Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3641

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-04-2021
Datum publicatie
28-04-2021
Zaaknummer
9038721 VV EXPL 21-73
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Loonstop zieke werknemer (art. 7:629 lid 3 BW) niet gerechtvaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0545
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9038721 \ VV EXPL 21-73

uitspraak: 12 april 2021

vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser],

eiser bij exploot van dagvaarding van 1 maart 2021,

gemachtigde: mr. A.B. Kalmeijer-Gerts te Zoetermeer,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RBC IMV B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. E. Wilke te Schiedam.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” respectievelijk “RBC”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  • -

    de dagvaarding, met producties;

  • -

    de faxbrief van 24 maart 2021, met aanvullende producties, aan de zijde van [eiser];

  • -

    de brief van 25 maart 2021, met producties, aan de zijde van RBC.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 maart 2021. [eiser] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Kalmeijer-Gerts voornoemd. Namens RBC is verschenen [naam] (HR Medewerker), bijgestaan door de gemachtigde mr. Wilke voornoemd. Partijen hebben, mede aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd, ieder het eigen standpunt (nader) toegelicht. De pleitaantekeningen zijn aan het dossier toegevoegd. Van hetgeen ter zitting is besproken is aantekening gehouden door de griffier.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

In het kader van de onderhavige procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1

[eiser], geboren op 28 december 1955, is op 18 februari 2019 in dienst getreden van RBC in de functie Industrieel Beveiligingswacht (Brandwacht). Laatstelijk is [eiser] werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor 160 uur per periode. Zijn laatstelijk salaris bedraagt € 1.836,80 bruto per vier weken, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.

2.2

In artikel 12 van de arbeidsovereenkomst is, voor zover thans van belang, de volgende bepaling opgenomen:

Art. 12. Ziekte en Arbeidsongeschiktheid

Werknemer is verplicht om gedurende ziekte en arbeidsongeschiktheid de instructies van werkgever op te volgen. Tevens verplicht hij zich aan de controlevoorschriften te onderwerpen.

(…)

Werkgever betaalt bij langdurige ziekte het salaris gedurende een jaar 100% door. Na deze periode (2e jaar) bedraagt de doorbetaling 70% van het laatst verdiende loon.”

2.3

Begin 2020 is bij [eiser] prostaatkanker geconstateerd. Op 25 mei 2020 is [eiser] geopereerd en met ingang van deze datum heeft [eiser] zich ziek gemeld.

2.4

Op 17 juli 2020 is [eiser] gestart met werkzaamheden in het kader van zijn re-integratie conform een opbouwschema.

2.5

Op 17 augustus 2020 heeft [eiser] zich voor deze werkzaamheden ziek gemeld.

2.6

Op 26 augustus 2020 is [eiser] op het spreekuur van de bedrijfsarts geweest. In de terugkoppeling van de bedrijfsarts wordt, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

(…)

Er is sprake van nieuwe medische klachten, betrokkene heeft morgen afspraak voor gericht onderzoek.

Betrokkene is geschikt voor aangepast werk rekening houdend met de beperkingen:

- Persoonlijk Functioneren: concentreren van de aandacht, verdelen van de aandacht, werk met verhoogd persoonlijk risico (bijv. op hoogtes, op trappen en op ladders werken). Het is van belang dat er sanitaire voorzieningen in de buurt zijn.

- Dynamische Handelingen: autorijden, frequent buigen, duwen of trekken > 10kg rechts, tillen of dragen > 5 kg rechts, frequent lichte of zware lasten hanteren, klimmen

- Statische Houdingen: gebogen en/of getordeerd actief zijn, boven schouderhoogte actief zijn, het hoofd in een bepaalde stand > 30 minuten achtereen houden

De prognose voor eigen werk is afhankelijk van de diagnose en van het effect van de behandeling. Deze spreekuurrapportage is met de medewerker besproken, graag een kopie naar betrokkene per post op per Email sturen.

Evaluatie: op fysiek consult over 3-4 weken.”

2.7

[eiser] is op 28 augustus 2020 door RBC uitgenodigd voor een gesprek over zijn re-integratie en het starten van de werkzaamheden op 31 augustus 2020 om 10.00 uur. Nadat [eiser] RBC heeft laten weten niet te kunnen komen, heeft RBC de afspraak verzet naar 12.00 uur. [eiser] is niet op de afspraak verschenen.

2.8

Bij brief van 31 augustus 2020 aan [eiser] heeft RBC aangekondigd de loondoorbetaling te stoppen vanwege het niet meewerken aan de re-integratieverplichtingen door [eiser]. In de brief wordt vermeld dat de sanctie van kracht blijft tot [eiser] besluit mee te werken aan zijn re-integratietraject.

2.9

Op 13 oktober 2020 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en [naam].

2.10

Bij e-mail van 21 oktober 2020 mailt [eiser] het volgende aan [naam]:

“Beste [naam] langs deze weg wil ik vragen om een afspraak met de bedrijfs arts omdat de klachten zijn verergerd”

2.11

Op 22 oktober 2020 mailt [naam] aan [eiser] het volgende:

“Meerdere malen heb ik u afgelopen weken geprobeerd telefonisch te bereiken. U bent onbereikbaar.

Ik wil u vragen mij terug te bellen conform het verzoek, dat kan op het onderstaande telefoonnummer.”

2.12

In reactie op de mail van [naam] reageert [eiser] op 22 oktober 2020 als volgt:

“Ik heb gebeld maar kreeg geen gehoor maar aangezien de vorige telefoongesprekken niet zo goed gingen wil ik nogmaals dringend verzoeken in contact te komen met de bedrijfs arts”

2.13

Op 30 oktober 2020 heeft [eiser] een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd over de vraag of de re-integratie-inspanningen van RBC voldoende zijn.

2.14

Op 15 december 2020 heeft een telefonisch consult met de bedrijfsarts plaatsgevonden. In het verslag van de bedrijfsarts wordt het volgende vermeld:

“Uw werknemer [eiser] heb ik vandaag telefonisch gesproken. Hij staat al meerdere maanden ziekgemeld voor zijn werk als brandbeveiliger. Hij stelt klachten te ervaren welke deels samenhangen met de werksituatie. Van hem heb ik vernomen dat er naast medische problematiek ook sprake is van een conflict met zijn werkgever. Naar mijn oordeel berusten de klachten voor een deel op ziekte. Hij wordt voor de klachten behandeld.

In hoeverre [eiser] momenteel arbeidsongeschikt is voor eigen werk kan ik nu niet goed beoordelen. De prognose voor medisch herstel is gunstig, maar zowel zijn herstel als de re-integratie worden belemmerd door de niet opgeloste situatie op het werk. Ik adviseer werkgever en werknemer om met elkaar een constructief gesprek te hebben over de ontstane situatie op het werk. Mediation kan hierbij behulpzaam zijn om tot een oplossing te komen. Indien [eiser] het niet eens is met dit advies dient hij daarover een deskundigen oordeel bij het UWV aan te vragen.”

2.15

In het deskundigenoordeel van het UWV van 18 december 2020 wordt voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

“(…)

4. Beoordeling re-integratie inspanningen

Het deskundigenoordeel richt zich op verzoek van klant met name op de periode vanaf 26 augustus 2020 tot datum aanvraag 30 oktober 2020. De bedrijfsarts heeft op 26 augustus 2020 een advies gegeven over de belastbaarheid per 26 augustus 2020. De verzekeringsarts is van mening, dat de door de bedrijfsarts opgestelde belastbaarheid d.d. 26 augustus 2020 imponeert als plausibel op basis van de ter beschikking gekomen informatie. De verzekeringsarts geeft voorts aan dat de medische situatie na 26 augustus fors is gewijzigd, waarvan de bedrijfsarts nimmer op de hoogte is geraakt. Werknemer was op medische gronden niet in staat een gesprek met de werkgever aan te gaan. Omstreeks 26 augustus 2020 was het op basis van de gebruikte medicatie weinig verantwoord klant zelfstandig te laten reizen. De arbeidsverhoudingen raakten getroebeleerd en het is volgens de verzekeringsarts alleszins aannemelijk, mede op basis van de medische problematiek, dat werknemer op medische gronden niet in staat was een gesprek met de werkgever aan te gaan. Omdat werknemer bij herhaling verzocht heeft een nieuw gesprek met de bedrijfsarts in te plannen i.v.m. deze bijkomende problematiek na 26 augustus 2020 en de werkgever dit verzoek bij herhaling niet gehonoreerd heeft, ondanks overleg met de arbodienst, is op basis van aanname, zonder medische toetsing uitgegaan van onvoldoende inspanningen van werknemer. Nu de verzekeringsarts bovenstaande visie geeft blijken deze aannames door werkgever niet plausibel te zijn. Werkgever had het verzoek van werknemer moeten honoreren en de belastbaarheid door een bedrijfsarts opnieuw moeten laten toetsen en de daaruit voortvloeiende advisering op moeten volgen. De re-integratie-inspanningen van werkgever zijn dus tot datum aanvraag onvoldoende.”

2.16

Bij brief van 11 januari 2021 heeft de gemachtigde van [eiser] RBC verzocht over te gaan tot nabetaling van het achterstallig loon.

2.17

Op verzoek van RBC heeft het UWV op 15 januari 2021 wederom een deskundigenoordeel gegeven. Uit het deskundigenoordeel, dat zich richt op de periode 30 oktober 2020 tot de datum van de aanvraag op 22 december 2020, volgt - kort weergegeven - dat het UWV van oordeel is dat de re-integratie-inspanningen van [eiser] voldoende zijn.

2.18

Op 25 januari 2021 heeft een telefonisch consult met de bedrijfsarts plaatsgevonden. In de rapportage van de bedrijfsarts wordt het volgende vermeld:

“Uw werknemer [eiser] heb ik vandaag telefonisch gesproken. Hij is ziekgemeld voor zijn werk als brandbeveiliger. Hij stelt klachten te ervaren welke grotendeels samenhangen met de werksituatie.

De klachten berusten voor een deel op ziekte. Hij wordt voor de klachten behandeld en zijn belastbaarheid lijkt te zijn toegenomen.

In hoeverre [eiser] nog arbeidsongeschikt is voor eigen werk is door ziekte nog steeds lastig te beoordelen omdat het arbeidsconflict in de weg staat. De prognose voor medisch herstel is gunstig, maar zowel zijn herstel als de re-integratie worden belemmerd door de niet opgeloste conflict.

Conform mijn vorige advies Ik adviseer werkgever en werknemer om met elkaar een constructief gesprek te hebben over de ontstane situatie op het werk en daartoe mediation zo nodig in te zetten om tot een oplossing te komen.”

2.19

Bij brief van 26 januari 2021 van RBC aan de gemachtigde van [eiser] heeft RBC kenbaar gemaakt geen gehoor te geven aan het verzoek tot nabetaling van het loon van [eiser].

2.20

Op 24 februari 2021 heeft een telefonisch consult met de bedrijfsarts plaatsgevonden. In de rapportage van de bedrijfsarts wordt het volgende vermeld:

“Werknemer [eiser] telefonisch gesproken. Hij is ziekgemeld voor zijn werk als brandbeveiliger. Zijn belastbaarheid is toegenomen en hij ervaart minder beperkingen.

De behandeling wordt voortgezet. Medische informatie wordt opgevraagd.

De prognose voor medisch herstel is gunstig, maar voorwaarde voor herstel en goede re-integratie is dat het conflict wordt opgelost. Van werknemer vernomen dat binnenkort de mediation start.

Tevens kan hij starten met werkzaamheden overdag voor 3x3 uur in de week.

Gaat dat goed dan uitbreiden.”

2.21

Op 3 maart 2021 is een mediationtraject gestart.

2.22

Op 10 maart 2021 is [eiser] gestart met het verrichten van aangepaste werkzaamheden voor drie keer drie uur per week. Met ingang van deze datum heeft RBC de loonbetaling, die zij vanaf 31 augustus 2020 gestaakt had, weer hervat.

3. De vordering

3.1

[eiser] heeft - na wijziging - bij dagvaarding gevorderd bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, RBC te veroordelen:

  1. tot betaling van het loon tijdens ziekte over de periode van 31 augustus 2020 tot 15 december 2020, ad € 1.836,80 bruto per loonperiode van vier weken;

  2. tot betaling van het loon tijdens ziekte over de periode van 15 december 2020 totdat [eiser] arbeidsgeschikt raakt, ad € 1.836,80 bruto per loonperiode van vier weken;

  3. tot betaling van het rechtens geldende loon tot het einde van het dienstverband voor het geval [eiser] arbeidsgeschikt geraakt;

  4. om sub a, b en c te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het opeisbaar worden van de vorderingen, althans de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

  5. om aan [eiser] per onmiddellijke ingang, althans met ingang van een nader door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, de loonstroken van september 2020 tot en met maart 2021 te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat RBC in gebreke blijft aan dat vonnis te voldoen;

  6. om aan [eiser] vanaf 1 april 2021 maandelijks een loonstrook te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat RBC in gebreke blijft aan dat vonnis te voldoen;

  7. tot betaling van de buitengerechtelijke (incasso)kosten conform de Staffel BIK en het daarbij behorende Besluit;

  8. in de kosten die aan deze procedure zijn verbonden, waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde, rechtstreeks te betalen aan de gemachtigde van [eiser].

3.2

Aan de vordering heeft [eiser] – samengevat weergegeven – ten grondslag gelegd dat [eiser] ingevolge artikel 7:629 BW sinds 31 augustus 2020 recht heeft op volledige doorbetaling van zijn loon tijdens ziekte. Doordat RBC vanaf deze datum geen loon aan [eiser] meer heeft betaald, is hij in grote financiële problemen gekomen. [eiser] heeft bij RBC diverse keren kenbaar gemaakt dat hij opnieuw door de bedrijfsarts beoordeeld wilde worden. Hier heeft RBC tot 15 december 2020 geen gehoor aan gegeven. Op 15 december 2020 heeft een telefoongesprek met de bedrijfsarts plaatsgevonden en is [eiser] door de bedrijfsarts beoordeeld. De bedrijfsarts was niet op de hoogte van het medisch dossier van [eiser] en heeft geen medische informatie bij behandelend artsen opgevraagd. De bedrijfsarts heeft geconstateerd dat [eiser] ziek is, maar dat de arbeidsongeschiktheid niet beoordeeld kan worden. Dit is onzorgvuldig en hiervoor kan bedrijfsarts ook tuchtrechtelijk worden aangesproken. Aan het verzoek van de gemachtigde van [eiser] om [eiser] opnieuw op te laten roepen door de bedrijfsarts, is door RBC geen gehoor gegeven.

4. Het verweer

4.1

RBC heeft de vordering betwist en heeft daartoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. [eiser] heeft stelselmatig de re-integratie gefrustreerd. Uit onvrede over het advies van de bedrijfsarts heeft [eiser] geweigerd op kantoor te verschijnen. [eiser] had eerder een deskundigenoordeel dienen aan te vragen. RBC heeft wekelijks contact gezocht met [eiser], maar [eiser] heeft het contact verbroken. RBC is van mening dat, de deskundigenoordelen ten spijt, onvoldoende bewezen is dat [eiser] fysiek niet in staat was naar kantoor te komen voor een gesprek over zijn re-integratie en/of om een deskundigenoordeel aan te vragen. [eiser] heeft stelselmatig geweigerd een constructief gesprek met RBC aan te gaan over zijn re-integratie of om te starten met de re-integratie. In plaats van het uiten van zijn onvrede middels het niet verschijnen op kantoor, had [eiser] een loonvordering moeten instellen, aldus RBC.

4.2

De nadere standpunten van partijen komen hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, aan de orde.

5. De beoordeling

5.1

Voldoende is gebleken dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevorderde voorziening, zodat hij in zoverre ontvankelijk is in zijn vordering.

5.2

In dit kort geding dient, mede op basis van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

Loonstop

5.3

Tussen partijen is in geschil of RBC gerechtigd is een loonstop toe te passen vanaf 31 augustus 2020 vanwege het niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen door [eiser]. RBC heeft de loondoorbetaling met ingang van 10 maart 2021 hervat, zodat ter beoordeling voorligt de vraag of RBC gerechtigd is een loonstop toe te passen over de periode 31 augustus 2020 tot 10 maart 2021.

5.4

De kantonrechter stelt het volgende voorop. Vast staat dat [eiser] ingevolge artikel 7:629 BW in beginsel tijdens ziekte recht heeft op doorbetaling van zijn loon, waarbij [eiser] op grond van artikel 12 van de arbeidsovereenkomst gedurende het eerste ziektejaar recht heeft op het volledige loon. Dat [eiser] wegens ziekte ongeschikt is voor de bedongen arbeid staat tussen partijen namelijk niet ter discussie. In artikel 7:629 lid 3 BW is een aantal uitsluitingsgronden opgenomen, op grond waarvan [eiser] zijn recht op loon kan verliezen. In artikel 7:629 lid 3 onder c BW wordt als uitzondering genoemd de tijd gedurende welke de werknemer zonder deugdelijke grond passende arbeid als bedoeld in artikel 7:658a lid 4 BW, waartoe de werkgever hem in de gelegenheid stelt, niet verricht. Voorts wordt in artikel 7:629 lid 3 onder d BW als uitzondering genoemd de tijd gedurende welke de werknemer zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door de werkgever of door een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de werknemer in staat te stellen passende arbeid te verrichten. Ingevolge artikel 7:629 lid 7 BW kan de werkgever geen beroep doen op enige grond het loon geheel of gedeeltelijk niet te betalen indien hij de werknemer daarvan geen kennis heeft gegeven onverwijld nadat bij hem het vermoeden van het bestaan daarvan is gerezen of redelijkerwijs had behoren te rijzen.

5.5

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter was RBC niet gerechtigd een loonstop toe te passen over de periode 31 augustus 2020 tot 10 maart 2021. Onvoldoende is gebleken dat [eiser] ten onrechte passende arbeid heeft geweigerd, ten onrechte heeft geweigerd om een gesprek op kantoor van RBC aan te gaan of anderszins onvoldoende aan zijn re-integratieverplichtingen heeft meegewerkt op grond waarvan een loonstop als bedoeld in artikel 7:629 lid 3 BW gerechtvaardigd zou zijn. Daartoe is het volgende redengevend.

5.6

In het advies van de bedrijfsarts van 26 augustus 2020 wordt vermeld dat [eiser] geschikt wordt geacht voor passend werk, rekening houdend met beperkingen. Verder wordt in het advies vermeld dat sprake is van nieuwe medische klachten, waarvoor [eiser] ‘morgen een afspraak heeft voor gericht onderzoek’. [eiser] heeft RBC vervolgens laten weten dat hij het niet eens is met dit oordeel van de bedrijfsarts en dat hij niet in staat is op 31 augustus 2020 op kantoor te verschijnen en te starten met de aangepaste werkzaamheden. Per brief van 31 augustus 2020 heeft RBC [eiser], dus nog dezelfde dag, laten weten een loonstop toe te passen. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is RBC te snel overgegaan tot het opleggen van een loonstop - die zij gedurende lange tijd heeft gehandhaafd - en had het op de weg van RBC gelegen [eiser] opnieuw door de bedrijfsarts te laten oproepen teneinde te beoordelen of [eiser] in staat was tot het verrichten van passende arbeid, hetgeen volgens [eiser] niet het geval was. De bedrijfsarts vermeldt in het advies van 26 augustus 2020 namelijk dat sprake is van nieuwe medische klachten, waarnaar de dag erna onderzoek zal worden gedaan. De bedrijfsarts heeft de uitkomst hiervan in de beoordeling van 26 augustus 2020 niet kunnen betrekken. Uit de door partijen overgelegde stukken blijkt verder dat [eiser] herhaaldelijk - in ieder geval in het telefoongesprek op 13 oktober 2020 en in een e-mail van [eiser] van 21 oktober 2020 aan RBC waarin hij melding maakt van verergerde klachten - heeft verzocht om een afspraak met de bedrijfsarts, maar dat RBC aan dit verzoek tot 15 december 2020 geen gehoor heeft willen geven. De kantonrechter stelt verder vast dat RBC geen uitvoering heeft gegeven aan het advies van de bedrijfsarts op 26 augustus 2020 om over drie tot vier weken weer een fysiek consult in te plannen. Blijkens de door RBC overgelegde stukken heeft RBC maandenlang veelvuldig telefonisch en schriftelijk contact gezocht met [eiser], waarbij zij heeft volhard in haar standpunt dat [eiser] met zijn re-integratiewerkzaamheden - zoals de bedrijfsarts op 26 augustus 2020 had geadviseerd - moest beginnen alvorens hij opnieuw door de bedrijfsarts beoordeeld zou worden. [eiser] daarentegen achtte zich daartoe vanwege toegenomen (lichamelijke maar ook psychische) klachten niet in staat en reageerde niet altijd op telefoontjes, mails en brieven van RBC. Van RBC had naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter onder deze omstandigheden verlangd mogen worden dat zij [eiser] had laten oproepen door de bedrijfsarts om opnieuw te beoordelen of [eiser] in staat was aangepast werk te verrichten. Dit heeft zij niet gedaan, hetgeen voor haar rekening en risico komt.

5.7

Het verweer van RBC dat zij slechts het advies van de arbodienst heeft opgevolgd, volgt de kantonrechter niet. Immers, een werkgever is zelf verantwoordelijk voor het re-integratietraject van een zieke werknemer en kan zich daarbij niet ‘verschuilen’ achter het advies van een bedrijfsarts. RBC verwijt [eiser] verder nog dat hij lang heeft gewacht met het aanvragen van een deskundigenoordeel, maar RBC miskent daarmee dat zij ook zelf een deskundigenoordeel had kunnen aanvragen om uit de ontstane impasse te komen.

5.8

Daarbij weegt de kantonrechter mee dat uit het deskundigenoordeel van het UWV van 18 december 2020 volgt dat ‘het alleszins aannemelijk is dat [eiser], mede op basis van medische problematiek, niet in staat was een gesprek met de werkgever aan te gaan’ en dat het ‘omstreeks 26 augustus 2020 vanwege de gebruikte medicatie weinig verantwoord was klant zelfstandig te laten reizen’. Verder blijkt uit het deskundigenoordeel van 15 januari 2021 dat het UWV van oordeel is dat de re-integratie-inspanningen van [eiser] over de periode 30 oktober 2020 tot 22 december 2020 voldoende zijn. Voor RBC zijn de deskundigenoordelen kennelijk geen reden geweest de loondoorbetaling aan [eiser] te hervatten. Weliswaar stelt RBC dat de deskundigenoordelen (vele) onjuistheden bevatten, zij heeft hier geen andersluidend medisch oordeel van de bedrijfsarts tegenover gesteld.

5.9

Toen uiteindelijk op 15 december 2020 een telefonisch consult met de bedrijfsarts heeft plaatsgevonden, heeft de bedrijfsarts gerapporteerd dat de klachten deels op ziekte berusten en dat het ‘lastig te beoordelen is in hoeverre [eiser] arbeidsongeschikt is voor eigen werk’, een advies dat met zoveel woorden op 25 januari 2021 wordt herhaald. Uit deze adviezen volgt, anders dan RBC betoogt, niet dat de bedrijfsarts [eiser] geschikt acht voor aangepast werk. Wel adviseert de bedrijfsarts mediation, waaraan [eiser] heeft meegewerkt. Pas in de rapportage van 24 februari 2021 vermeldt de bedrijfsarts medische informatie te gaan opvragen en wordt geadviseerd te starten met werkzaamheden voor drie keer drie uur per week. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] conform dit advies zijn werkzaamheden met ingang van 10 maart 2021 heeft hervat en dat RBC de loonstop met ingang van deze datum heeft beëindigd. Van het frustreren van de re-integratie door [eiser] is derhalve geen sprake.

5.10

Gelet op het voorgaande is met de thans beschikbare gegevens en de huidige stand van zaken voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat RBC onterecht een loonstop heeft toegepast over de periode vanaf 31 augustus 2020 tot 10 maart 2021 en [eiser] over deze periode recht heeft op doorbetaling van het loon. De vordering van [eiser] zal derhalve over deze periode worden toegewezen. Nu RBC de loondoorbetaling met ingang van 10 maart 2021 heeft hervat, zal de loonvordering voor het overige worden afgewezen. Voor wat betreft de vordering RBC te veroordelen tot betaling van het loon tot het einde van dienstverband voor het geval [eiser] arbeidsgeschikt raakt, heeft York thans geen voldoende (spoedeisend) belang zodat dit deel van de vordering wordt afgewezen.

Wettelijke verhoging en wettelijke rente

5.11

De gevorderde wettelijke verhoging en wettelijke rente over het achterstallige salaris over de periode 31 augustus 2020 tot 10 maart 2021 komen wegens de te late betaling op grond van de wet voor toewijzing in aanmerking. De kantonrechter ziet in de gegeven omstandigheden, waarbij meeweegt dat [eiser] niet altijd voor RBC bereikbaar is geweest, aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 25%.

Loonstroken

5.12

De vordering van [eiser] tot het verstrekken van loonstroken over de periode september 2020 tot en met maart 2021 is als niet weersproken toewijsbaar zoals hierna in het dictum vermeld. Dat geldt ook voor de gevorderde dwangsom, met dien verstande dat de kantonrechter de dwangsom matigt tot € 100,- per dag en het maximum aan te verbeuren dwangsommen zal stellen op € 5.000,-. Het deel van de vordering van [eiser] dat betrekking heeft op de loonstroken vanaf 1 april 2021 zal in verband met het ontbreken van een voldoende (spoedeisend) belang in deze procedure worden afgewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

5.13

[eiser] heeft tevens aanspraak gemaakt op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter zal deze vordering als voldoende onderbouwd en niet weersproken toewijzen en stelt de buitengerechtelijke incassokosten conform het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief vast op € 900,-.

Proceskosten

5.14

Als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij, zal RBC worden veroordeeld in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 349,71 aan verschotten (€ 109,71 aan dagvaardingskosten, € 240,- aan griffierecht) en € 498,- aan salaris voor de gemachtigde van [eiser].

6. De beslissing

De kantonrechter,

rechtdoende in kort geding:

veroordeelt RBC aan [eiser] te betalen het achterstallig loon ter hoogte van € 1.836,80 bruto per vier weken over de periode van 31 augustus 2020 tot 10 maart 2021, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 25% ex artikel 7:625 BW en het aldus verhoogde bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente ingevolge artikel 6:119 BW, vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt RBC [eiser] binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis loonstroken te verstrekken over de maanden september 2020 tot en met maart 2021, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat RBC in gebreke blijft hieraan te voldoen, tot een maximum van € 5.000,-;

veroordeelt RBC tot betaling aan [eiser] van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 900,-;

veroordeelt RBC in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 349,71 aan verschotten en € 498,- aan salaris voor de gemachtigde, van welke bedragen het totaal rechtstreeks aan de gemachtigde van [eiser] dient te worden voldaan;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.I. Mentink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44483