Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3768

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
10-052038-2
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gemotiveerde vrijspraak van de verdachte voor openlijk geweld en diefstal in vereniging tijdens avondklokrellen op

25 januari 2021 in Rotterdam-Zuid. Wijze waarop herkenning van de verdachte door verbalisant tot stand is gekomen is ‘gemankeerd.’

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10-052038-21

Datum uitspraak: 13 april 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ), zonder bekende woon-of verblijfplaats in Nederland, thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Dordrecht,

raadsman mr. D.A.W. Dekker, advocaat te Almere.

Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 13 april 2021.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze is gewijzigd, overeenkomstig de vordering van de officier van justitie op de terechtzitting van 13 april 2021. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Onder feit 1 wordt de verdachte verweten dat hij tijdens de avondklokrellen op
25 januari 2021 in Rotterdam-Zuid openlijk geweld heeft gepleegd tegen goederen en onder
feit 2 dat hij tijdens die rellen in vereniging sieraden en horloges heeft gestolen in de juwelenwinkel [naam juwelier] .

Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.P.G. de Beer heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest.

Waardering van het bewijs

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring beide feiten. Volgens de officier van justitie is de verdachte door verbalisant [naam verbalisant] (hierna: de verbalisant) herkend als één van de betrokken personen bij de beide feiten. Er is sprake van een deugdelijke herkenning, die gebruikt kan worden voor het bewijs.

Beoordeling

Het dossier bevat geen andere bewijsmiddelen voor de betrokkenheid van de verdachte bij de ten laste gelegde feiten dan de herkenning door de verbalisant. Zij heeft in een proces-verbaal van bevindingen gerelateerd dat zij de verdachte op een foto ( [kenmerk verdachte] ) heeft herkend aan zijn kleding, haardacht, oorbellen, brede neus en postuur. Zij kent de verdachte omdat zij hem tijdens een eerder onderzoek in persoon heeft verhoord.

Tijdens het getuigenverhoor op de zitting heeft de verbalisant de herkenning bevestigd, waarbij zij heeft verklaard de verdachte op de aan haar getoonde foto’s met 100 % zekerheid te herkennen.

De rechtbank stelt voorop dat de herkenning van de verbalisant, gelet op de beslissende betekenis ervan, zeer kritisch moet worden beschouwd. De rechtbank twijfelt er niet aan dat de verbalisant oprecht meent dat zij de verdachte heeft herkend. De wijze waarop de herkenning tot stand is gekomen is alleen gemankeerd. Naar eigen zeggen heeft de verbalisant, de herkenning gedaan nadat een collega haar had gewezen op een specifieke verdachte ( [kenmerk verdachte] ) op de speciale (rellen)pagina op de interne politiesite. Daarbij was gesuggereerd dat zij de betreffende persoon zou moeten herkennen. Dit kan zeker hebben geleid tot een deuk in de onbevangenheid bij het kijken naar de foto’s. Daarnaast kan redelijkerwijs worden getwijfeld aan de juistheid van de herkenning. Op één van de foto’s waarop de verbalisant de verdachte zegt te herkennen, en die ter zitting ook is getoond als nummer 7 van de stills van de camerabeelden, is het gezicht van de persoon gedeeltelijk bedekt met een mondkapje, en is, anders dan uit het proces-verbaal van bevindingen lijkt te volgen, zijn haardracht niet goed zichtbaar. Bovenal is van deze still niet duidelijk waar en wanneer dit beeld is opgenomen.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat aan de herkenning niet de (beslissende) waarde kan worden gehecht die de officier van justitie daaraan gehecht wenst te zien.

Conclusie

Er is dus onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden waaruit volgt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van de feiten 1 en 2.

Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich namens [naam juwelier] , middels een voegingsformulier in het geding gevoegd, [naam benadeelde] , ter zake van de feiten 1 en 2. De benadeelde partij vordert een bedrag aan € 50.000,-- aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van ontstaan van de schade.

Beoordeling

Nu de verdachte is vrijgesproken van de - hiervoor genoemde - feiten waaruit de schade voor de benadeelde partij zou zijn ontstaan, zal de rechtbank de benadeelde partij
niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.

Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij [naam benadeelde] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H. Janssen, voorzitter,

en mrs. C.E. Bos en F.J.E. van Rossum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. U. Ramdihal-Poeran, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 april 2021.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 25 januari 2021 te Rotterdam, op de openbare weg, te weten de [naam locatie] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een bedrijfspand van [naam juwelier] en/of de inboedel van dat bedrijfspand door
- met (diverse) voorwerp(en) tegen (een) ruit(en) van dat bedrijfspand te gooien en/of
- tegen (een) ruit(en) van dat bedrijfspand te trappen en/of
- (een) ruit(en) van dat bedrijfspand te vernielen/kapot te maken en/of
- (met kracht) aan/tegen een rolluik te trekken en/of te duwen en/of
- (vervolgens) een rolluik te verbuigen en/of
- vitrines en/of vitrinekasten en/of displays op de grond te gooien;

2.
hij op of omstreeks 25 januari 2021 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, bij gelegenheid van oproer, een of meer sieraden en/of horloges, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam juwelier] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming.