Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3791

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
C/10/601711 / HA ZA 20-758
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Fitnesscentrum dat werd gerund in een pand. In conventie verwijten eisers aan gedaagde dat gedaagde het ledenbestand zonder recht en om niet zouden hebben overgenomen. Aangezien gedaagde het fitnesscentrum is gaan runnen op de plaats en meteen nadat eisers daarmee stopten, zodat de leden op dezelfde plaats konden blijven sporten, hebben eisers dat verwijt onvoldoende geconcretiseerd. In reconventie vordert eiser in reconventie betaling van achterstallige huur. Deze vordering was door de eigenaren van het pand aan haar gecedeerd, zo is de stelling. Verweerders in reconventie hebben dit betwist, aanvoerende dat de vordering slechts door twee van de drie eigenaren was gecedeerd, terwijl dat door alle drie de eigenaren had moeten gebeuren. De rechtbank volgt verweerders hierin. De drie eigenaren vormden een gemeenschap. Dat de derde eigenaar zijn onverdeeld aandeel in het verhuurde pand aan de overige twee heeft overgedragen, maakt niet dat hij ook zijn rechten op de achterstallige huur heeft overgedragen. Die vordering maakt dus nog deel uit van de gemeenschap. Ingevolge artikel 3:170 BW zijn in dit geval de deelgenoten van de gemeenschap slechts gezamenlijk bevoegd om die vordering over te dragen. Omdat slechts twee van de drie eigenaren van het pand/rechthebbenden op de vordering voor de cessie hadden getekend, is dat onvoldoende voor een geldige cessie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/601711 / HA ZA 20-758

Vonnis van 28 april 2021

in de zaak van

1. [persoon A] ,

wonende te [woonplaats A] ,

2. [persoon B],

wonende te [woonplaats B] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. W.H.J.W. de Brouwer te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SPORTPLAZA HENDRIK-IDO-AMBACHT B.V.,

gevestigd te Hendrik-Ido-Ambacht,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. S.A.A.C. van Gassen te Breda.

Eisers zullen hierna [persoon A] en [persoon B] , en gezamenlijk [persoon A] c.s. genoemd worden. Gedaagde zal Sportplaza genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 juli 2020, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;

  • -

    de brief van 30 november 2020 van deze rechtbank;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, met productie;

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling, gehouden op 22 december 2020;

  • -

    de akte overlegging nadere productie van 6 januari 2021, van de zijde van Sportplaza;

  • -

    de akte nadere productie, ingediend op 19 januari 2021, van de zijde van [persoon A] c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[persoon A] en [persoon B] waren de vennoten van vennootschap onder firma [naam vof] (hierna: [naam vof] ). [naam vof] exploiteerde een fitnesscentrum aan de [adres] te Hendrik-Ido-Ambacht.

2.2.

Sportplaza maakt deel uit van een groep van vennootschappen waarmee mevrouw [persoon C] (hierna: [persoon C] ) en haar partner onder meer fitnesscentra exploiteren en handel drijven in fitnessapparatuur.

2.3.

[naam vof] huurde het pand aan de [adres] (hierna: het pand). Op 23 juli 2014 hebben [naam vof] en [persoon A] c.s. als huurders en de heren [persoon D] (hierna: [persoon D] ), [persoon E] (hierna: [persoon E] ) en [persoon F] (hierna: [persoon F] ) als verhuurder een overeenkomst getekend waarin is opgenomen dat de huurovereenkomst van het pand aan de [adres] te Hendrik-Ido-Ambacht (hierna: het pand) wordt beëindigd per 31 juli 2014 (hierna: de beëindigingsovereenkomst).

2.4.

Op 23 juli 2014 heeft Sportplaza een huurovereenkomst getekend op basis waarvan zij het pand aan de [adres] te Hendrik-Ido-Ambacht per 1 augustus 2014 is gaan huren.

2.5.

[naam vof] , [persoon A] en [persoon B] zijn bij vonnis van 16 september 2014 in staat van faillissement verklaard.

2.6.

In een notariële akte van 29 oktober 2015 (hierna: de leveringsakte) is onder meer het volgende opgenomen.

“Heden, negenentwintig oktober tweeduizend vijftien, verschenen voor mij, […] notaris te Zwijndrecht:

1. de heer [persoon F] , […]

hierna te noemen: verkoper;

2. a. de heer [persoon D] , […]

b. de heer [persoon E] […]

de heer [persoon D] . voornoemd en de heer [persoon E] , voornoemd, hierna zowel tezamen als ieder afzonderlijk te noemen: koper.

De comparanten verklaarden het volgende:

LEVERING, REGISTERGOED, GEBRUIK

Verkoper is met koper met betrekking tot de hierna te omschrijven registergoederen een koopovereenkomst aangegaan. De koopovereenkomst is mondeling tot stand gekomen. Partijen bevestigen dat de inhoud daarvan overeenkomt met de uitwerking in deze akte.

Ter uitvoering van deze overeenkomst levert verkoper aan koper die van verkoper heeft gekocht en bij deze in eigendom aanvaardt, ieder voor een onverdeelde helft:

a. het een/derde onverdeelde aandeel van het bedrijfsgebouw, thans in gebruik als sportcentrum met parkeergelegenheid en bijbehorende grond, plaatselijk bekend als [adres] , [postcode] Hendrik-ldo-Ambacht, kadastraal bekend […]

BEDINGEN

Tijdstip feitelijke levering, baten en lasten, risico

Artikel 3

De feitelijke levering (aflevering) van het verkochte vindt plaats terstond na de ondertekening van deze akte.

Vanaf dat tijdstip komen de baten de koper ten goede, zijn de lasten voor zijn rekening en draagt hij het risico van het verkochte.

Titelbewijzen en bescheiden, aanspraken

Artikel 4

De op het verkochte betrekking hebbende titelbewijzen en bescheiden als bedoeld in artikel 9 Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek zijn, voor zover verkoper deze in zijn bezit had, aan koper afgegeven.

Alle aanspraken die verkoper ten aanzien van het verkochte kan of zal kunnen doen gelden tegenover derden, waaronder begrepen bouwers, (onder)aannemers, installateurs en leveranciers gaan hierbij over op koper. Voor zover deze aanspraken niet kunnen gelden als kwalitatieve rechten als bedoeld in artikel 251 Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is verkoper verplicht op eerste verzoek van koper aan een overdracht mee te werken. Verkoper is tevens verplicht garantiebewijzen welke met betrekking tot het verkochte mochten bestaan aan koper te overhandigen en alles te doen wat nodig is om deze ten name van koper te doen stellen.

[…]

Bestaande huurovereenkomst(en)

Artikel 6

Koper verklaart op de hoogte te zijn van de inhoud van de bestaande huurovereenkomst(en), welke aan partijen genoegzaam bekend zijn.”

2.7.

Op 15 december 2015 zijn [persoon D] en [persoon E] met Sportplaza een overeenkomst (hierna: de cessieovereenkomst) aangegaan, waarin - onder meer- het volgende is opgenomen:

“ Cessie

De ondergetekenden:

1. De heer [persoon E] en de heer [persoon D] , woonplaats kiezende […], hierna te noemen: "Verkoper";

en

2. SportPlaza Hendrik Ido Ambacht BV. gevestigd […], hierna te noemen: "Koper"

in aanmerking nemende:

- dat Verkoper (als verhuurder) een vordering heeft op [ [naam vof] ] en haar vennoten de heer [persoon A] en mevrouw [persoon B] als huurder, verder te noemen: " [persoon A] cs", uit hoofde van de tussen hen bestaand hebbende schriftelijke huurovereenkomst met betrekking tot de

bedrijfsruimte staande en gelegen aan de [adres] , [postcode] Hendrik-Ido-Ambacht;

- dat deze vordering een huurachterstand betreft ontstaan per 28 september 2012 tot en met 31 juli 2014 ad € 29.615,32 exclusief wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, hierna te noemen: “de Vordering";

- dat Verkoper en Koper op 15 december 2015 een koopovereenkomst zijn aangegaan, waarbij Verkoper de Vordering aan Koper heeft verkocht;

- dat Verkoper de Vordering derhalve wenst over te dragen aan Koper, die bereid is deze cessie te aanvaarden.

zijn overeengekomen als volgt:

Verkoop en Koop

1. Verkoper verkoopt hierbij de Vordering aan Koper, gelijk Koper de Vordering koopt van

Verkoper.

2. De koopprijs voor de Vordering bedraagt € 1,- (zegge: één euro), verder te noemen: "de Koopprijs”.

[…]”

2.8.

Bij beschikking van 22 augustus 2017 is het faillissement van [persoon A] en [persoon B] opgeheven.

3. Het geschil

in conventie

3.1.

[persoon A] c.s. vordert om, bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

I. Te verklaren voor recht dat Sportplaza onrechtmatig jegens de vennoten van [naam vof] heeft gehandeld door een door [naam vof] opgebouwde klantenbestand te kopiëren zonder enige vergoeding daarvoor te betalen;

II. Sportplaza te veroordelen om aan [naam vof] ten titel van voorschot tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van € 9.000,-, dan wel een ander in goede justitie te bepalen voorschot, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, tevens Sportplaza te veroordelen om de door [naam vof] geleden en te lijden schade te vergoeding, welke schade nader opgemaakt dient te worden bij staat en vereffend volgens de wet;

III. Sportplaza te veroordelen in de kosten van deze procedure, salaris gemachtigde daaronder inbegrepen.”

3.2.

Hieraan heeft [persoon A] c.s. ten grondslag gelegd dat Sportplaza onrechtmatig jegens [naam vof] heeft gehandeld doordat Sportplaza het door [naam vof] opgebouwde ledenbestand zonder toestemming en om niet heeft gekopieerd en overgenomen.

3.3.

Sportplaza voert verweer, strekkende tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [persoon A] c.s. in de proces- en nakosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

Sportplaza vordert om, bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad

“ [persoon A] cs hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Sportplaza, des dat de één betalend de ander voor dat bedrag zal zijn gekweten, van:

  1. een bedrag van € 29.615,32 in hoofdsom, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, ter zake de aan Sportplaza gecedeerde vordering;

  2. een bedrag van € 1.071,15, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, aan buitengerechtelijke incasso kosten;

  3. de bedragen onder a en b te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex art. 6:119a BW, gerekend vanaf 31 juli 2014, althans vanaf 15 maart 2018, althans vanaf de datum van het instellen van de reconventionele vordering door Sportplaza tot het moment van algehele voldoening”

met veroordeling van [persoon A] c.s. in de proceskosten in reconventie, te vermeerderen met de nakosten.

3.6.

Sportplaza voert aan, kort samengevat, dat [persoon A] c.s. betalingsachterstanden had met betrekking tot de huur van het pand waarin de sportschool van [naam vof] was gevestigd. Deze vordering is aan Sportplaza gecedeerd.

3.7.

[persoon A] c.s. voert verweer strekkende tot afwijzing van deze vorderingen, met veroordeling van Sportplaza in de proceskosten.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1.

[persoon A] c.s. legt aan zijn stelling dat Sportplaza onrechtmatig jegens [naam vof] heeft gehandeld, het volgende ten grondslag. Medio 2014 heeft [persoon A] c.s. in verband met teruglopende omzet gesprekken gevoerd met bestuurders van Sportplaza om de mogelijkheid tot een samenwerking te verkennen. Toen [persoon A] plots arbeidsongeschikt raakte, bood Sportplaza haar hulp aan bij het managen van [naam vof] . [persoon B] heeft deze hulp aanvaard. Gedurende deze periode waarin Sportplaza [persoon B] bijstond, had Sportplaza inzage in de bedrijfsdocumenten, waaronder het ledenbestand van [naam vof] . Kort daarop zijn de onderhandelingen over een verdere samenwerking afgebroken. Sportplaza heeft de exploitatie van haar fitnesscentrum voortgezet op de locatie waar [naam vof] gevestigd was.

In 2017 vernam [persoon A] c.s. dat verschillende voormalig klanten van [naam vof] , toen [naam vof] gestopt was met de exploitatie van haar fitnessclub, maar ook al enkele maanden daarvoor, door Sportplaza zijn overgenomen. Sportplaza heeft het door [naam vof] opgebouwde ledenbestand zonder toestemming gekopieerd en op basis van dit ledenbestand de maandelijkse contributies overgenomen. [persoon A] c.s. heeft als gevolg van het handelen van Sportplaza schade geleden, welke dient te worden begroot op het bedrag dat normaliter gemoeid zou zijn met een rechtsgeldige overname van het ledenbestand.

4.2.

Sportplaza voert - onder meer - aan dat zij medio 2014 heeft vernomen dat de Belastingdienst beslag had gelegd op onder meer de inboedel van de sportschool van [persoon A] c.s. Op 24 juni 2014 heeft TopsportPlaza Breda B.V. (hierna: TopsportPlaza), een zustervennootschap van Sportplaza, de sportapparatuur van [naam vof] opgekocht van de Belastingdienst. Omdat [persoon A] c.s. zonder apparatuur geen sportschool meer kon exploiteren, is in overleg bepaald dat TopsportPlaza de apparatuur nog enige tijd in de sportschool liet staan. [persoon C] heeft in die periode veel contact gehad met [persoon A] c.s., maar er is niet concreet gesproken of onderhandeld over een samenwerking of overname. Op verzoek van [persoon A] c.s. heeft [persoon C] hem wel een paar keer geholpen, onder andere met groepslessen- en barrooster, maar deze hulp was beperkt; er was uitdrukkelijk geen sprake van het 'managen' of 'mede-managen' van sportschool [naam vof] door [persoon C] , noch van inzage door haar of haar partner in alle bedrijfsdocumenten en het volledige ledenbestand van [naam vof] .

4.3.

Sportplaza betwist dat zij het ledenbestand van [persoon A] c.s. heeft gekopieerd of overgenomen. Bovendien zou het (digitale) ledenbestand van [naam vof] geen waarde hebben voor Sportplaza, omdat de door Sportplaza gebruikte software voor leden-administratie dergelijke bestanden niet kan inlezen. Nadat Sportplaza het pand per 1 augustus 2014 had betrokken, heeft zij het verbouwd tot SportPlaza-fitnesscentrum. Tijdens die verbouwing heeft zij de deuren niet gesloten omdat er aanloop was van sporters. Deze wisten blijkbaar niet dat [persoon A] c.s. op die locatie was gestopt met zijn sportschool.

Sportplaza heeft die mensen, eerst provisorische, daarna echte, inschrijfformulieren laten ondertekenen. Voorts is Sportplaza vanaf de opening van het nieuwe SportPlaza-fitnesscentrum zeer actief geweest op marketinggebied. Dat oud-leden van [naam vof] contributie aan Sportplaza zijn gaan betalen, betekent niet dat Sportplaza het ledenbestand van [persoon A] c.s. heeft overgenomen. Die personen hebben aan Sportplaza een machtiging tot automatische incasso afgegeven, aldus Sportplaza.

4.4.

De rechtbank overweegt als volgt. Gezien de betwisting daarvan door Sportplaza had het op de weg van [persoon A] c.s. gelegen zijn stelling dat Sportplaza het klantenbestand heeft gekopieerd, nader te onderbouwen. Wat er ook zij van de aard van de werkzaamheden van [persoon C] bij [naam vof] , haar aanwezigheid rechtvaardigt niet de conclusie dat Sportplaza het ledenbestand van [persoon A] c.s. heeft gekopieerd. De omstandigheid dat meerdere (oud-)klanten van [naam vof] bij Sportplaza zijn gaan sporten, kan, gezien hetgeen Sportplaza heeft aangevoerd ten aanzien van de wijze waarop die klanten bij haar terecht zijn gekomen (zie 4.3), evenmin leiden tot genoemde conclusie. In reactie op de stelling van [persoon A] c.s. dat de in de dagvaarding genoemde, zestien, klanten nimmer een nieuw abonnement zijn aangegaan met Sportplaza en derhalve geen machtiging hebben gegeven aan Sportplaza om contributiegelden af te schrijven, heeft Sportplaza ten aanzien van dertien van hen een inschrijvingsformulier (inclusief machtiging tot incasso) overgelegd (productie II bij conclusie van antwoord) en met betrekking tot de overige drie personen aangevoerd dat van hen geen contributie is geïnd, althans - ten aanzien van een van hen - dat die is teruggestort omdat Sportplaza hem niet als lid wilde accepteren. [persoon A] c.s. heeft de inschrijvingen vervolgens onweersproken gelaten, zodat de stellingen van [persoon A] c.s. op dit punt niet zijn komen vast te staan.

De rechtbank stelt - met [persoon A] c.s. - vast dat uit de door hem overgelegde bankafschriften blijkt dat enkele klanten al voor 1 augustus 2014 contributie hebben betaald aan, of onder vermelding van de naam van, Sportplaza. Daaruit kan wellicht worden afgeleid dat er voor die datum contact is geweest tussen de betreffende klanten en Sportplaza, maar het betekent echter niet dat dat contact tot stand is gekomen met behulp van een gekopieerd klantenbestand van [naam vof] .

De slotsom is dat [persoon A] c.s. zijn stelling dat Sportplaza het klantenbestand van [naam vof] heeft gekopieerd onvoldoende heeft onderbouwd, zodat zijn vorderingen (reeds) daarom moeten worden afgewezen.

4.5.

[persoon A] c.s. zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Sportplaza worden begroot op:

- griffierecht € 656,00

- salaris advocaat 1.126,00 (2,0 punten × tarief € 563,00)

Totaal € 1.782,00

4.6.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

in reconventie

4.7.

Sportplaza heeft aan haar reconventionele vordering, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [persoon A] c.s. huurde het pand aan de [adres] oorspronkelijk van A. van Wingerden Vastgoed B.V. Op 21 maart 2012 heeft Tres Invest B.V. (hierna: Tres Invest) het pand gekocht en de huurovereenkomst met [persoon A] c.s. voortgezet. Op 28 september 2012 heeft Tres Invest het pand, met instandhouding van de huurovereenkomst overgedragen aan haar aandeelhouders, [persoon D] , [persoon E] en [persoon F] . In de beëindigingsovereenkomst is de huur per 31 juli 2014 beëindigd. [persoon A] c.s. had op dat moment een huurachterstand van € 29.615,32 over de periode van 28 september 2012 tot en met 31 juli 2014. Op 29 oktober 2015 heeft [persoon F] zijn onverdeelde aandeel in het pand overgedragen aan [persoon D] en [persoon E] . Op 15 december 2015 hebben [persoon D] en [persoon E] hun vordering op [persoon A] c.s. uit achterstallige huurpenningen (hierna: de huurvordering) aan Sportplaza gecedeerd. Sportplaza heeft mededeling gedaan van de cessie aan [persoon A] c.s. Sportplaza is daarom gerechtigd tot de huurvordering, te vermeerderen met rente en kosten.

4.8.

[persoon A] c.s. heeft onder meer aangevoerd dat de huurvordering niet door [persoon E] en [persoon D] alleen gecedeerd kon worden; [persoon F] had daaraan moeten meewerken. Omdat de huurvordering aldus niet aan Sportplaza is overgedragen, heeft zij geen vordering op [persoon A] c.s., aldus [persoon A] c.s.

4.9.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.10.

De (gestelde) vordering op [persoon A] c.s. betreft een huurachterstand over de periode 28 september 2012 tot en met 31 juli 2014. Uit de leveringsakte volgt dat gedurende die periode het pand (en ander onroerend goed) aan [persoon E] , [persoon D] en [persoon F] toebehoorde, elk voor een/derde onverdeeld deel. Het pand vormde aldus een eenvoudige gemeenschap, of maakte daar deel van uit. De vruchten (zoals huur) die een tot een nog niet verdeelde gemeenschap behorend goed oplevert, behoren eveneens tot die gemeenschap. Op basis van artikel 3:170 BW zijn tot handelingen betreffende een gemeenschappelijk goed (afgezien van, kort gezegd, handelingen tot onderhoud en handelingen die geen uitstel kunnen lijden) in beginsel uitsluitend de deelgenoten tezamen bevoegd.

4.11.

Bij conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, heeft Sportplaza gesteld dat tegelijk met de overdracht door [persoon F] van het onverdeelde aandeel in het pand ook alle aanspraken die [persoon F] ten aanzien daarvan tegenover derden kon maken op [persoon D] en [persoon E] zijn overgegaan.

Sportplaza heeft, in reactie op de betwisting van [persoon A] c.s. dat de relevante goederen (indirect) zijn overgegaan van Tres Invest naar [persoon E] en [persoon D] , na de mondelinge behandeling (alsnog) de leveringsakte overgelegd. Daaruit blijkt, zoals inmiddels ook niet meer in geschil tussen partijen, inderdaad dat het pand door [persoon E] , [persoon D] en [persoon F] is verkregen op 28 september 2012 en op 29 oktober 2015 het aan [persoon F] toebehorende onverdeelde deel in het pand aan [persoon E] en [persoon D] is overgedragen. Dat ook het onverdeelde aandeel van de huurvordering is overgedragen blijkt echter niet uit de akte.

4.12.

Voor zover Sportplaza haar (kennelijke) visie dat het aan [persoon F] toekomende onverdeelde deel van de huurvordering bij de leveringsakte eveneens is overgedragen, baseert op artikel 4 van de leveringsakte (zie 2.6), oordeelt de rechtbank dat zij die stelling niet, althans onvoldoende, heeft onderbouwd. Een redelijke uitleg van de leveringsakte brengt met zich dat de in artikel 4 genoemde aanspraken niet inkomsten uit huur omvatten. Dit gezien de tekst “Alle aanspraken die verkoper ten aanzien van het verkochte kan of zal kunnen doen gelden tegenover derden, waaronder begrepen bouwers, (onder)aannemers, installateurs en leveranciers gaan hierbij over op koper.” [onderstreping rb], waaruit volgt dat artikel 4 op product- en soortgelijke aansprakelijkheden ziet, en gezien artikel 3 van de leveringsakte, dat ziet op baten van het verkochte - waar huuropbrengsten onder vallen. Nu uit artikel 3 volgt dat de baten (pas) vanaf het tijdstip van levering ten goede komen aan de koper, kan op basis van de leveringsakte niet worden vastgesteld dat het aan [persoon F] toekomende onverdeelde deel van de huurvordering eveneens is overgedragen.

4.13.

Het bovenstaande maakt dat voor een overdracht van de gehele huurvordering aan Sportplaza, medewerking van [persoon F] vereist was. Noch uit de cessieovereenkomst, noch op andere wijze is van die medewerking gebleken, zodat Sportplaza haar stelling dat de huurvordering aan haar is overgedragen onvoldoende heeft onderbouwd. Het resultaat is dat de vorderingen in reconventie moeten worden afgewezen.

4.14.

Sportplaza zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [persoon A] c.s. worden begroot op € 1.442,- (2,0 punten × tarief € 721,-).

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [persoon A] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Sportplaza tot op heden begroot op € 1.682,00,

5.3.

veroordeelt [persoon A] c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [persoon A] c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.5.

wijst de vorderingen af,

5.6.

veroordeelt Sportplaza in de proceskosten, aan de zijde van [persoon A] c.s. tot op heden begroot op € 1.442,00,

5.7.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Volker. Het is ondertekend door de rolrechter en op 28 april 2021 uitgesproken in het openbaar.

[3178/2221]