Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3630

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-04-2021
Datum publicatie
28-04-2021
Zaaknummer
C/10/616261 / JE RK 21-856
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

(spoed)machtiging gesloten jeugdhulp

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaakgegevens: C/10/616261 / JE RK 21-856

datum uitspraak: 15 april 2021

beschikking machtiging gesloten jeugdhulp

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam

betreffende

[naam kind] , geboren op [geboortedatum kind] 2008 te [geboorteplaats kind], hierna te noemen [naam kind].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder],

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder]

[naam vader],

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader]

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 6 april 2021 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- het gezinsplan van de GI van 13 april 2021, ingekomen bij de griffie op 13 april 2021;

- de instemmende verklaring van de gekwalificeerde gedragswetenschapper van
14 april 2021, ingekomen bij de griffie op 14 april 2021.

Op 15 april 2021 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de minderjarige [naam kind], die ook apart is gesproken, bijgestaan door mr. J.C. Herrewijnen,

- de moeder,

- een vertegenwoordigster van de GI, te weten [naam].

Opgeroepen en niet verschenen is:

- de vader.

De feiten
Het ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de ouders.

[naam kind] verblijft bij Horizon, het Bergse Bos.

Bij beschikking van 1 december 2020 is [naam kind] onder toezicht gesteld met ingang van
1 december 2020 tot 1 december 2021 en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] binnen een (netwerk)pleeggezin verleend met ingang van 1 december 2020 tot 1 mei 2021.

Bij beschikking van 9 maart 2021 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 8 juni 2021.

Bij beschikking van 6 april 2021 is een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp betreffende de minderjarige [naam kind] verleend met ingang van 6 april 2021 voor de duur van vier weken en is de beslissing voor het overige aangehouden.

Het verzoek en het standpunt van de GI

De GI heeft in aansluiting op een spoedmachtiging verzocht om [naam kind] in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van zes maanden.

De GI heeft ter zitting het resterende deel van het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht.

[naam kind] heeft ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt. Zo is er sprake geweest van seksueel misbruik en huiselijk geweld. In de crisisopvang, waar [naam kind] is geplaatst, heeft zij zelfbepalend gedrag vertoond, weinig tot geen schoolwerk gedaan en is zij een aantal keren weggelopen. Daarbij is zij twee dagen vermist geweest.

Buiten de geslotenheid is het nog niet gelukt een stabiele woonplek te creëren, die [naam kind] vanwege haar wegloopgedrag nodig heeft. Binnen de crisisopvang zijn er onvoldoende mogelijkheden om het gedrag van [naam kind] te sturen. Daarom is zij met een spoedmachtiging binnen de gesloten jeugdhulp geplaatst.

Het is belangrijk dat [naam kind] behandeling krijgt, dat zij leert om gezag te accepteren dat zij weer aan school toekomt en dat haar perspectief helder wordt. Het KSCD (Kennis- en Servicecentrum voor Diagnostiek) is verzocht om onderzoek te doen. Dit is echter nog niet gestart. Er is nu nog een wachtlijst van vermoedelijk vier maanden.

Desgevraagd heeft de jeugdbeschermer aangegeven dat zij zal nagaan of [naam kind] op een andere groep kan worden geplaatst nu zij zich op de huidige groep onveilig voelt. Een plaatsing bij de grootmoeder, zoals door de advocaat van [naam kind] is voorgesteld, is geen optie nu er bij de grootmoeder thuis sprake is van fysieke en verbale agressie. Momenteel is een plaatsing binnen de gesloten jeugdhulp het beste voor [naam kind].

De standpunten

Namens [naam kind] heeft haar advocaat ter zitting verzocht om uitsluitend een beslissing te nemen over de periode van de verzochte spoedmachtiging gesloten jeugdhulp en niet voor de door de GI resterende verzochte duur. Ter onderbouwing van dit standpunt is het volgende aangevoerd.

[naam kind] voelt zich onveilig op de groep. Begeleiders worden bedreigd en mishandeld. [naam kind] moet daar letterlijk voor schuilen. Ook wordt zij op een heftige manier gepest. Door de begeleiding wordt daar onvoldoende tegen opgetreden. [naam kind] mist bovendien een vertrouwensband. Zij heeft geen baat bij deze onveiligheid. De situatie op de groep verergert haar problematiek. Er moet geen situatie worden gecreëerd, waarbij [naam kind] door deze plaatsing voor een extra opgelopen trauma moet worden behandeld. De plaatsing binnen de gesloten jeugdhulp moet zo kort mogelijk duren. Het is immers een uiterst middel. Het is zorgelijk dat de GI een machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van zes maanden verzoekt terwijl de effecten ervan onduidelijk zijn.

De komende weken moet gekozen worden voor een andere oplossing. Zo kan de GI een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp of een plaatsing op een open groep verzoeken. Ook is een plaatsing in het netwerk bij de grootmoeder een optie.

De moeder heeft ter zitting het volgende verklaard.

Het Bergse Bos is geen passende plek voor [naam kind]. Er is een andere oplossing nodig.

[naam kind] heeft hulpverlening en behandeling nodig voor haar problematiek.

De beoordeling

Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet kan een machtiging gesloten jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [naam kind] in een zorgelijke opvoedomgeving is opgegroeid. De ouders hebben haar een onvoldoende stabiele en veilige opvoedingssituatie gegeven. Zo is [naam kind] getuige geweest van huiselijk geweld, mishandeling en misbruik. Zij heeft hechtingsproblematiek. Mogelijk heeft [naam kind] ook last van loyaliteitsproblemen. Na de scheiding van de ouders is het niet goed gegaan tussen [naam kind] en de moeder. Daarom is [naam kind] in november 2020 in de crisisopvang geplaatst. Vervolgens is zij in december 2020 bij een nicht van de moeder geplaatst, toen bleek dat deze nicht voor [naam kind] kon zorgen. In februari 2021 is gebleken dat deze plaatsing niet meer haalbaar is. Vervolgens is [naam kind] zonder toestemming van de jeugdbescherming naar de vader gegaan. Op 8 maart 2021 heeft de vader aangegeven dat de situatie vanwege het verbale en fysieke agressieve en zelfbepalende gedrag van [naam kind] onhoudbaar is en dat zij niet meer bij hem kan wonen. Vervolgens is [naam kind] met een spoedmachtiging opnieuw in de crisisopvang geplaatst. Op deze plek heeft zij zich niet gehouden aan de regels en heeft [naam kind] nauwelijks online onderwijs gevolgd. Ook is zij in de afgelopen periode meermalen weggelopen en is zij een aantal dagen onbereikbaar geweest. Vanwege de zorgen is [naam kind] met een spoedmachtiging binnen de gesloten jeugdhulp bij Horizon het Bergse Bos geplaatst.

De kinderrechter begrijpt de wens van [naam kind] dat zij naar huis wil. Vanwege de problematiek heeft zij echter rust, stabiliteit en behandeling voor haar problematiek nodig. Gelet op al het voorgaande is de kinderrechter dan ook van oordeel dat [naam kind] gebaat is bij een plaatsing binnen de gesloten jeugdhulp. Hierbij houdt de kinderrechter rekening met de jonge leeftijd van [naam kind] en dat een plaatsing binnen de gesloten jeugdhulp een uiterst middel is. Hier komt bij dat [naam kind] tijdens het kindgesprek heeft verteld dat zij zich op de huidige groep onveilig voelt. Zo wordt zij op de groep door andere kinderen gediscrimineerd en gepest en is zij getuige van geweldsincidenten. Bij het Bergse Bos heeft [naam kind] nog geen band met een vertrouwenspersoon opgebouwd, waarmee zij de problemen kan bespreken. Het is van belang dat op zo kort mogelijke termijn (het gevoel van) de onveiligheid voor [naam kind] wordt weggenomen. Misschien is dit mogelijk door haar op een andere groep te plaatsen. Ook het hebben van een vertrouwenspersoon zal dit mogelijk (deels) kunnen wegnemen. Of [naam kind] voor een langere periode gebaat is bij gesloten jeugdhulp is afhankelijk van hoe het met haar de komende periode zal gaan. De kinderrechter benadrukt dat [naam kind] niet enkel baat heeft bij de gesloten plaatsing, maar vooral bij een adequate behandeling. Gezien de lange wachtlijst voor het verrichten van een KSCD-onderzoek is het zeer wenselijk en wellicht noodzakelijk dat al vooruitlopend aan [naam kind] enige vorm van hulp wordt geboden.

[naam kind] heeft aangegeven dat zij nu weet wat er gebeurt als zij wegloopt en dat zij daarom geen gesloten plaatsing meer nodig heeft. Het risico op weglopen - en de daarmee gepaard gaande onveiligheid voor haarzelf - acht de kinderrechter echter nog te groot. Gelet op al het voorgaande ziet de kinderrechter aanleiding om de machtiging gesloten jeugdhulp te verlenen tot 11 juni 2021 en het verzoek voor het overig verzochte aan te houden tot de hierna vermelde zitting. Een verzoek om een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp te verlenen, zoals door de advocaat van [naam kind] verzocht, ligt momenteel niet voor. Ook een plaatsing op een open groep is niet verzocht.

De GI wordt verzocht om in een voortgangsrapportage (briefrapport) de huidige stand van zaken te vermelden over het verloop van de plaatsing en de behandeling van [naam kind] en om gemotiveerd aan te geven of het resterende deel van het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd. Indien het resterende deel van het verzoek wordt gehandhaafd, dient een nieuwe instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper te worden overgelegd, waarin ook wordt ingegaan op de (on)veiligheid van [naam kind] gezien haar ervaringen tot nu toe op de groep. Een afschrift van deze voortgangsrapportage en de instemmingsverklaringen dienen te worden toegestuurd aan de belanghebbenden en de advocaat van [naam kind].

De beslissing

De kinderrechter:

verleent een machtiging gesloten jeugdhulp betreffende de minderjarige [naam kind] met ingang van 4 mei 2021 tot 11 juni 2021.

En alvorens verder te beslissen:

Bepaalt dat het verhoor van de minderjarige, haar advocaat, de belanghebbenden en de GI in deze zaak zal plaatsvinden op 10 juni 2021 te 11:30 uur in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125.

De zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. A. Verweij, kinderrechter.

Bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de advocaat van de minderjarige, de belanghebbenden en de GI.

Gelast de oproeping van de minderjarige tegen voormelde zittingsdatum en tijdstip.

Verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de genoemde datum de kinderrechter de verzochte rapportage en de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper, die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht te doen toekomen, met afschrift aan de belanghebbenden en de advocaat van de minderjarige.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2021 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in tegenwoordigheid van D. van der Aa als griffier.

De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 23 april 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.