Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3634

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
10/750124-15 en 10/750391-16 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Profijtontneming art. 36e lid 2 Sr. Wederrechtelijk verkregen voordeel uit (gewoonte)witwassen. Stelling dat aan betalingen een rechtsgeldige koopovereenkomst ten grondslag, is op geen enkele wijze onderbouwd.

De bedoeling was dat de veroordeelde als heer en meester over het geldbedrag kon beschikken, aangezien delen van dit bedrag op zijn afroep direct of indirect te eigen bate werden overgemaakt.

Sprake van overschrijding van de redelijke termijn, dat is gecompenseerd door het ontnemingsbedrag met het bedrag aan vervolgprofijt te verminderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Datum uitspraak: 22 april 2021

Tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:

[naam veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats veroordeelde] op [geboortedatum veroordeelde],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres veroordeelde],

raadsvrouw mr. C.W. Noorduyn, advocaat te Den Haag.

1. ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 maart 2021.

De behandeling van de vordering op de terechtzitting is voorafgegaan door schriftelijke conclusiewisselingen.

2. VOORAFGAANDE VEROORDELING

Bij vonnis van deze rechtbank van 13 juli 2018 is [naam veroordeelde] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren wegens het meermalen medeplegen van gewoontewitwassen in de periode van 1 januari 2011 tot en met 9 juni 2015.

In deze procedure wordt als vaststaand aangenomen dat voornoemde strafbare feiten door de veroordeelde zijn begaan.

Uit het strafvonnis blijkt dat het ging om grote geldbedragen, te weten € 852.050,-,

€ 410.000,-, € 307.561,- en € 87.500,-. Dit geld was bestemd voor de aankoop van woningen en uitkering van salaris. Tevens is met de aankoop van een BMW X6 een bedrag van ongeveer € 80.000,- witgewassen.1 Bij elkaar opgeteld gaat het dus om witwashandelingen ten bedrage van € 1.737.111,-.

3. VORDERING

De officier van justitie, mr. M.L.B. Wille, heeft op 11 maart 2021 bij requisitoir gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) zal vaststellen op € 632.517,- en dat aan de veroordeelde ook de betalingsverplichting zal worden opgelegd om dat bedrag aan de staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De officier van justitie heeft dit bedrag bepaald op basis van een transactieberekening.

4. UITGANGSPUNTEN VOOR DE BEREKENING VAN HET WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL

De veroordeelde was de financieel en fiscaal adviseur van [naam 1]. In verband

met bestedingen van [naam 1] heeft de veroordeelde meerdere malen geldbedragen doen overmaken vanaf een Liechtensteinse bankrekening. Dit betrof een bankrekening van [naam bedrijf 1] (een Panamese vennootschap, hierna: [naam bedrijf 1]), met als UBO [naam 2]. Een deel van die geldstroom vanuit Liechtenstein - te weten vijf bedragen van in totaal € 852.050,- - is daarbij naar [naam bedrijf 2] (hierna: [naam bedrijf 2]) overgemaakt en ter beschikking van de veroordeelde gekomen.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft - overeenkomstig de aan de rechtbank overgelegde pleitnotities - primair bepleit dat de ontnemingsvordering in haar geheel dient te worden afgewezen dan wel op nihil dient te worden gesteld. Daartoe is aangevoerd dat het door [naam 1] overgemaakte bedrag van in totaal € 852.050,- een aanbetaling was voor de aankoop van een pand aan de [adres], welk pand de veroordeelde in eigendom toebehoort. Aan deze betaling lag dus een rechtsgeldige civielrechtelijke koopovereenkomst ten grondslag tussen [naam 1] en de veroordeelde. De juridische overdracht van het pand moest nog plaatsvinden, omdat [naam 1] het pand om meerdere redenen vooralsnog niet op zijn naam wilde hebben.

Subsidiair is aangevoerd dat hooguit een bedrag van 10 à 15% als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden aangemerkt, mits aannemelijk zou kunnen worden gemaakt dat de veroordeelde als ‘klassieke witwasser’ voor zijn diensten is betaald, hetgeen hij betwist.

Beoordeling

Gelet op de bewijslastverdeling in ontnemingszaken had het op de weg van de veroordeelde gelegen om zijn stellingen nader te onderbouwen dan wel op andere wijze van een begin van aannemelijkheid te voorzien. Dat heeft hij niet gedaan en dit dient voor zijn risico te blijven.

Ondanks de betaling door [naam 1] van in totaal € 852.050,-, is de veroordeelde nog steeds eigenaar van het pand aan de [adres]. De veroordeelde heeft op geen enkele wijze - bijvoorbeeld door middel van het overleggen van de beweerdelijke (concept)koopovereenkomst of een (concept voor een) notariële akte - onderbouwd dat het bedrag dat hij heeft ontvangen de (aan)betaling voor deze/een onroerende zaak betrof. Sterker nog, de veroordeelde heeft zelfs geen e-mail of sms-bericht tussen hem en [naam 1] kunnen overleggen waarin wordt gesproken over de (voorgenomen) aankoop van onroerend goed. Hetzelfde geldt voor de door de verdediging gestelde afspraak dat [naam 1] de aandelen van de B.V. die eigenaar was van het onroerend goed zou overnemen, inclusief de hypotheek die op zijn naam zou komen te staan.

Het primair door de verdediging gevoerde verweer wordt op grond van het voorafgaande verworpen.

5. BEOORDELING EN BEREKENING WEDERRECHTELIJK VERKREGEN VOORDEEL

Vervolgens is de vraag op welk bedrag het door de veroordeelde behaalde wederrechtelijk verkregen voordeel beredeneerd kan worden geschat.

De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het rapport vermeldt de wettige bewijsmiddelen waarop de berekening berust. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2013, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2013:BV9087, zal de rechtbank deze bewijsmiddelen niet nader uitwerken, maar volstaan met het vermelden van de conclusies en onderdelen van dit rapport.

Met betrekking tot de berekening van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel wordt het volgende overwogen.

De binnengekomen geldstroom bij [naam bedrijf 2] is in de administratie verantwoord als de opbrengst van de verkoop van aandelen van [naam bedrijf 3] aan [naam bedrijf 4] [naam bedrijf 3] is een bedrijf van [naam 3] en [naam 4]. Rond de verkooptransactie zijn een tweetal aandelenoverdrachtsovereenkomsten, een volmacht en een verkoopovereenkomst opgesteld. Uit onderzoek is gebleken dat de verkoopovereenkomst valselijk door de veroordeelde is opgesteld. Deze verkoopovereenkomst is gebruikt bij de verantwoording van de ontvangst van de € 852.050,- door [naam bedrijf 2], welk geldbedrag afkomstig was van [naam bedrijf 1].2

Om de geldstroom vanuit [naam bedrijf 1] naar [naam bedrijf 2] (administratief) te kunnen verantwoorden, is er tussen [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 1] een leningsovereenkomst opgesteld. In een e-mail schrijft de veroordeelde aan

[naam 2] dat [naam 2] deze leningsovereenkomst kan gebruiken voor de bank en vraagt hem het af te handelen. [naam 3] (bestuurder bij [naam bedrijf 2]) heeft verklaard deze leningsovereenkomst niet te herkennen en nooit geld te hebben geleend van [naam bedrijf 1].3

Door het gebruik van de bedrijven en bankrekeningen van [naam bedrijf 5], [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] heeft de veroordeelde dus een bedrag van € 852.050,- “geparkeerd” bij [naam bedrijf 2]. Dat dit bedrag voor hemzelf was bestemd en het de bedoeling was dat de veroordeelde daarover als heer en meester kon beschikken, blijkt uit de omstandigheid dat delen van dit bedrag op zijn afroep direct of indirect te eigen bate werden overgemaakt. Uit e-mailverkeer tussen de veroordeelde en [naam 3] blijkt dat er afstemming over het saldo plaatsvond en op welke wijze bestedingen uit dit geldbedrag plaatsvonden.4 Uit een bij de doorzoeking aangetroffen Excel-overzicht blijkt onder andere dat er door middel van dit geld een verloning (€ 66.748,-5) voor de echtgenote van de veroordeelde plaatsvond vanuit een fictief dienstverband met [naam bedrijf 2]6, dat de aankoop van een Porsche Macan (€ 94.500,-7) werd betaald en dat een betaling (€ 356.184,-8) aan [naam kantoor] werd gedaan.9 Daarnaast zijn er volgens het Excel-overzicht ook overboekingen geweest van € 125.000,- en

€ 50.000,- en zijn er diverse andere facturen voor in totaal € 59.500,- betaald.10 Ten slotte blijkt ook uit de eigen verklaring van de veroordeelde dat het bedrag van € 852.050,- voor hemzelf was bestemd.11

Gelet op het vorenstaande - in onderling verband en samenhang bezien - wordt het subsidiaire verweer eveneens verworpen.

Uit het onderzoek naar de geldstromen blijkt dat uiteindelijk niet het gehele bedrag van

€ 852.050,- ten gunste van de veroordeelde is overgemaakt, maar dat er ten tijde van de aanhouding van [naam 3] een bedrag van € 219.532,39 resteerde op de bankrekening van [naam bedrijf 2]. Voor dit bedrag is tussen het openbaar ministerie en [naam 3] een schikking getroffen. Daardoor komt het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel voor de veroordeelde uit op afgerond € 632.517,- , immers het verschil tussen € 852.050,- en

€ 219.532,39.12

Voor zover bekend uit het strafrechtelijk onderzoek heeft de veroordeelde geen kosten gemaakt om de gelden te ontvangen. Ook in deze procedure is dit niet (onderbouwd met bewijsstukken) aangevoerd of anderszins aannemelijk geworden.

5.1

Vervolgprofijt

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat geen sprake is van vervolgprofijt, omdat het beweerdelijk witgewassen bedrag niet als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden aangemerkt.

Beoordeling

Tot het wederrechtelijk verkregen voordeel behoren ook de vruchten die uit dat voordeel zijn verkregen en (ook) dit voordeel dient de veroordeelde te worden ontnomen, gezien het reparatoire karakter van een ontnemingsmaatregel. Het vervolgprofijt bestaat uit wettelijke rente13, en betreft rente die vanaf 2014 is verkregen over een geldbedrag van € 632.517,-, zodat die rente als de vrucht van dat voordeel zal worden aangemerkt. Dit betreft tot de dag van de zitting blijkens de ter zitting door de officier van justitie overgelegde berekening op basis van de (samengestelde) wettelijke rente een bedrag van afgerond € 103.000,-, op welk bedrag het vervolgprofijt thans wordt bepaald.

5.2

Conclusie

Gezien het vorenstaande bedraagt het door de veroordeelde in de periode van 1 januari 2011 tot en met 9 juni 2015 geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel € 632.517,- +

€ 103.000,- = € 735.517,-.

6. VASTSTELLING VAN HET TE BETALEN BEDRAG

6.1

Overschrijding van de redelijke termijn

Standpunten

De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is van schending van de redelijke termijn en dat de vertraging niet aan de veroordeelde kan worden toegerekend.

De officier van justitie acht het wegens de zeer aanzienlijke schending van de redelijke termijn redelijk en praktisch dat het bedrag aan vervolgprofijt van € 103.000,- geheel in mindering wordt gebracht op het door de veroordeelde aan de staat te betalen bedrag.

Beoordeling

In zijn standaardarrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578, r.o. 3.12.2) heeft de Hoge Raad overwogen dat de redelijke termijn in ontnemingszaken begint op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Dat moment zal in de regel niet samenvallen met dat waarop de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in de met de ontnemingsvordering samenhangende strafzaak begint. Het is aan de feitenrechter om, gelet op de omstandigheden van het geval, dit moment vast te stellen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de redelijke termijn in deze zaak aangevangen op 25 oktober 2016, omdat het bevel tot conservatoire inbeslagneming (artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering) op het pand aan de [adres] dateert van die datum. De rechtbank doet ongeveer vierenhalf jaar na aanvang van genoemde datum uitspraak inzake de ontnemingsvordering, zodat de redelijke termijn van twee jaar, zoals deze voortvloeit uit artikel 6 EVRM, met ongeveer tweeënhalf jaar is overschreden. Dit betekent dat de rechtbank, evenals de officier van justitie, termen aanwezig acht om het ontnemingsbedrag met het bedrag aan vervolgprofijt te verminderen.

6.2

Conclusie

De rechtbank zal aan de veroordeelde de verplichting opleggen om een bedrag van € 632.517,- (€ 735.517,- minus € 103.000,- = € 632.517,-) ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de staat te betalen.

Bij deze beslissing zijn in aanmerking genomen de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde.

7. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Deze beslissing is gegrond op artikel 36e Sr.

8. BESLISSING

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 735.517,- (zegge: zevenhonderdvijfendertigduizend vijfhonderdzeventien euro);

- legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 632.517,- (zegge: zeshonderdtweeëndertigduizend vijfhonderdzeventien euro);

- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 (zegge: duizendtachtig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.A.F. Damen, voorzitter,

en mrs. I.M.A. Hinfelaar en J.C. Tijink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.N. Maat, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 april 2021.

De oudste en de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Vonnis van deze rechtbank d.d. 13 juli 2018, pagina 15.

2 Rapport, pagina 7 en 8.

3 Rapport, pagina 8.

4 Rapport, pagina 8.

5 Pagina 201 en 207.

6 Verklaring van [naam 3]: “[naam 5] heeft toen gevraagd om [naam 6] op de loonlijst te zetten. [naam 6] deed zelf niets. [naam 6] krijgt geld dat feitelijk voor [naam 5] is.” En: “ik wilde iets doen voor [naam 5].”, pagina 162.

7 Pagina 201 en 209 alsmede de verklaring van [naam 3]: “de factuur auto is de Porsche Macan”, pagina 163 en “Porsche staat op balans bij AA installatietechniek, hoewel [naam veroordeelde] er in rijdt”, pagina 159.

8 Verklaring van [naam 3]: “dat is betaald aan [naam kantoor] en dat is een bedrag dat ik heb gestort, zodat er een streep onder de rechtszaak kon. Ik dacht dat het daarna met [naam 5] financieel weer goed zou komen, de beslagen zouden worden opgeheven en dat we daarna weer zaken samen konden gaan doen.”, pagina 163.

9 Rapport, pagina 8.

10 Pagina 209.

11 Zie de schriftelijke verklaring van de veroordeelde van 31 mei 2018, die hij in de hoofdzaak heeft overgelegd en die achter de pleitnotities van 11 maart 2021 is gevoegd, (onder meer) inhoudende dat het bedrag van € 852.050,- voor hemzelf bedoeld was als aanbetaling voor de aankoop van het pand aan de [adres].

12 Rapport, pagina 9.

13 Als uitgangspunt voor de schatting van het vervolgprofijt is het wettelijk rentepercentage genomen, omdat de daadwerkelijk genoten waardeaangroei over het wederrechtelijk verkregen voordeel niet bekend is.