Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3785

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
03-05-2021
Zaaknummer
9033687 \ VZ VERZ 21-1979
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek om de arbeidsovereenkomst met de werknemer te ontbinden op grond van bedrijfseconomische redenen toegewezen. Werkgever heeft voldoende onderbouwd dat er een grond is om werknemer te ontslaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0577
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9033687 \ VZ VERZ 21-1979

uitspraak: 21 april 2021

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoekster]

,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verzoekster,

gemachtigde: mr. M.K.A.C. van der Werf,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [verzoekster] ” en “ [verweerder] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het verzoekschrift, ingekomen op 16 februari 2021, met producties;

  • -

    het verweerschrift, met producties;

  • -

    de pleitaantekeningen zijdens [verzoekster] .

1.2.

Op 24 maart 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [verweerder] is verschenen. Namens [verzoekster] zijn [persoon A] , HR Manager, en [persoon B] , directeur ICT, verschenen, bijgestaan door mr. Van der Werf en mr. M.D. Coumou.

1.3.

De kantonrechter heeft de uitspraak van deze beschikking bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1.

[verweerder] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 mei 2018 in dienst getreden bij [verzoekster] in de functie van Business Analysis & Process Consultant (hierna: BAPC). [verweerder] heeft thans een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het loon van [verweerder] bedraagt € 6.296,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag.

2.2.

[verzoekster] heeft op 4 september 2020 aan het UWV verzocht om [verweerder] te mogen ontslaan. Bij besluit van 17 december 2020 heeft het UWV de verzochte toestemming voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [verweerder] geweigerd. In dit besluit is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Wij zijn van oordeel dat werkgever voldoende heeft onderbouwd dat hij vanwege een slechte of slechter wordende financiële situatie is genoodzaakt tot het nemen van maatregelen in de personele sfeer. Met betrekking tot het voorgenomen ontslag van werknemer zijn wij echter van oordeel dat werkgever onvoldoende heeft aangetoond dat dit ten dienste staat van een doelmatige bedrijfsvoering.

Werkgever stelt dat er geen sprake is van externe medewerkers die werkzaam zijn op de IT

afdeling, maar dat het gaat om leveranciers / suppliers die een service of dienst leveren.

Werknemer stelt voor om twee interne medewerkers voltijds mee te laten lopen in het genoemde project, daardoor veel kosten te besparen en daarmee ook de kennis voor de toekomst te borgen. Vooral omdat werknemer aangeeft dat het de externe partij steeds duidelijker wordt wat de complexiteit en omvang is van de thans gerealiseerde functionaliteit die moet worden vervangen.

Werkgever stelt daartegen dat de functie van werknemer niet cruciaal is om de operationele

business systemen in de lucht te houden. Verder is minder maatwerk één van de consequenties van het reduceren van twee fte, maar niet business kritisch voor de continuïteit voor [verzoekster] .

Werkgever laat echter het voorstel van werknemer onbesproken om twee interne medewerkers (waaronder werknemer zelf) mee te laten lopen in het project. Dit klem temeer omdat werknemer zijn voorstel nader heeft onderbouwd met een kostenargument en een kennisargument. Werknemers argumenten staan naar onze mening mede ten dienste van een doelmatige bedrijfsvoering, immers minder kosten en meer kennisvergaring.

Wij volgen daarom werknemers zienswijze. Werkgever heeft daartegen geen steekhoudende

argumenten ingebracht.

Wij zijn van oordeel dat het niet aannemelijk is dat werknemers arbeidsplaats om

bedrijfseconomische redenen dient te vervallen om een doelmatige bedrijfsvoering te bereiken.”

3. Het geschil

3.1.

[verzoekster] heeft verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] wegens bedrijfseconomische omstandigheden.

3.2.

[verweerder] heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden moet worden afgewezen, omdat het niet aannemelijk is dat zijn arbeidsplaats om bedrijfseconomische redenen dient te vervallen om een doelmatige bedrijfsvoering te bereiken.

3.3.

Voor zover voor de beoordeling van belang, wordt hierna ingegaan op de stellingen van partijen.

4. De beoordeling

4.1.

[verzoekster] heeft toestemming gevraagd aan het UWV om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op te zeggen1. Omdat het UWV deze toestemming niet heeft gegeven, heeft [verzoekster] de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden2.

4.2.

Het verzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden kan slechts worden ingewilligd als er geen opzegverbod geldt3. Van een opzegverbod is in deze zaak geen sprake, zodat een opzegverbod aan toewijzing van het verzoek niet in de weg staat.

4.3.

Voor het ontbinden van de arbeidsovereenkomst is vereist dat er een redelijke grond is en herplaatsing van (in dit geval) [verweerder] binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in rede ligt4. Volgens [verzoekster] is er sprake van de redelijke grond uit artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder a BW: het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of het, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, noodzakelijkerwijs vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering.

4.4.

Vooropgesteld wordt dat het uitgangspunt is dat een werkgever beslissingen moet kunnen nemen die gericht zijn op het voorbestaan van de onderneming op langere termijn, zodat bij de toetsing van die beslissing een zekere terughoudendheid past.

4.5.

[verzoekster] heeft voldoende (met stukken) onderbouwd dat de coronacrisis heeft geleid tot een sterke daling in de resultaten binnen [verzoekster] . Volgens [verweerder] heeft [verzoekster] echter over 2020 geen negatief resultaat geboekt, wat door [verzoekster] is erkend. Om te mogen reorganiseren is het echter niet nodig dat het resultaat daadwerkelijk negatief is. Voldoende is onderbouwd dat het financieel weldegelijk slechter ging met [verzoekster] en dat er een noodzaak was om kostenbesparende maatregelen te nemen. Dat de impact van de coronacrisis misschien tijdelijk is, omdat inmiddels is gestart met het vaccineren en de voorspellingen van economen van banken positief zijn, maakt niet dat [verzoekster] geen kostenbesparende maatregelen meer mag nemen. [verzoekster] moet immers de kans krijgen om haar schade te beperken en te voorkomen dat de continuïteit van [verzoekster] in gevaar komt. Voorts is het ook nog onzeker hoe het in de toekomst zal gaan met de coronacrisis, met name in de transportsector, zodat [verzoekster] er nog steeds belang bij heeft om haar kosten te verminderen.

4.6.

[verzoekster] heeft iedere afdeling een target gegeven om bij te dragen aan de totale kostenbesparing. De ICT-afdeling moest hierdoor € 260.000,- besparen. Omdat deze besparing op de ICT-afdeling niet volledig kon worden gerealiseerd door het verminderen van externe uitgaven, is ervoor gekozen om twee arbeidsplaatsen te laten vervallen, namelijk twee van de vier BAPC’s. Volgens [verzoekster] is deze functie niet noodzakelijk voor de kritische bedrijfsprocessen en kan er hiermee ook gelijk een efficiëntie slag worden gemaakt. [verweerder] heeft erkend dat zijn functie als BAPC niet een kritische functie is voor de bedrijfsprocessen, maar volgens [verweerder] is zijn functie wel heel belangrijk en draagt zijn functie bij aan de winstgevendheid en daarmee levensvatbaarheid van [verzoekster] . Den Hartog heeft op zich wel erkend dat het voor de Business units wennen zal zijn als zij minder BAPC’s tot hun beschikking hebben, maar volgens [verzoekster] is er geen andere manier om op de ICT-afdeling kosten te besparen en kunnen de Business units veel van de werkzaamheden van de BAPC’s zelf. Daarnaast kan [verzoekster] in de nabije toekomst met minder BAPC’s verder, omdat [verzoekster] bezig is met het maken van een efficiëntieslag met behulp van het externe bedrijf [naam bedrijf] . Er wordt een nieuw datawarehouse gemaakt waardoor de Business units straks zelf hun data en rapportages kunnen ophalen en er minder BAPC’s nodig zijn om de Business units te ondersteunen.

4.7.

De kantonrechter is van oordeel dat [verzoekster] gelet op het voorgaande voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een bedrijfseconomische noodzaak is om kosten te besparen door de tegenvallende resultaten vanwege de coronacrisis en dat zij op de ICT-afdeling geen andere mogelijkheid heeft om kosten te besparen dan door twee arbeidsplaatsen van BAPC’s te laten vervallen. Voldoende aannemelijk is dat deze functie niet cruciaal is om de operationele business kritische bedrijfsprocessen staande te houden en dat er door een al ingezette efficiëntieslag ook minder BAPC’s nodig zullen zijn om de Business units te ondersteunen. Dat het ontslag van [verweerder] maar in beperkte mate zal bijdragen aan het resultaat, betekent niet dat er geen reden is om [verweerder] te ontslaan. Het ontslag van [verweerder] vanwege het vervallen van zijn functie is onderdeel van een heel pakket aan kostenbesparende maatregelen die [verzoekster] heeft genomen. Er moet derhalve naar het geheel aan maatregelen gekeken worden en niet naar de gevolgen per werknemer.

Volgens [verweerder] is er veel meer werk voor de BAPC’s dan [verzoekster] meent. Ook op dit punt geldt dat [verzoekster] de vrijheid heeft om haar bedrijf in te richten zoals zij dat zelf wil. [verzoekster] vindt het kennelijk mede gelet op de ingezette efficiëntieslag acceptabel dat er minder BAPC’s zijn om de Business units te ondersteunen en volgens [verzoekster] zal de kostenbesparing opwegen tegen het wegvallen van de ondersteuning door de BAPC’s. [verzoekster] heeft hiermee voldoende aannemelijk gemaakt dat het ontslag van [verweerder] desondanks voor een doelmatige bedrijfsvoering zal zorgen.

4.8.

[verweerder] heeft voorgesteld om de samenwerking met het [naam bedrijf] te beperken en de twee boventallig verklaarde BAPC’s (waaronder hijzelf) mee te laten werken met [naam bedrijf] aan het nieuw te bouwen datawarehouse. Het UWV heeft in haar besluit overwogen dat [verzoekster] onvoldoende naar deze optie heeft gekeken en hierdoor onvoldoende heeft aangetoond dat het ontslag van [verweerder] ten dienste staat van een doelmatige bedrijfsvoering. Daarin kan het UWV, met de toelichting die [verzoekster] inmiddels heeft gegeven niet worden gevolgd. [naam bedrijf] is door [verzoekster] ingeschakeld om een nieuw datawarehouse te bouwen, omdat [naam bedrijf] technische kennis heeft die de medewerkers van [verzoekster] niet hebben. [verzoekster] heeft voldoende onderbouwd dat het mee laten draaien van de boventallig verklaarde BAPCs’ in dit project duurder zal zijn, omdat deze BAPC’s niet voldoende technische kennis hebben om [naam bedrijf] te ondersteunen. Het is dus niet zondermeer aannemelijk dat hierdoor een kostenbesparing gerealiseerd zal worden, zoals door [verweerder] is gesteld. Dat het uiteindelijk wel wat langer zal duren voordat het nieuwe datawarehouse is geïmplementeerd als twee BAPC’s wegvallen, is volgens [verzoekster] acceptabel gelet op de kostenbesparing. [verzoekster] is daarmee voldoende ingegaan op het voorstel van [verweerder] , en heeft voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het ontslag van [verweerder] ten dienste staat van een doelmatige bedrijfsvoering.

4.9.

Gelet op wat hiervoor is overwogen is er een redelijke grond voor het ontslag van [verweerder] , namelijk wegens bedrijfseconomische redenen5. Partijen zijn het er over eens dat op grond van het afspiegelingsbeginsel [verweerder] boventallig is.

4.10.

Naast een redelijke grond moet ook herplaatsing niet mogelijk zijn. [verzoekster] heeft dit voldoende onderbouwd. [verweerder] heeft nog gewezen op de functie van Manager BI Platform & Data Management, maar deze functie is niet geschikt voor [verweerder] omdat die veel managementtaken bevat. Van [verzoekster] kan niet worden verwacht dat zij deze functie opsplitst en verdeeld over twee mensen alleen om [verweerder] in dienst te houden.

4.11.

Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] toewijsbaar is en wel per 1 juni 2021 conform artikel 7:671b lid 9 aanhef en onder a BW.

4.12.

Op grond van artikel 7:673 lid 1 BW heeft [verweerder] recht op een transitievergoeding, omdat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op initiatief van [verzoekster] . De transitievergoeding bedraagt € 6.988,56 bruto en [verzoekster] wordt ertoe veroordeeld dit bedrag aan [verweerder] te betalen.

4.13.

Gelet op de aard van de relatie tussen partijen is er aanleiding om te bepalen dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure draagt.

5. De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 1 juni 2021;

veroordeelt [verzoekster] tot betaling aan [verweerder] van een transitievergoeding van € 6.988,56 bruto;

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;

verklaart het voorgaande uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.R. Roukema en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

31688

1 artikel 7:671a lid 1 BW

2 artikel 7:671b lid 1 aanhef en onder b BW

3 artikel 7:671b lid 2 BW

4 artikel 7:671b lid 2 BW in verbinding met artikel 7:669 lid 1 BW

5 artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder a BW