Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3672

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
26-04-2021
Zaaknummer
C/10/594400 / HA ZA 20-347
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 843a Rv. Aantonen van vermoede tekortkoming of onrechtmatige daad. Geen rechtmatig belang bij het opvragen van bescheiden waarvan de eiser slechts vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan zijn stellingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/594400 / HA ZA 20-347

Vonnis van 21 april 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. D.C. van Genderen te Rotterdam,

tegen

[gedaagde]

in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bresser B.V.

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. D.E. Kocer te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser] ” en “de curator”.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 13 maart 2020, met producties 1 tot en met 23;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 7;

  • -

    de brief van de rechtbank van 29 juli 2020, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling;

  • -

    de brief van de rechtbank van 26 augustus 2020, waarbij partijen zijn geïnformeerd dat de mondelinge behandeling niet door kan gaan op de door de rechtbank bepaalde datum;

  • -

    de brief van de rechtbank van 23 september 2020, waarbij de rechtbank een nieuwe datum voor de mondelinge behandeling heeft bepaald en partijen daarvoor zijn opgeroepen;

  • -

    de brief van 3 december 2020 van de zijde van [eiser] , met producties 24 en 25;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 december 2020;

  • -

    de brief van [eiser] van 29 december 2020 met opmerkingen over het proces-verbaal;

  • -

    de brief van de curator van 13 januari 2021 met opmerkingen over het proces-verbaal;

  • -

    de brief van [eiser] van 19 januari 2021 in reactie op de brief van 13 januari 2021 van de curator.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[eiser] is eigenaar van het pand aan de [straatnaam] 26 te Rotterdam.

2.2.

[naam persoon 1] en [naam persoon 2] zijn eigenaar van het pand aan de [straatnaam] 28 te Rotterdam. De panden aan de [straatnaam] 26 en 28 delen een gezamenlijke zijmuur.

2.3.

In de periode tussen eind 2011 en begin 2012 heeft Bresser B.V. (hierna: Bresser), een aannemingsbedrijf, in opdracht van [naam persoon 1] en [naam persoon 2] funderingswerkzaamheden uitgevoerd aan (onder meer) het pand aan de [straatnaam] 28 .

2.4.

[eiser] heeft op 26 september 2012 Bresser, en [naam persoon 1] en [naam persoon 2] , gedagvaard tot vergoeding van de door hem, [eiser] , geleden schade als gevolg van de aan het pand van [naam persoon 1] en [naam persoon 2] uitgevoerde werkzaamheden.

2.5.

Bresser maakte onderdeel uit van het Bresser concern. Tot het Bresser concern beho(o)r(d)en onder meer Materiaaldienst Brewo B.V., Bresser Eurasia B.V. (hierna: Bresser Eurasia) en Herbie B.V. Bij vonnis(sen) van 24 oktober 2014 zijn Bresser, Materiaaldienst Brewo B.V. en Herbie B.V. op eigen aanvraag failliet verklaard. De curator is curator in het faillissement van Bresser. Op 21 juli 2016 is Bresser Eurasia B.V. bij aandeelhoudersbesluit ontbonden en op 28 juli 2016 opgeheven wegens gebrek aan baten.

2.6.

In het faillissementsverslag van 27 januari 2020 van de curator is - onder meer - opgenomen:

“1.7 Oorzaak faillissement : Volgens het bestuur is door de economische crisis de omzet de afgelopen jaren aanzienlijk gedaald. Opdrachten bleven uit of werden vertraagd, doordat (potentiële)

opdrachtgevers onvoldoende middelen hadden voor het financieren van de projecten.

In een poging de omzet te laten toenemen is de focus verlegd naar het vijzelen en verplaatsen van bruggen en viaducten. De groei van de omzet is onvoldoende gebleken om de doorlopende kosten te voldoen.

In 2013 heeft gefailleerde een groot verlies geleden, veroorzaakt door een geschil over de afronding van een project in Azerbeidzjan. Gefailleerde had diverse roerende zaken in Azerbeidzjan staan, die door de lokale overheid worden vastgehouden. Deze zaken worden door Materieeldienst Brewo B.V. geleased van ABN AMRO Lease.

Voorts stond met betrekking tot dit project een bedrag van ca. € 595.000 open aan onbetaald gelaten facturen. Gefailleerde is hierdoor volgens het bestuur verder in de financiële problemen gekomen.

Eén van de crediteuren heeft kort voor faillissement beslag gelegd op de bankrekeningen van gefailleerde en onder een debiteur. Dit leidde tot niet oplosbare liquiditeitsproblemen.

De Bresser Groep had een groepsfinanciering en vormde (m.u.v. Bresser Civiel B.V.) een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Het bestuur zag zich genoodzaakt zelf faillissement van de Bresser Groep aan te vragen.

Het onderzoek naar de oorzaak van het faillissement is voltooid. De bevindingen bevestigen de verklaringen van het bestuur. Geen aanwijzingen bestaan dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is.”

2.7.

De door [eiser] geëntameerde procedure jegens Bresser is als gevolg van het faillissement van Bresser geschorst. De procedure jegens [naam persoon 1] en [naam persoon 2] is door [eiser] in 2018 voortgezet en wordt behandeld bij deze rechtbank (zaaknummer / rolnummer: C/10/543943 / HA ZA 18-110).

2.8.

Op 23 januari 2018 heeft [eiser] voorts een bodemprocedure aanhangig gemaakt tegen de verzekeraar van Bresser. De vordering van [eiser] strekt tot nakoming van de door de verzekeraar jegens [eiser] gedane toezeggingen tot vergoeding van de schade waartoe Bresser aansprakelijk mocht blijken. Ook die procedure wordt behandeld bij deze rechtbank (zaaknummer / rolnummer C/10/554123 / HA ZA 18-653).

3. Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

“gedaagde te gebieden tot exhibitie, door het verstrekken van afschrift van, althans, subsidiair, het verstrekken van inzage in

( a) volledige commerciële jaarrekeningen van Herbie B.V., Bresser B.V., en Materiaaldienst

Brewo B.V. voor de periode 2010 tot en met 2014, [en] voor zover deze niet definitief zijn de

concepten van die jaarrekeningen en de volledige commerciële jaarrekeningen van Bresser

Eurasia vanaf 2012 tot en met 2016;

( b) alle correspondentie tussen en memo’s van leidinggevenden en/of werknemers van de

Bresser-groep en Bresser Eurasia dan wel andere personen werkzaam voor de Bresser-groep, met betrekking tot de totstandkoming van die (concept) jaarrekeningen voor 2010 tot en met 2016;

( c) uitdraaien van omzetoverzichten uit de administratie van de Bresser-groep en Bresser

Eurasia met betrekking tot de omzetten in die vennootschappen in de jaren 2010 tot en met

2016;

( d) (schriftelijke en digitale) notities en correspondentie tussen leidinggevenden en/of

werknemers van Bresser en Bresser Eurasia dan wel andere personen werkzaam voor de

Bresser-groep, met betrekking tot (de vordering van [eiser] wegens) het project

[straatnaam] 28 t/m 32 , het project in Azerbeidzjan en de lease van materialen en verzekeringen ten behoeve van die projecten;

( e) fotografisch materiaal waarop het verloop van de werkzaamheden bij de [straatnaam] 28 , 30 en 32 in beeld is gebracht;

( f) schriftelijke en digitale logboeken en notities van werknemers waarin het verloop van de

werkzaamheden bij de [straatnaam] nrs. 28 , 30 en 32 is omschreven.

zulks met veroordeling van gedaagde in de kosten van dit geding, waaronder de na het vonnis vallende nakosten.”

3.2.

De curator voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de werkelijk gemaakte proceskosten, danwel met toepassing van het hoogste liquidatietarief.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Ter zitting heeft [eiser] de grondslag van zijn eis beperkt tot artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). [eiser] stelt de gevraagde stukken nodig te hebben (i) ter onderbouwing van stellingen die dragend zijn voor zijn rechtsvordering in de aanhangige procedure tegen de verzekeraar, alsook zijn rechtsvordering in de aanhangige procedure tegen [naam persoon 1] en [naam persoon 2] . Tevens zijn de stukken nodig (ii) ter onderbouwing, althans verificatie van de juistheid, van stellingen die ten grondslag liggen aan een voorgenomen rechtsvordering tegen de bestuurders c.q. feitelijk leidinggevenden (hierna: de bestuurders) van Bresser, aldus [eiser] .

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 843a Rv ziet op de bijzondere exhibitieplicht in en buiten rechte. Artikel 843a Rv schept geen algemeen inzagerecht. Het vormt een uitzondering op de hoofdregel dat iemand onder hem berustende bescheiden niet aan een ander hoeft af te geven (HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007: BA3529).

4.3.

Op grond van artikel 843a lid 1 Rv kan een partij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Op basis van dit artikel dient er dus aan vier cumulatieve vereisten worden voldaan, wil een vordering tot afgifte van stukken of inzage in stukken toewijsbaar zijn, namelijk:

  1. er moet sprake zijn van een rechtmatig belang,

  2. het moet gaan om bepaalde bescheiden,

  3. er moet sprake zijn van een rechtsbetrekking, en

  4. degene van wie de bescheiden worden gevorderd, dient deze bescheiden tot zijn beschikking of onder zijn berusting te hebben.

4.4.

Bij de beoordeling van de vraag of aan die criteria is voldaan heeft te gelden dat degene die inzage, afschrift of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt om een door hem vermoede tekortkoming of onrechtmatige daad te kunnen aantonen, gemotiveerd zodanige feiten en omstandigheden zal dienen te stellen en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal moeten onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat die tekortkoming of onrechtmatige daad zich heeft voorgedaan of dreigt voor te doen (HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251)

Stukken onder (a) tot en met (d)

4.5.

De rechtbank zal eerst beoordelen de vordering van [eiser] tot afgifte dan wel inzage van de stukken zoals omschreven onder (a) tot en met (d) in 3.1. [eiser] stelt daarbij belang te hebben in verband met, kortweg, zijn vordering uit bestuurdersaansprakelijkheid (zie (ii) in 4.1).

4.6.

Bresser is in oktober 2014 op eigen aanvraag failliet verklaard. Ten aanzien van de oorzaak van het faillissement heeft de curator in het faillissementsverslag van 27 januari 2020 (zie 2.6) onder meer opgenomen dat de economische crisis volgens de bestuurder van Bresser heeft geleid tot een aanzienlijke omzetdaling in de jaren die voorafgingen aan het faillissement. Daarnaast zouden opdrachten zijn uitgebleven. Als concretere aanleiding voor het faillissement wijst de curator naar een project dat zusterbedrijf Bresser Eurasia B.V. in 2013 had aangenomen in Azerbeidzjan. Door een geschil over de afronding van dit project, is door Bresser een groot verlies geleden.

4.7.

[eiser] heeft verklaard dat hij voornemens is een schadevergoedings-procedure in te stellen tegen de bestuurders van Bresser omdat hij vermoedt dat zij - met het oogmerk de procedure waarin [eiser] schadevergoeding door Bresser had gevorderd, te frustreren - hebben bewerkstelligd dat Bresser failliet is verklaard. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stellingen gewezen op de volgende omstandigheden:

  • -

    de constante, goede resultaten van Bresser, tot een plotse wijziging van de grondslag voor winst- en verliesbepaling voor het boekjaar 2011,

  • -

    het opnemen van een ruime voorziening door Bresser voor de vordering van [eiser] die grotendeels verzekerd was,

  • -

    ongerijmdheden tussen de in het publieke domein bekende feiten over het project in Azerbeidzjan, en de mededelingen die daarover kennelijk door de leiding aan de curator zijn verstrekt,

  • -

    het ontbreken van enige verklaring over het kennelijk onverzekerd leasen van materiaal voor een project in een land met een berucht niveau van corruptie,

  • -

    de omstandigheid dat de vermeende schade uit het project in Azerbeidzjan in hoogte dicht in de buurt komt van de hoogte van de vordering van [eiser] .

4.8.

De in 4.7 genoemde omstandigheden zijn - in de visie van [eiser] - aanwijzingen dat de bestuurders van Bresser een “vals voorwendsel” hebben geconstrueerd om het faillissement van Bresser te bewerkstelligen. In de dagvaarding verwoordt [eiser] dit als volgt.

“ Daarnaast vermoedt [eiser] dat het inboeken van het verlies in Bresser een schijnconstructie is geweest. Bresser heeft kennelijk een verlies van ruim 557.000 euro gefingeerd, om aldus in de schijnbare staat toestand te geraken van onvermogen aan de verplichtingen te voldoen. Aldus heeft de leiding van Bresser vermoedelijk met manipulatie van financiële gegevens op frauduleuze wijze het faillissement bewerkstelligd. De ware reden voor de faillissementsaanvraag door Bresser, zo vermoedt [eiser] , is dat Bresser aan een gerechtelijke procedure wenste te ontkomen, in het bijzonder om te voorkomen dat haar precieze werkwijze bij het funderingsproject aan de [straatnaam] aan het licht zou worden gebracht in het kader van haar aansprakelijkheid voor de schade aan pand [straatnaam] nr. 26. [eiser] overweegt de gewezen leidinggevenden van Bresser aan te spreken tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad, gepleegd door het fingeren van een grondslag voor het aanvragen van faillissement, waarmee [eiser] schade is toegebracht

doordat hij zijn vordering niet langer op Bresser geldend kon maken. Deze onrechtmatige handelwijze zou kunnen blijken uit contractdocumenten en financiële stukken over het project van Bresser Eurasia en de betrokkenheid van Bresser daarbij, alsook uit stukken met betrekking

tot de besluitvorming omtrent de omgang met de vordering van [eiser] en de besluitvorming omtrent het aanvragen van faillissement.”

4.9.

De curator heeft aangevoerd dat hij zich niet kan verenigen met de bedenkingen van [eiser] ten aanzien van de oorzaken van het faillissement van Bresser en heeft verklaard dat hij geen stukken in de administratie heeft aangetroffen die tot een dergelijke conclusie aanleiding zouden kunnen geven.

4.10.

De rechtbank oordeelt dat aan de vereisten genoemd in 4.3 niet is voldaan. Daargelaten of de in deze procedure door [eiser] naar voren gebrachte feiten en omstandigheden (zie 4.7) het voldoende aannemelijk maken dat er sprake is van de door hem gestelde onrechtmatige daad, en of de documenten voldoende bepaald zijn, kan op basis van hetgeen hij heeft gesteld geen rechtmatig belang bij het verkrijgen van de betreffende documenten worden vastgesteld. Daarvoor is het volgende redengevend. Uit de hiervoor (in 4.8) weergegeven onderbouwing blijkt dat [eiser] (slechts) vermoedens heeft ten aanzien van de handelswijze van de bestuurders van Bresser en dat hij ook niet weet of gevorderde stukken de informatie zullen bevatten die die handelswijze en zijn vordering in een eventuele schadeprocedure zouden kunnen ondersteunen (4.8, laatste zin). Dat Bresser allerminst zeker is dat de gevraagde stukken steun zullen geven aan zijn stellingen wordt voorts bevestigd door [eiser] waar hij stelt dat hij de stukken nodig heeft “ter onderbouwing, althans verificatie van de juistheid, van stellingen die ten grondslag liggen aan een voorgenomen rechtsvordering tegen de gewezen leidinggevenden van Bresser, de heren [..]” (rn 30 dagvaarding) en dat exhibitie van concepten van jaarrekeningen van Bresser voor de periode vanaf 2011 [eiser] in de gelegenheid zou stellen “te verifiëren en daarmee kunnen bevestigen dan wel ontkrachten, of Bresser inderdaad een verlies had geleden van ruim 581.000 euro en dus terecht een negatieve reserve op de jaarrekening 2011 is vermeld, of dat dit een gefingeerde verliespost betreft” (rn 81 dagvaarding). Dit maakt dat er geen sprake is van een rechtmatig belang; artikel 843a Rv biedt niet de mogelijkheid om documenten op te vragen waarvan de eiser slechts vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan zijn stellingen.

4.11.

De conclusie is dat de vordering ten aanzien van de onder (a) tot en met (d) in 3.1 genoemde stukken moet worden afgewezen.

Stukken onder (e) en (f)

4.12.

Ter onderbouwing van de onder (i) in 4.1 aangehaalde vorderingen heeft [eiser] aangevoerd dat hij vermoedt dat Bresser ongebruikelijke en onrechtmatige methoden heeft toegepast bij het uitvoeren van funderingswerkzaamheden onder de buurpanden. [eiser] vermoedt bovendien dat [naam persoon 1] en [naam persoon 2] Bresser opdracht hebben gegeven tot, althans hebben ingestemd met, het rechtzetten van hun pand, met zeer grote schade voor [eiser] tot gevolg. Ook is de verzekeraar door [eiser] in rechte aangesproken. De verzekeraar heeft zich namelijk rechtstreeks jegens [eiser] verbonden tot het vergoeden van de schade waartoe Bresser aansprakelijk mocht blijken.

Ter onderbouwing van deze vorderingen vraagt [eiser] afgifte van de stukken genoemd onder (e) en (f) in 3.1. Deze stukken kunnen volgens hem informatie verschaffen die feitelijke steun geven aan de stelling dat door Bresser onrechtmatig is gehandeld in de uitvoering van deze werkzaamheden en dat [naam persoon 1] en [naam persoon 2] daarvan kennis hadden of daartoe zelfs opdracht moeten hebben gegeven. Volgens [eiser] dient de curator over deze stukken te beschikken omdat zij verband houden met het project waarop één van de grootste vorderingen in het faillissement betrekking heeft en tot de verplichte administratie dienen te behoren.

4.13.

De curator heeft (onder meer) aangevoerd dat de door [eiser] gezochte stukken zich naar het zich laat aanzien niet in de administratie van Bresser bevinden. De curator beschikt over twee ordners met informatie over de verbouwing van de buurpanden, maar dit zijn stukken waarover [eiser] reeds beschikt. De curator heeft betwist dat de onder (e) en (f) gevraagde stukken tot de verplichte administratie zouden behoren.

4.14.

De rechtbank overweegt allereerst dat [eiser] de stelling van de curator dat alle stukken met betrekking tot de werkzaamheden aan de betreffende panden, die hem bekend zijn, zijn overgelegd in de procedure van [eiser] tegen de verzekeraar, en dus in het bezit zijn van [eiser] , niet heeft betwist. Voor zover zich daarbij onder (e) en (f) genoemde stukken bevinden, ontbreekt dus het belang van [eiser] bij zijn vordering tot afgifte van die stukken.

Ten aanzien van overige door [eiser] gewenste stukken overweegt de rechtbank als volgt. De curator heeft betwist dat de (overige) gevorderde stukken tot de verplichte administratie behoren, en [eiser] heeft die betwisting vervolgens onbesproken gelaten. De curator heeft voorts aangegeven een oppervlakkig onderzoek te hebben gedaan in de digitale beschikbare administratie waarbij geen relevante correspondentie is aangetroffen. Gezien die verklaringen van de curator had het op de weg van [eiser] gelegen om (nadere) feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat de curator toch over foto’s, logboeken en notities beschikt, en bovendien meer details te geven over de gevraagde stukken. Dit heeft hij niet gedaan. Anders dan [eiser] meent, kan de curator in die omstandigheden niet op basis van artikel 843a Rv worden verplicht in de (digitale) administratie (uitgebreider) onderzoek te doen of zich daar wellicht nog foto’s of andere documenten bevinden die betrekking hebben op de werkzaamheden aan de betreffende panden.

4.15.

De conclusie is dat de vordering voor zover deze ziet op de onder (e) en (f) genoemde stukken eveneens moet worden afgewezen.

4.16.

De rechtbank overweegt tot slot het volgende. Uit de brieven die door partijen zijn gestuurd na de zitting, blijkt dat zij verschillen van mening over hetgeen ter mondelinge behandeling is verklaard door de curator ten aanzien van de vraag of hij beschikt over jaarrekeningen en balansen van Bresser Eurasia. De rechtbank overweegt dat het al dan niet door de curator beschikken over die stukken niet relevant is voor het oordeel van de rechtbank opgenomen in 4.10 en 4.11. De vraag of de brief van 13 januari 2021 van de curator - waarin hij aangeeft te hebben verklaard niet over de Bresser Eurasia stukken te beschikken - tijdig was, behoeft dan ook geen bespreking.

4.17.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4.18.

De curator heeft vergoeding van de werkelijke proceskosten, dan wel toepassing van het hoogste liquidatietarief gevorderd.

De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak kunnen de werkelijk gemaakte proceskosten alleen worden toegewezen in geval van buitengewone omstandigheden, waarbij moet worden gedacht aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen van de wederpartij (HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, en HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360). Van dergelijke buitengewone omstandigheden is niet gebleken. Door de curator is voorts onvoldoende gemotiveerd waarom het hoogste liquidatietarief dient te worden toegepast. De rechtbank ziet dan ook geen reden om af te wijken van het gebruikelijke liquidatietarief voor handelszaken met een onbepaalde waarde.

4.19.

De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op:

griffierecht: € 304,00

salaris advocaat: € 1.126,00 (2,0 punten x tarief II à € 563,00 per punt).

totaal: € 1.430,00

De over de proceskosten gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen op de wijze als in de beslissing vermeld.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 1.430,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Volker. Het is ondertekend door de rolrechter en op 21 april 2021 uitgesproken in het openbaar.

[3267/1861/2221]