Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3617

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-04-2021
Datum publicatie
28-04-2021
Zaaknummer
ROT 20/2472
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

weigering kwijtschelding terugvordering WAO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/2472

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2021 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (vestiging Rotterdam), verweerder,

gemachtigde: A. Cuman-Resic.

Procesverloop

Bij besluit van 24 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om kwijtschelding van de vordering (1) van € 12.715,20 van uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) afgewezen.

Bij besluit van 15 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2021.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij besluit van 16 september 2014 heeft verweerder een bedrag van € 12.198,66 bruto aan WAO-uitkering van eiser teruggevorderd. Het ingestelde beroep is bij uitspraak van 7 april 2016 door de rechtbank Rotterdam ongegrond verklaard en het hiertegen ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van 18 oktober 2018 door de Centrale Raad van Beroep (de Raad) ongegrond verklaard.

Bij brief van 19 december 2019 heeft eiser verzocht om kwijtschelding van de nog openstaande schuld.

2. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte het primaire besluit, waarbij kwijtschelding wordt geweigerd, heeft gehandhaafd. Verweerder heeft niet betwist dat eiser aan de voorwaarde heeft voldaan dat hij 5 jaar lang aan zijn betalingsverplichtingen moest voldoen. Eiser kan zich niet vinden in het standpunt dat hij eveneens aan de voorwaarde moet voldoen om ten minste de helft van de oorspronkelijke vordering voldaan te hebben. In dit kader heeft verweerder verwezen naar de 4.1.2. van de beleidsregels (terug en invordering). Uit die beleidsregels blijkt dat bij schending van de inlichtingenplicht een periode van 5 jaar geldt (zie punt 4.) alvorens de betrokkene voor kwijtschelding in aanmerking kan komen. De regeling van artikel 4.1.2. van de beleidsregels is volgens eiser van belang om te bepalen wanneer verweerder tot ambtshalve toetsing dient over te gaan. Indien aan de twee cumulatieve voorwaarden is voldaan dan dient verweerder ambtshalve te toetsen of tot kwijtschelding wordt overgegaan. Dit is volgens eiser dus niet het geval wanneer verweerder tot kwijtschelding kan overgaan ingevolge punt 4 waarbij alleen wordt vereist dat er 5 jaar lang aan de afbetalingsverplichtingen wordt voldaan. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft eiser verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2458, waarin eveneens niet wordt verwezen naar 4.1.2., maar naar de algemene regeling zoals vermeldt onder punt 4. van de beleidsregels.

Eiser heeft hierbij aangegeven dat indien hij de helft van de vordering moet voldoen, hij nog 100 jaar terug moet betalen voor hij in aanmerking kan komen voor kwijtschelding.

Tevens heeft eiser beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Ter zitting van de Raad van 18 oktober 2018 is door de betrokken medewerker van verweerder aangegeven dat hij na 5 jaar lang aan zijn betalingsverplichtingen te hebben voldaan om kwijtschelding kan verzoeken. Hierbij is niet gerept over andere aanvullende voorwaarden.

3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de bij het primaire besluit geweigerde kwijtschelding gehandhaafd. Verweerder heeft hierbij overwogen dat eiser niet voldaan heeft aan de verplichting dat naast de betalingsverplichting van 5 jaar, tevens minimaal de helft van de oorspronkelijke vordering moet zijn voldaan.

In het verweerschrift van 4 september 2020 heeft verweerder toegelicht dat de tekst van punt 4. van de beleidsregel als volgt gelezen dient te worden. In punt 4. wordt een opsomming gegeven onder sub a, b, c, en d in welke omstandigheden de betrokkene in aanmerking kan komen voor kwijtschelding. In de laatste alinea wordt aangegeven dat de uitwerking van deze omstandigheden in punt 4.1. tot en met 4.4. wordt vermeld. Dat betekent dat punt 4.1.2 een uitwerking is van punt 4. sub a en deze wel degelijk van toepassing is op eiser.

Ter zitting van 24 maart 2021 heeft verweerders gemachtigde toegelicht dat in dit specifieke geval geen voorbeeld in de jurisprudentie is gevonden om rekening te houden met de door eiser gestelde zienswijze van het beleid. De door eiser aangegeven uitspraak verwijst inderdaad alleen naar H 4, in plaats van 4.1.2. van de beleidsregels. Hierbij is verwezen naar de uitspraak van de Raad van 10 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB: 2020:1802, waarbij ook een verzoek tot kwijtschelding van terugvorderen van WAO-uitkering is gedaan. Daarbij is eveneens artikel 57 van de WAO van toepassing en is in rechtsoverweging 4.1.2. verwezen naar 4.1.2, waarbij dit wel als beleidsregel is genoemd.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1

Artikel 57 van de WAO luidde, zover in dit geding van belang, als volgt:

“1. De uitkering, de loonsuppletie, bedoeld in artikel 65c, en de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 65d, die als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 36a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.

2. In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien degene van wie wordt teruggevorderd:

a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;

b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;

c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of

d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.

3. De in het tweede lid, onderdelen a, b en c, genoemde termijn is tien jaar indien de terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 80.

(…)

5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.”

4.2.

Verweerders beleid luidt voor zover van belang:

Hoofdstuk 4 Afzien van verdere terugvordering

Het Lisv kan besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien indien de schuldenaar:

a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;

b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;

c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of

d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.

(…)

In hoofdstuk 4.1. tot en met 4.4. worden de vorenstaande onderdelen a tot en met d afzonderlijk besproken. Daarnaast wordt met een wijzigingsbesluit van gelijke datum als dit besluit het Besluit Tica inzake betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigd betaalde uitkering aangepast. 4.1 Afzien van verdere terugvordering nadat drie/vijf jaar aan betalingsverplichting is voldaan

(…)

4.1.1.

Geen overtreding inlichtingenplicht

(…)

4.1.2.

Overtreding inlichtingenplicht

Bij vorderingen die het gevolg zijn van overtreding van de inlichtingenplicht beoordeelt het Lisv ambtshalve of van verdere terugvordering wordt afgezien, nadat de schuldenaar

a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan en

b. tenminste de helft van de vordering is voldaan.

Indien na vijf jaar nog niet de helft van de vordering is voldaan, beoordeelt het Lisv ambtshalve of van verdere terugvordering wordt afgezien op het latere tijdstip dat de schuldenaar de helft van de vordering heeft voldaan mits hij tot dat moment tevens volledig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.H4.

5. De rechtbank overweegt dat met de uitspraak van de Raad van 18 oktober 2018 is vast komen te staan dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden en verweerder terecht € 12.198,66 aan WAO-uitkering van hem heeft teruggevorderd. Eisers standpunt dat de vraag aan de orde is of hij de inlichtingenplicht heeft geschonden, volgt de rechtbank niet.

Aan de orde is de vraag of verweerder terecht heeft gesteld dat op grond van 4.1.2. van de Beleidsregels terug- en invordering eiser niet voldoet aan de voorwaarden dat tenminste de helft van de vordering voldaan moet zijn om voor kwijtschelding van zijn resterende terugvordering in aanmerking te komen. De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn standpunt dat verweerder artikel 4.1.2. van het beleid slechts kan toepassen indien sprake is van een ambtshalve toetsing en een beoordeling zoals in casu, na 5 jaar terugbetalen, dient plaats te vinden op grond van het gestelde direct onder H.4. Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank dat in de uitspraken van de Raad verwezen wordt naar de beleidsregels van H.4. en niet naar beleidsartikel 4.2.1., dit niet maakt dat artikel 4.2.1. niet van toepassing is. Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank dat in de door eiser aangehaalde uitspraak van 24 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2458, bij de wetsartikelen verwezen is naar punt 4. van het Beleid. Rechtsoverweging 4.3 van deze uitspraak luidt; “4.3. Nu de Beleidsregel een kortere termijn bevat dan artikel 57 van de WAO, namelijk vijf jaar bij overtreding van de inlichtingenplicht, is sprake van een buitenwettelijk begunstigend beleid. Niet in geschil is dat appellante ook niet voldoet aan de vereisten van de Beleidsregel zoals weergegeven onder 4.1.2.” Voorts heeft verweerder ter zitting van 24 maart 2021 in dit kader terecht verwezen naar de uitspraak van de Raad van 10 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1802, waarin 4.2.1. van het beleid expliciet is vermeld.

Eiser heeft niet betwist dat hij niet de helft van de vordering heeft voldaan.

6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat er sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel. Uit het verslag van de zitting van 6 september 2018 van de Raad valt af te leiden dat de kwijtscheldingsregeling besproken is. Hierbij is aangegeven dat naast de voorwaarde van de 5 jaar tevens de voorwaarde dat tenminste de helft van de vordering voldaan moet zijn, besproken is.

Voor zover eiser ter zitting heeft aangegeven dat hij op deze wijze nog 100 jaar dient terug te betalen, merkt de rechtbank op dat eiser verweerder op grond van het gestelde in artikel 57, derde lid van de WAO, na 10 jaren van terugbetalen kan verzoeken om van verdere terugvordering af te zien.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P.J. Schoonen, rechter, in aanwezigheid van G.J. Machwirth, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 23 april 2021.

de griffier is buiten staat

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.