1995, ECLI :NL:HR:ZC1859, valt daarbij, naar het oordeel van de rechtbank en anders dan Orim stelt, geen algemene regel te distilleren die inhoudt dat van ontbinding van de overeenkomst wegens tekortkoming moet worden afgezien wanneer er door de tekortschietende partij alternatieve mogelijkheden geboden zijn.

4.18.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de tekortkoming niet van geringe betekenis is en dat er geen andere omstandigheden zijn die maken dat de tekortkoming de ontbinding van de overeenkomst met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Er geldt bovendien geen algemene rechtsregel die inhoudt dat van ontbinding moet worden afgezien wanneer er alternatieve mogelijkheden zijn. Derhalve komt de rechtbank tot de tussenconclusie dat de gevorderde gerechtelijke ontbinding van de overeenkomst kan worden toewezen.

NOVE-bunkercondities/ exoneratiebeding

4.19.

Orim voert als verweer dat zij volgens de van toepassing zijnde NOVE- bunkercondities slechts aansprakelijk is voor zover er sprake is van opzet of grove schuld. Daarvan is volgens haar geen sprake. Zij verwijst naar artikel 12 lid 1 van deze condities. De advocaat van Cockett heeft, als reactie hierop, ten tijde van de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat artikel 12 lid 1 ziet op schade en vergoeding daarvan. Cockett vordert echter geen schadevergoeding maar ontbinding van de overeenkomst en restitutie van de koopprijs (ongedaanmaking).

Artikel 12

4.20.

De rechtbank overweegt als volgt. De exoneratieclausule waarop Orim zich beroept is opgenomen in de NOVE-bunkercondities. Artikel 12 lid 1 bepaalt dat Orim slechts aansprakelijk kan worden gehouden voor schade in geval van opzet of grove schuld. Voor zover artikel 12 van deze voorwaarden al toepasselijk zou zijn - hetgeen de vraag is omdat dit artikel spreekt van schade (damages) - dan is een beroep daarop naar het oordeel van de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De levering van een product met tevoren overeengekomen specificaties, te weten VLSFO die dient te voldoen aan de gestelde normen volgens ISO 8217:2010, betreft nu juist de kernverplichting van de overeenkomst tussen Orim en Cockett. Indien er bij een leverancier onvoldoende prikkel overblijft om de verplichting na te komen op een wijze zoals van haar in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht omdat alle schade, behoudens opzet of grove schuld, is uitgesloten, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een onaanvaardbaar resultaat. Daarbij speelt ook een rol dat als gevolg van de geleverde bunkers de motor van het schip ernstig beschadigd had kunnen worden.

Orim kan dan ook sowieso geen geslaagd beroep doen op artikel 12 lid 1 van de NOVE- bunkercondities; de rechtbank verwerpt dit beroep.

Orim beroept zich in de spreekaantekeningen nog op een beperking van haar aansprakelijkheid tot de waarde van de factuur, op grond van artikel 12 lid 2 van de NOVE-bunkercondities. Het beroep op dit artikel wordt echter niet nader onderbouwd en treft naar het oordeel van de rechtbank hetzelfde lot als het beroep op lid 1 van dat artikel.

4.21.

Orim beroept zich ook op artikel 12 lid 4 van de NOVE-bunkercondities. De rechtbank overweegt op dit punt dat, zoals Orim zelf ook stelt, de derde betrokken partij, bedoeld wordt RWE, Orim niet rechtstreeks heeft aangesproken en dat deze situatie dus niet aan de orde is, nog daargelaten of dit artikel Orim zou kunnen baten als zij wel door RWE zou worden aangesproken.

Artikel 6 lid 2

4.22.

Orim beroept zich vervolgens nog op artikel 6 lid 2 van de NOVE-bunkercondities. Het beroep op artikel 6 lid 2 van deze condities houdt in dat Cockett vanaf het moment van de levering van de VLSFO verantwoordelijk is voor de VLSFO. De rechtbank overweegt dat dit verweer niet nader is toegelicht door Orim. Voor zover dit artikel al van toepassing is in de onderhavige situatie - dat lijkt niet het geval, immers het artikel gaat over overgang van het risico en dat is hier niet het juridische geschilpunt - dan heeft Orim haar verweer ook op dit punt onvoldoende onderbouwd.

Voordeelstoerekening?

4.23.

Orim beroept zich daarnaast op voordeelstoerekening. Zij stelt dat Cockett niet in een betere positie mag komen te verkeren wanneer de gevorderde ontbinding van de overeenkomst en de ongedaanmakingsverplichting worden toegewezen. De ongedaanmakingsverplichting is niet zonder meer gelijk aan de verplichting tot het terugbetalen van de (gehele) koopsom. De schade heeft voor Cockett een voordeel opgeleverd, nu zij dezelfde aantallen VLSFO elders voor een lager bedrag kon inkopen. Dat voordeel dient verrekend te worden.

4.24.

Cockett stelt dat geen sprake is van voordeel: zij heeft de volledige koopprijs betaald en vordert datzelfde bedrag terug. Zij wordt daarmee niet beter van de situatie. Dat de olieprijzen zijn gedaald door de coronacrisis na levering van de VLSFO kan Orim niet op Cockett afwentelen. Als Orim niet tekort was geschoten in de levering van de overeengekomen VLSFO, had deze situatie zich niet voorgedaan. Ten tijde van de mondelinge behandeling heeft de advocaat van Cockett nog aangevoerd dat het leerstuk van de voordeelstoerekening - evenals het leerstuk van eigen schuld, zie hierna - in onderhavige kwestie niet aan de orde is omdat het hier geen schadevergoedingsvordering betreft maar er ontbinding van de koopovereenkomst wordt gevorderd met ongedaanmaking.

4.25.

De rechtbank oordeelt dat het leerstuk van voordeelstoerekening toepasselijk is in geval van wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding, zoals ook blijkt uit de naam van Titel 1, afdeling 10 van boek 6 BW. In de onderhavige procedure gaat het echter om ontbinding van de overeenkomst en restitutie van de verkoopprijs en dus niet over schade. Het beroep op voordeelstoerekening mist dan ook toepassing.

De rechtbank wijst ten overvloede nog op artikel 6:210 lid 1 BW, inhoudend dat indien de aard van de prestatie uitsluit dat zij ongedaan wordt gemaakt, dan de vergoeding van de waarde van de prestatie op het ogenblik van ontvangst daarvoor in de plaats treedt, voor zover dit redelijk is. Ook dit artikel - dat niet van toepassing is omdat de prestatie hier wel ongedaan kan worden gemaakt - spreekt over de waarde op het ogenblik van ontvangst en maakt de bedoeling van de wetgever duidelijk om geen rekening te houden met latere ontwikkelingen. Alleen indien aannemelijk is dat de partij die ontbinding vordert zonder die gewijzigde waardeverhouding niet voor ontbinding zou hebben gekozen, bestaat een verplichting door bijbetaling de oorspronkelijke waardeverhouding te herstellen. Zie artikel 6: 278 BW. Gesteld noch gebleken is echter dat hiervan in dit geval sprake is.

Eigen schuld?

4.26.

Orim beroept zich op eigen schuld aan de kant van Cockett. Wanneer Cockett sneller had gehandeld en de klachten eerder had gemeld en Cockett eerder had meegewerkt aan de gebruikelijke wijze van testen, dan had de VLSFO die off spec was sneller kunnen worden gedebunkerd en kunnen worden verkocht en opnieuw geleverd aan een andere afnemer en dan zou de prijs minder zijn gedaald.

4.27.

Cockett stelt hiertegenover dat geen sprake is van vertraging aan haar kant. Daarbij valt de coronacrisis met lagere olieprijzen als gevolg, haar niet te verwijten. Ook is het leerstuk van eigen schuld hier niet van toepassing.

4.28.

De rechtbank overweegt als volgt. Zoals hiervoor reeds is overwogen, geldt dat ook het leerstuk van de eigen schuld alleen toepasselijk is in geval van wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding. In de onderhavige procedure gaat het echter om ontbinding van de koopovereenkomst en restitutie van de koopprijs. Het beroep op eigen schuld wordt daarom verworpen, nog daargelaten of Cockett de vertraging in het melden van klachten, het (gebruikelijke) testen of het melden van de testresultaten te verwijten valt.

Verrekening

4.29.

Orim doet tot slot nog een beroep op verrekening. Voor zover de vordering van Cockett wordt toegewezen moet deze volgens haar worden verrekend met de schade die zij heeft geleden door de tekortkoming van Cockett, bestaande uit het niet afnemen van een nieuwe partij VLSFO, die wel aan de specificaties voldeed. Orim stelt dat zij hierdoor schade lijdt omdat zij de VLSFO - na het schoonmaken - heeft moeten doorverkopen aan een derde tegen een waarde van USD 200,- per ton. Haar schade is USD 310,- per ton indien zij de aankoopprijs van USD 510,- aan Cockett moet terugbetalen.

Dit verweer gaat echter, naar het oordeel van de rechtbank, niet op. Hiervoor is reeds aan de orde gekomen dat Cockett niet tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst jegens Orim. Nu van een tegenvordering van Orim op Cockett geen sprake is, kan van verrekening dus geen sprake zijn.

Gevorderde wettelijke handelsrente

4.30.

Cockett vordert de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, vanaf 9 juni 2020 - zijnde de datum van de brief van de advocaat van Cockett aan de advocaat van Orim - althans vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, over het bedrag ad USD 402.053,91. Orim stelt bij wijze van verweer allereerst dat slechts aanspraak kan worden gemaakt op de wettelijke rente over de tijd dat zij met de voldoening in verzuim is geweest.

4.31.

De rechtbank is van oordeel dat Orim op 9 juni 2020, vanaf welke datum de rente gevorderd wordt, reeds in verzuim was, nu juiste nalevering van de brandstof op die datum reeds blijvend onmogelijk was.

4.32.

De vervolgvraag is, welke rente verschuldigd is: de wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW of de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW. Cockett stelt het eerste; Orim het tweede. Als zij al wettelijke rente verschuldigd is, dan is er geen ruimte voor toekenning van handelsrente omdat in dit geval ontbinding van de overeenkomst wordt gevorderd, zo verweert Orim zich.

4.33.

De rechtbank overweegt het volgende. Het gaat in deze procedure om een vordering tot ontbinding van de koopovereenkomst en tot terugbetaling van de koopprijs. De verplichting tot vergoeding van de wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW geldt indien betaling van het op grond van de desbetreffende handelsovereenkomst verschuldigde bedrag niet tijdig plaatsvindt. Dit artikel heeft, evenals de Europese richtlijn waarop dit artikel is terug te voeren, een beperkte reikwijdte. Met andere woorden: de bepaling heeft alleen betrekking op de primaire betalingsverplichting uit een handelsovereenkomst, i.e. de geldelijke tegenprestatie voor geleverde diensten op grond van een handelsovereenkomst, en niet op andere geldelijke verplichtingen (zie HR 8 december2017 ECLI:NL:HR:2017:3106; HR 30 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1710 (Q-Park/Deka)). De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat genoemd artikel niet van toepassing is in het onderhavige geval waarin ontbinding van de koopovereenkomst en een vordering tot terugbetaling van de koopprijs voorligt. Slechts de wettelijke rente zal worden toegewezen, niet de wettelijke handelsrente.

in reconventie

Opheffing beslag

4.34.

Orim vordert opheffing van het beslag dat Cockett onder haar rekening bij de Deutsche Bank heeft gelegd. Zij heeft die vordering in haar conclusie van eis in reconventie echter niet toegelicht en Cockett heeft geen conclusie van antwoord in reconventie genomen. Ter zitting is gebleken dat het gelegde beslag geen doel heeft getroffen. Cockett wenst dat het beslag blijft liggen. De rechtbank ziet geen reden om het gelegde beslag op te heffen, nu niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering en Orim geen bijzonder belang bij opheffing van het beslag heeft aangevoerd.

in conventie en reconventie

Kosten

4.35.

Orim zal als in de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten inclusief beslagkosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Cockett worden in conventie

tot op heden begroot op:

- dagvaarding

83,38

- overige explootkosten

4,61

- beslagkosten

599,32

- griffierecht

3.475,00

- griffierecht beslagrekest

656,00

- salaris advocaat

7.473,00

(3 punten x tarief € 2.491,00)

Totaal

12.291,31

4.36.

De gevorderde nakosten worden toegewezen als in het dictum te vermelden.

4.37.

Cockett heeft in reconventie geen proceskosten gemaakt, zodat de kosten tot op heden op nihil worden begroot.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

ontbindt de koopovereenkomst tussen Cockett en Orim;

5.2.

veroordeelt Orim om aan Cockett tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag ad USD 402.053,91, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.3.

veroordeelt Orim in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van Cockett begroot op € 12.291,31, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de 15e dag na het vonnis;

5.4.

veroordeelt Orim in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Orim niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart dit vonnis wat de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders verzochte af,

in reconventie

5.7.

wijst de vordering af,

5.8.

veroordeelt Orim in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van Cockett begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema, rechter. Het is ondertekend door de rolrechter en op 28 april 2021 uitgesproken in het openbaar.

3246/32