Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3771

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-04-2021
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
10/052278-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Avondklokrellen in Rotterdam op 25 januari 2021. Verdachte is veroordeeld voor openlijk geweld, bestaande uit het op de grond gooien van een kassa in een bedrijfspand, het met een hamer slaan tegen ruiten van bedrijfspanden en het gooien van stenen naar auto’s. Ook een veroordeling voor de diefstal van een pot voedingssupplementen en een hamer. Bij het bepalen van de strafmaat is de verdachte zwaar aangerekend dat hij actief heeft bijgedragen aan de rellen, maar ook is meegenomen dat hij niet tot de aanstichters kan worden gerekend en dat hij een, makkelijk op te jutten, meeloper is gebleken. Aan hem is opgelegd een gevangenisstraf van 75 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 100 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/052278-21

Datum uitspraak: 9 april 2021

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. M.M.J. Bos, advocaat te Dordrecht.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 9 april 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.P.G. de Beer heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Partiële vrijspraak

De rechtbank acht – anders dan de officier van justitie – ten aanzien van feit 1 niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen politiemensen van de Mobiele Eenheid door stenen naar hen te gooien. Dit kan niet worden afgeleid uit de bewijsmiddelen. In het dossier bevindt zich weliswaar een proces-verbaal met fotobijlage waaruit blijkt dat de verdachte met stenen heeft gegooid – wat hij ook bekent – maar de verbalisant heeft niet gerelateerd dat de verdachte in de richting van de Mobiele Eenheid gooide. De verdachte ontkent dit ook. Daarom zal hij van dit onderdeel worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2 is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachten af te leiden is. Hij zal daarvan dan ook worden vrijgesproken. Dit brengt mee dat hij ook moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde braak, omdat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die de ruit van ‘[naam winkel 1]’ heeft vernield.

4.2.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering feiten 1 en 2

De onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zijn door de verdachte bekend en zijn raadsman heeft geen integrale vrijspraak bepleit. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.3.

Bewezenverklaring

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1

hij op 25 januari 2021 te Rotterdam,

op de Groene Hilledijk en/of de Slaghekstraat en/of Strijensestraat en/of Polderlaan, in elk geval op of aan de openbare weg en op een voor het publiek toegankelijke plaats,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen bedrijfspanden van [naam winkel 1] en [naam winkel 2] en [naam winkel 3] en/of de inboedel van die bedrijfspanden en/of (geparkeerde en/of passerende) voertuigen door

- een kassa op te pakken en (vervolgens) op de grond te gooien en

- ( meermaals) (met kracht) met een hamer tegen (een) ruit(en) van die bedrijfspanden te slaan en

- met stenen naar, althans in de richting van, (geparkeerde en/of passerende) voertuigen te gooien;

2

hij op omstreeks 25 januari 2021 te Rotterdam

bij gelegenheid van oproer,

een pot voedingssupplementen en een hamer, die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte toebehoorden, te weten aan [naam winkel 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om zich die wederrechtelijk toe te eigenen

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de opgave van de bewijsmiddelen.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen, meermalen gepleegd;

2. diefstal bij gelegenheid van oproer.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

In de loop van 25 januari 2021 zijn op social media diverse oproepen verschenen om te komen rellen. Aanleiding daartoe was het instellen van een avondklok, een maatregel die getroffen was om (de gevolgen van) de heersende Covid19-pandemie te beheersen. Aan deze oproep hebben grote groepen gehoor gegeven, waarna ongeregeldheden zijn ontstaan. De verdachte heeft zich aangesloten bij de relschoppers en heeft bijgedragen aan het geweld door vernielingen te plegen en met stenen te gooien. Het interieur van de winkel [naam winkel 1] is volkomen verwoest door de relschoppers. De verdachte heeft hieraan deelgenomen door een kassa op de grond te gooien. Daarnaast heeft hij een uit deze winkel afkomstige pot voedingssupplementen en een hamer weggenomen. Vervolgens heeft hij met deze hamer de ruiten van een aantal andere bedrijfspanden vernield. Op basis van de camerabeelden kan geconstateerd worden dat de verdachte gedurende ruim een uur heeft deelgenomen aan de avondklokrellen.

De verdachte heeft zich aan deze feiten schuldig gemaakt tegen de achtergrond van de zogenoemde avondklokrellen die op 25 januari 2021 ook in Rotterdam uitbraken.

Door de omvang en het uitzinnige geweld hebben deze rellen grote impact gehad op de samenleving en op de professionals die het geweld moesten beteugelen. Uit het verslag van de pelotonscommandant van de Mobiele Eenheid blijkt dat het ging om zeer agressieve, rellende jongeren, waardoor de Mobiele Eenheid onder zware druk heeft opgetreden. Daarnaast zijn ondernemers van wie de eigendommen vernield of gestolen zijn financieel enorm gedupeerd door de rellen en hebben deze een gevoel van onrust en onveiligheid aangewakkerd in toch al voor veel mensen, met name ondernemers, zware tijden. Dat de verdachte hieraan actief heeft bijgedragen rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. Wel onderkent de rechtbank, met de officier van justitie en de verdediging, dat de verdachte niet tot de aanstichters van de rellen kan worden gerekend. Hij is een, makkelijk op te jutten, meeloper gebleken.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 1 april 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.


Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 24 februari 2021. Uit dit rapport blijkt het volgende. Verdachtes verstandelijke beperking en de omstandigheid dat hij in het verleden is gediagnosticeerd met ADHD zijn risicoverhogende factoren. Deze maken dat de verdachte zijn handelen niet altijd goed overziet en onder invloed van groepsdruk makkelijker lijkt te bezwijken voor grensoverschrijdend gedrag. Ook is er sprake van fors softdrugsgebruik en was de verdachte onder invloed ten tijde van het delict. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld.


Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan daarop niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank ook acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. In strafmatigende zin houdt zij er rekening mee dat de verdachte een meeloper is geweest, na afloop zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en spijt heeft betuigd. Een deel van de voorgenomen straf zal daarom voorwaardelijk worden opgelegd, met de voorwaarde die hierna wordt genoemd. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast vindt de rechtbank een taakstraf van na te noemen duur aangewezen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 141, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Voorlopige hechtenis

Het bevel tot voorlopige hechtenis is al bij afzonderlijke beslissing van 9 april 2021 opgeheven.

10 . Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 75 (vijfenzeventig) dagen,

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 30 (dertig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. V.F. Milders, voorzitter,

en mrs. A.M.G. van de Kragt en M.M. Dolman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.A. Koreneef, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1

hij op of omstreeks 25 januari 2021 te Rotterdam,

op de Groene Hilledijk en/of de Slaghekstraat en/of Strijense straat en/of Polderlaan, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (een) bedrijfspand(en) van de [naam winkel 1] en/of [naam winkel 2] en/of [naam winkel 3] en/of de inboedel van die/dat bedrijfspand(en) en/of (geparkeerde en/of passerende) voertuigen en/of politiemensen van de Mobiele Eenheid door

- een kassa op te pakken en (vervolgens) op de grond te gooien en/of

- (meermaals) (met kracht) met een hamer tegen (een) ruit(en) van die/dat bedrijfspand(en) te slaan en/of

- met (een) ste(e)n(en) naar, althans in de richting van, (geparkeerde en/of passerende) voertuigen en/of politiemensen van de Mobiele Eenheid te gooien;

( art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2

hij op of omstreeks 25 januari 2021 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

bij gelegenheid van oproer,

(een) pot(ten) voedingssupplementen en/of een hamer, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam winkel 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen pot(ten) en/of hamer onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 Wetboek van Strafrecht )

Gezien art 313 Wetboek van Strafvordering;