Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3618

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-04-2021
Datum publicatie
28-04-2021
Zaaknummer
ROT 20/2341
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ziektewet artikel 19aa, ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/2341

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. R. Küçükünal,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: mr. S. Roodenburg.

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser met ingang van 29 november 2019 geen recht meer heeft op uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

Bij besluit van 1 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2021.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is laatstelijk werkzaam geweest als oogstmedewerker voor gemiddeld 41,11 uur per week. Met ingang van 1 juni 2017 is aan eiser een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Eiser heeft zich, terwijl hij een WW-uitkering ontving, ziek gemeld per 29 oktober 2018. Bij besluit van 6 februari 2019 heeft verweerder vastgesteld dat de WW-uitkering per 28 januari 2019 eindigt en heeft aan eiser per die datum een ZW-uitkering toegekend.

2. Op 12 september 2019 heeft een eerstejaars ZW-beoordeling plaatsgevonden. Verweerders verzekeringsarts heeft geconcludeerd er bij eiser geen sprake is van de situatie dat er geen benutbare mogelijkheden zijn, nu hij niet voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit). Voorts is geconcludeerd dat er bij eiser sprake is van verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek en dat hij is aangewezen op werkzaamheden die voldoen aan wat is vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 september 2019, geldig per 12 september 2019. Daarin zijn beperkingen aangegeven ten aanzien van aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen.

De arbeidsdeskundige heeft vervolgens met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen geconcludeerd dat eiser niet meer in staat is het eigen werk als oogstmedewerker te verrichten. Wel heeft hij met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen van eiser een aantal gangbare functies geduid, te weten textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel) (SBC-code 111160), productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180) en produktiemedewerker machinaal inpakken (SBC-code 111175). Daarnaast is de aanvullende functie monteur printplaten (SBC-code 267051) geduid. Op basis van de mediaanfunctie (de middelste van de eerste drie genoemde functies) is eiser, volgens de arbeidsdeskundige, in staat om meer dan 65% van het maatmaninkomen te verdienen, te weten 74,37%.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de ZW-uitkering van eiser met ingang van 29 november 2019 beëindigd, op de grond dat eiser met ingang van 28 oktober 2019 meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.

3. In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 10 februari 2020 overwogen dat het onderzoek van de primaire verzekeringsarts zorgvuldig is geweest en dat niet is gebleken dat de primaire arts een onjuist beeld heeft gehad van de gezondheidstoestand van eiser. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert voorts dat de beoordeling van de primaire verzekeringsarts helder is, logisch voortvloeit uit de bevindingen van het onderzoek en op juiste wijze is vertaald naar de FML en dat er geen aanleiding is om aanvullende beperkingen te stellen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aldus geen aanleiding gezien van het medische oordeel van de primaire verzekeringsarts af te wijken.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 19 februari 2020 geen aanleiding gezien om van de conclusie van de primaire arbeidsdeskundige af te wijken.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. De inhoud van de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep maken daarvan deel uit.

4. In beroep voert eiser aan dat hij meer beperkt is dan door verweerder is vastgesteld. Eiser stelt dat er bij hem naast de fysieke klachten sprake is van depressieklachten en slaapproblemen. Hiervoor heeft hij medicatie Venlafaxine Retard Teva 150 mg, uit de groep serotonine- en norepinefrine-heropnameremmers (SNRI’s). Er is onvoldoende rekening gehouden met zijn fysieke en psychische klachten. In de FML zijn ten onrechte geen beperkingen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren opgenomen en zijn er onvoldoende beperkingen bij de rubrieken dynamische handelingen en statische houdingen vastgesteld. Eiser is van mening dat er zeker sprake is van meer beperkingen ten aanzien van staan, lopen, tillen, duwen en trekken. Eiser acht zich voorts niet in staat de geduide functies te verrichten en heeft per functie toegelicht waarom hij niet in staat is deze te verrichten. Bij brief van 20 oktober 2020 heeft eiser een medicatieoverzicht van 29 september 2020 toegezonden. Eiser heeft hierbij aangegeven dat er tevens sprake is van longklachten, waarvoor Champix is voorgeschreven om het stoppen met roken te verlichten. Met ingang van 29 september 2020 is zijn medicatie Venlafaxine verhoogd.

5. Bij de beoordeling van het beroep zijn in het bijzonder de volgende bepalingen van belang.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW, voor zover hier van belang, heeft de verzekerde die geen werkgever heeft, nadat na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht op ziekengeld indien de verzekerde (a) ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en (b) wegens een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid van dit artikel heeft de verzekerde, indien hij in staat is om meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen, recht op ziekengeld tot een maand na de dag waarop hij hiertoe in staat is geacht.

In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) zijn regels gesteld voor de beoordeling van het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

6. Niet in geschil is dat eiser niet meer in staat is het eigen werk als oogstmedewerker te verrichten. De datum in geding (de datum waarop de ZW-uitkering met inachtneming van een maand uitlooptermijn eindigt) is 29 november 2019. De rechtbank moet beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eiser, rekening houdend met zijn beperkingen, in staat is vanaf die datum met gangbare arbeid ten minste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

7. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossierstudie, anamnese, eigen onderzoek door de verzekeringsarts, het gestelde in het bezwaarschrift en ter hoorzitting van 28 januari 2020, alsmede op medische informatie afkomstig van eisers huisarts, waarbij diverse informatie is overgelegd. Het onderzoek heeft daarmee op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden. De rechtbank is voorts niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van eiser en meer beperkingen had moeten aannemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 10 februari 2020 inzichtelijk gemotiveerd op welke punten eiser beperkt is te achten en op welke punten niet. Daarbij is in het bijzonder rekening gehouden met de langer bestaande beenklachten van eiser, alsmede de varices in beide onderbenen. Er is rekening gehouden met de neusproblemen, waarvoor eiser nog een operatie zal ondergaan en met de bij eiser bestaande rugklachten.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de aanvullende rapportage van 9 juni 2020 bovendien nog gemotiveerd toegelicht dat eiser bij het primaire onderzoek geen medicatie of depressieve klachten heeft aangegeven. De primaire arts heeft geen tekenen van depressie noch andere psychopathologie gesignaleerd. Uit de verkregen informatie, onder meer het huisartsenjournaal, blijkt niet dat er sprake was van een depressie. Mogelijk is er sprake van psychische klachten geweest, maar van ziekte of gebrek waarvoor persoonlijke en sociale beperkingen gesteld worden, is niet gebleken. Tevens is rekening gehouden met eisers medicatie. Eiser heeft in beroep voorts geen medische gegevens verstrekt die aanknopingspunten bieden voor twijfel aan dat standpunt.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder de functionele mogelijkheden van eiser correct heeft vastgesteld. De rechtbank is niet gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van eiser overschrijdt, zodat deze functies worden geacht geschikt te zijn voor eiser. In dit verband heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de rapportage van 19 februari 2020 toegelicht dat het onderzoek van de primaire arbeidsdeskundige volledig is geweest.

Vergelijking van het inkomen dat eiser in de geduide functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat eiser verdiende voordat hij ziek werd, geeft een verdiencapaciteit van meer dan 65%. Verweerder heeft daarom terecht bepaald dat eiser met ingang van 29 november 2019 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering.

8. Het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P.J. Schoonen, rechter, in aanwezigheid van G.J. Machwirth, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 23 april 2021.

de griffier is buiten staat

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.