Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3588

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
C/10/614782 / KG ZA 21-182
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Kort geding, nakomen overeenkomst. De mantelovereenkomst wordt gekenmerkt als een duurovereenkomst van onbepaalde tijd. Gedaagde mocht de mantelovereenkomst opzeggen wegens zwaarwegende belangen, maar had gelet op de redelijkheid en billijkheid een langere opzegtermijn in acht moeten nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/614782 / KG ZA 21-182

Vonnis in kort geding van 1 april 2021

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ROSCAFF B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BSAVE B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseressen,

advocaten mrs. S.A.J. van Riel en H. Hendriks te Oisterwijk,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BRAND ENERGY & INFRASTRUCTURE SERVICES B.V.,

gevestigd te Vlaardingen,

gedaagde,

advocaten mrs. L.E.M. Haverkort te Deventer en C. Staudt-Bos te Eindhoven.

Partijen worden hierna, Roscaff, BSave (en gezamenlijk Roscaff c.s.) en Brand genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 12 maart 2021, met 19 producties;

  • -

    het e-mailbericht van mr. Haverkort van 17 maart 2021, met 11 producties;

  • -

    de aanvullende producties van de zijde van Roscaff c.s.;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden via Skype op 18 maart 2021;

  • -

    de pleitnota van Roscaff c.s. met daarin een wijziging van eis;

  • -

    de pleitnota en spreekaantekeningen van Brand.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

Roscaff c.s. zijn uitzendondernemingen die uitzendkrachten ter beschikking stellen aan (onder andere) Brand. Alle uitzendkrachten zijn in loondienst van Roscaff c.s. op basis van uitzendovereenkomsten ex artikel 7:690 BW. Roscaff c.s. huurt voor alle betrokken uitzendkrachten huisvesting van derden.

2.2.

Partijen werken samen op basis van een zogenoemde “MANTELOVEREENKOMST voor inlenen werknemers” (hierna: de mantelovereenkomst). In de mantelovereenkomsten zijn de algemeen geldende afspraken neergelegd op basis waarvan Brand goederen en/of diensten afroept van Roscaff c.s. Op grond van deze mantelovereenkomsten worden vervolgens “orders” verstrekt. Een order behelst de terbeschikkingstelling van (een individuele) uitzendkracht(en) om onder leiding en toezicht van Brand werkzaamheden te verrichten.

2.3.

In de mantelovereenkomst is voor zover van belang het volgende opgenomen:

“(…)

ARTIKEL 1. DEFINITIES

De begrippen in deze Mantelovereenkomst voor het inlenen van Werknemers (nader te noemen “de Overeenkomst”) hebben de volgende betekenis:

(…)

  • -

    Annex: iedere bijlage die integraal onderdeel is van de Overeenkomst

  • -

    Code of Conduct: lijst van gedragsregels door Inlener opgesteld, geldend voor medewerkers van Inlener én derden die voor of namens Inlener werken. (…)

  • -

    Inlener: BRAND (...)

  • -

    Mantelovereenkomst: de Overeenkomst op basis waarvan goederen en/of diensten tegen vooraf vastgestelde prijzen en condities naar behoefte door BRAND kunnen worden afgeroepen.

  • -

    Order: iedere opdracht van Inlener tot levering en beschikbaarstelling van Werknemer(s).

  • -

    Overeenkomst: deze Mantelovereenkomst inclusief haar Annexen die tussen BRAND en de leverancier tot stand komt en voorts iedere Overeenkomst die daaruit voortvloeit, elke wijziging daarvan of aanvulling daarop, alsmede alle daarmee verband houdende (rechts)handelingen al dan niet ter voorbereiding of uitvoering daarvan. (…)

  • -

    Uitlener: iedere rechtspersoon met wie BRAND een Overeenkomst aangaat of onderhandelt over de totstandkoming van een Overeenkomst.

  • -

    Werknemer(s): de perso(o)n(en) die met Uitlener een arbeidsovereenkomst heeft/hebben en door Uitlener aan Inlener ter beschikking wordt/worden gesteld voor uitvoering van werkzaamheden, welke onder leiding en toezicht van Inlener worden uitgevoerd.

(…)

ARTIKEL 2 ALGEMENE BEPALINGEN

(…)

2.4

DUUR OVEREENKOMST

De Overeenkomst is geldig vanaf de datum genoemd op het voorblad van de Overeenkomst achter “Geldigheidsduur” en duurt tot wederopzegging door Inlener, tenzij er zich voordien een situatie voordoet als bedoeld in artikel 2.6 of als Partijen voordien schriftelijk een bepaalde duur zijn overeengekomen welke op het voorblad staat vermeld. De prijsgeldigheidsdata worden voor bepaalde duur overeengekomen in Annex B.

2.5

BEPERKINGEN

De Overeenkomst heeft de volgende beperkingen:

  • -

    De Overeenkomst bevat geen winst- en/of omzetgarantie voor Uitlener.

  • -

    Aan de Overeenkomst kan door Uitlener geen exclusiviteit worden ontleend.

  • -

    Het overstappen van een Werknemer van een andere door Inlener gecontracteerde Uitlener naar Uitlener, waarbij Uitlener die Werknemer wil inzetten ten behoeve van Inlener, is slechts toegestaan na 6 (zegge: zes) maanden vanaf de laatste werkdag of na schriftelijke toestemming van de afdeling Flex Labour van Inlener en de betrokken Uitleners. Deze schriftelijke toestemming wordt alleen verleend na ontvangst van een nieuwe werkgeversverklaring/projectovereenkomst met een correcte verwerking van het arbeidsverleden op basis van het opvolgend werkgeverschap, gelezen begrepen en ondertekend door de Uitlener en Werknemer indien er geen kostenverhoging voor BRAND op treedt.

Bij beëindiging van de Overeenkomst vervalt dit artikel.

2.6

TUSSENTIJDSE BEËINDIGING

Partijen zijn bevoegd deze Overeenkomst tussentijds op te zeggen na schriftelijke ingebrekestelling met inachtneming van een termijn van een maand, zonder tot enige (schade)vergoeding gehouden te zijn.

Inlener kan de Overeenkomst met onmiddellijke ingang schriftelijk en zonder gerechtelijke tussenkomst beëindigen, zonder tot enige vorm van schadevergoeding gehouden te zijn, indien blijkt dat:

  • -

    Uitlener niet voldoet aan eisen en bepalingen gesteld in deze Overeenkomst of bijbehorende Annexen.

  • -

    Uitlener zich in een situatie bevindt van (een aanvraag tot voorlopige) surseance van betaling, (een aanvraag tot) faillissement, toepassing van de schuldsaneringsregeling of stillegging of liquidatie.

  • -

    Uitlener wordt overgenomen of enige daarmee vergelijkebare toestand treedt in, voor zover deze omstandigheden naar het oordeel van Inlener een aanmerkelijke verzwaring van haar risico’s met zich meebrengt.

  • -

    Er vermoeden bestaat dat Uitlener onrechtmatig en/of frauduleus handelt.

(…)

ARTIKEL 5 WERKAFSPRAKEN EN KWALITEITSNORMEN

5.1

PROCEDURE

(…)

Inlener kan een Order tot ter beschikkingstelling dagelijks en op ieder willekeurig moment op de dag, zonder opgave van redenen, geheel of gedeeltelijk beëindigen zonder tot enige (schade)vergoeding gehouden te zijn.

(…)

ARTIKEL 6 SLOTBEPALINGEN

(…)

6.3

BEÏNVLOEDING VAN INLENER

Het is Uitlener (of zijn personeel) niet toegestaan personeelsleden van Inlener te bewegen tot prestaties, toezeggingen en dergelijke tegen enige vorm van beloning of gift aan dat personeelslid, zonder welke beloning of gift de prestatie of de toezegging mogelijk niet c.q. onder andere voorwaarden tot stand zou zijn gekomen.

Beloning(en) of gift(en) door Uitlener of door aan Uitlener gelieerde (rechts)personen aan een personeelslid dan wel een afdeling van Inlener is in geen enkele situatie en onder geen enkele voorwaarde toegestaan. De “Code of Conduct” van Inlener verbiedt haar personeel beloningen en/of giften aan te nemen.

Onder personeelsleden worden in dit artikel mede verstaan personen die al dan niet in dienstverband op enigerlei wijze verbonden zijn aan één van de Partijen om arbeid te verrichten voor die Partij.

Indien Uitlener (of zijn personeel) in strijd met het in dit artikel 6.3 bepaalde handelt dan wel in strijd met de Code of Conduct, zal Uitlener jegens Inlener zonder dat enige aanmaning of ingebrekestelling is vereist, per overtreding aansprakelijk zijn voor een onmiddellijk opeisbare boete van € 10.000,- (zegge: tien duizend EURO) zonder recht van matiging of verrekening, onverminderd het recht van Inlener om de daadwerkelijke geleden schade te vorderen.

(…)”

2.4.

In de Code of Conduct is voor zover van belang het volgende opgenomen:

“(…)

II. Omgaan met aannemers en leveranciers

De zaken van BrandSafway [dat is de naam van het internationale concern waar Brand deel van uitmaakt; toevoeging voorzieningenrechter] op de markt mogen niet worden bezoedeld door vriendjespolitiek of ongepaste beïnvloeding. Aannemers en leveranciers dienen uitsluitend te worden geselecteerd op basis van duidelijke en objectieve criteria. Relevante overwegingen zijn: prijs, product- en servicekwaliteit, leveringsschema, reputatie wat betreft ethisch gedrag en hoge gezondheids-, veiligheids- en milieunormen.

BrandSafway verwacht dat haar aannemers, leveranciers, agenten en vertegenwoordigers zullen voldoen aan deze Code, de toepasselijke wetten en andere relevante beleidsregels van BrandSafway.

(…)

IV. Belangenconflicten

Medewerkers van BrandSafway moeten ervoor zorgen dat hun persoonlijke en andere professionele activiteiten niet in strijd zijn met hun verantwoordelijkheden tegenover BrandSafway. Elke medewerker van BrandSafway is verplicht om elke activiteit die een belangenverstrengeling of de schijn ervan met zich meebrengt te voorkomen.

Een ‘belangenconflict’ doet zich voor wanneer de particuliere belangen van een individu op enigerlei wijze inconsistent zijn met de belangen van BrandSafway of deze doorkruisen. Wanneer een medewerker, functionaris of bestuurder acties onderneemt of belangen heeft die in strijd zijn met het doel en de effectieve uitoefening van zijn of haar werk, kan er een belangenconflict ontstaan. Mogelijke belangenconflicten omvatten, maar zijn niet beperkt tot:

  • -

    BrandSafway vertegenwoordigen in zaken waarin u een persoonlijk of financieel belang hebt;

  • -

    Zaken gunnen aan leveranciers waarin u of naaste familieleden een persoonlijk of financieel belang hebben, anders dan een investering van minder dan 1% in een naamloze vennootschap;

  • -

    Streven naar persoonlijke voordelen of geschenken waardoor uw zakelijke oordeel over klanten, aannemers of leveranciers zou kunnen worden beïnvloed, of namens hen werken;

  • -

    Misbruik van bedrijfsmiddelen van BrandSafway, uw positie of invloed voor ongepast persoonlijk voordeel of om uw externe activiteiten of belangen te promoten;

  • -

    Concurreren met of werken ten behoeve van een concurrent van BrandSafway;

  • -

    Handel met voorkennis; of

  • -

    Andere omstandigheden waarin uw persoonlijke belangen zouden kunnen afwijken van de belangen van BrandSafway.

(…)

X. Geschenken, gunsten en entertainment

Relatiegeschenken, gunsten en entertainment kunnen verstorend werken op het onderhouden van gezonde en objectieve zakelijke relaties en dienen met de nodige voorzichtigheid te worden behandeld. Indien dit niet op andere wijze op grond van wet- of regelgeving is verboden geld de bepaling dat geen functionaris, bestuurder of medewerker overmatige geschenken, ongebruikelijke gastvrijheid, royaal entertainment of andere gunsten aan derden zal geven of van derden zal aanvaarden die illegaal zijn of van een slechte smaak getuigen, in contanten of gelijkwaardige vorm, op een quid pro quo basis of die anderszins het zakelijk oordeel van de ontvanger beïnvloeden of lijken te beïnvloeden.

Geschenken, gunsten en entertainment kunnen uitsluitend voor rekening van BrandSafway aan anderen worden gegeven als ze voldoen aan de volgende criteria:

  • -

    Ze zijn in overeenstemming met de geaccepteerde zakelijke praktijk van BrandSafway en zijn naar behoren vastgelegd in de boeken en dossiers van het bedrijf;

  • -

    Ze zijn van voldoende beperkte waarde en in een vorm die niet zal worden opgevat als omkoping of steekpenningen;

  • -

    Ze zijn niet in strijd met de toepasselijke lokale wetgeving of algemeen aanvaarde ethische of sociale normen; en

  • -

    Openbaarmaking van de feiten, waaronder de identiteit van de ontvanger, zal er niet toe leiden dat BrandSafway of de ontvanger in verlegenheid worden gebracht.

XI. Leningen

Leningen van geld van BrandSafway aan een persoon, met inbegrip van functionarissen, bestuurders of medewerkers van BrandSafway of van derden moeten tevoren worden goedgekeurd door de Raad van Bestuur of de door haar aangewezen commissie.

(…)”

2.5.

Brand heeft naar aanleiding van een inval van de FIOD in het kader van een onderzoek naar niet-ambtelijke omkoping, gericht op een werknemer van Brand, [naam 1] (hierna: [naam 1] ) een extern bedrijfsonderzoek laten uitvoeren door Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. (hierna: Hoffmann).

2.6.

Op 28 augustus 2020 is [naam 2] , DGA van Roscaff c.s. (hierna: [naam 2] ) door Brand uitgenodigd in het kader van een intern onderzoek. Bij dit gesprek waren eveneens medewerkers van Hoffman aanwezig.

2.7.

Op 24 september 2020 kreeg [naam 2] het verslag van het gesprek dat op 28 augustus 2020 had plaatsgevonden toegestuurd en werd door Brand medegedeeld dat het onderzoek was afgerond.

2.8.

In het rapport van Hoffman van 28 oktober 2020 is voor zover van belang het volgende opgenomen:

“(…)

3.6

Bevindingen activiteiten met Roscaff B.V.

Uit het onderzoek werd bekend dat [naam 1] een meer dan zakelijk contact had met [naam 2] , directeur/eigenaar van Roscaff B.V. (hierna genoemd: Roscaff). Roscaff is een uitzendbureau en levert sinds vele jaren personeel voor Brand.

3.6.1

Lening aan [naam 2]

In het digitaal onderzoek zijn enige e-mailberichten en bijlagen aangetroffen die betrekking hebben op een verstrekte lening van € 40.000,- van [naam 1] aan [naam 2] in 2019. Dit betreft e-mailcorrespondentie uit de periode februari tot en met mei 2019 tussen [naam 1] en [naam 2] en medewerkers van een notariskantoor, [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] aangaande de aankoop en verkoop van een pand, gevestigd [adres 1] .

(…)

Uit enige e-mailberichten en bijlagen is gebleken dat [naam 1] een overeenkomst van geldlening met [naam 2] is aangegaan op 23 mei 2018. Hieruit blijkt dat [naam 1] aan [naam 2] een bedrag van € 40.000,- heeft geleend vermeerder met een vergoeding van een bedrag van € 5.000,- (…)

Verder blijkt dat op 24 januari 2019 een bedrijfsruimte op de [adres 1] is verkocht en op 1 februari 2019 is geleverd aan [naam 2] . De verkoper is ‘ [naam bedrijf 1] ’ één van de bedrijven van [naam 3] (…). De koopprijs bedraagt € 95.000,-.

Verder blijkt dat op 12 februari 2019 dezelfde bedrijfsruimte voor de helft is verkocht en op 21 februari 2019 is geleverd aan [naam 1] . De verkoper is [naam 2] (…). De koopprijs bedraagt € 47.500,-.

Uit een e-mailbericht van 25 april 2019, van [naam 3] aan de notaris [naam 4] van het notariskantoor [notariskantoor] , blijkt dat [naam 3] de afspraak met [naam 1] en [naam 2] heeft gemaakt om de bedrijfsruimte weer over te schrijven naar zijn onroerend goed vennootschap. Hij geeft daarbij aan dat [naam 1] zijn eigen geld weer moet terugkrijgen en dat de verdeling ongeveer ‘55/45%’ zal zijn (…). Vervolgens blijkt dat [naam 3] op 15 mei 2019 overeengekomen is met [naam 1] en [naam 2] deze bedrijfsruimte weer over te kopen voor een bedrag van € 95.000,- en de levering heeft plaatsgevonden op 23 mei 2019 (…)

3.6.2.

Bevindingen huur loods

In het digitaal onderzoek is hierover een aantal e-mailberichten uit 2019 en 2020 aangetroffen tussen [naam 1] en een vastgoedbedrijf en tussen [naam 1] en [naam 2] waaruit blijkt dat [naam 2] sinds medio 2019 een loods huurt via [naam 1] .

(…)

3.6.3

Bevindingen huur woning

In het digitaal onderzoek is hierover een aantal e-mailberichten uit 2016 en 2017 aangetroffen waaruit blijkt dat [naam 1] aan [naam 2] een woning heeft verhuurd voor de verhuur aan medewerkers van Roscaff. Dit betreft een woning van [naam 1] , gevestigd [adres 2] .

(…)

3.6.4

Bevindingen sponsoring en kerstpakketten door Roscaff

Uit het eerste gesprek met [naam 1] werd bekend dat er verschillende leveranciers, met name uitzendbureaus, van Brand de manege c.q. uitjes voor kinderen via de manege van [naam 1] sponsorden.

[naam 2] deelde hierover aan onze medewerkers mee dat ook zij de manage gesponsord heeft en dat dit altijd via de echtgenote van [naam 1] ging. [naam 1] had daar geen betrokkenheid in, aldus [naam 2] . [naam 2] deelde daarover verder mee dat dit altijd via de bank betaald werd en dat zij een factuur hiervoor ontving van de echtgenote van [naam 1] . Tevens deelde zij mee dat zij ook bij haar kerstpakketten inkocht die onder meer bestemd waren om met kerst aan de Brand-medewerkers te geven. (…)

In het digitaal onderzoek zijn verschillende bankrekeningafschriften van de manege van [naam 1] aangetroffen waaruit blijkt dat Roscaff een betaling doet en welke mogelijk betrekking heeft op de gekochte kerstpakketten c.q. sponsoring. Als voorbeeld daarvan wordt een bankrekeningafschrift van de manege van de maand maart 2020 hierbij gevoegd. Dit betreft een betaling door Roscaff op 27 maart 2020 van een bedrag van € 3.025,-.

3.6.5

Bevindingen betalingen lunches door Roscaff

In het digitaal onderzoek zijn twee e-mailberichten tussen [naam 1] en [naam 2] aangetroffen van 20 juni 2017. Bij het e-mailbericht van [naam 1] aan [naam 2] is een foto bijgesloten waarop vingers te zien zijn die een bankpas van de ABN-AMRO-bank vasthouden. Daarop is te zien dat het om een bankrekening gaat van Roscaff (…)

De afspraak was dat met deze door haar ter beschikking gestelde bankpas eten gekocht mocht worden voor een bedrag van ongeveer € 175,- per week. [naam 2] deelde mee dat zij haar administrateur elke week dat bedrag liet aanvullen zodat ze daarmee hun lunches konden kopen. (…)

Het vorenstaande is in strijd met het gestelde op pagina 12 en 13 (Hoe zaken doen) in de Gedragscode van Brand. (…)

3.6.6

Bevindingen relatie met de echtgenote van [naam 1]

(…)

Uit het gesprek met [naam 2] werd bekend dat de echtgenote van [naam 1] een vast maandelijks bedrag van Roscaff ontving voor haar werkzaamheden. Hiervoor ontving [naam 2] een factuur van de onderneming van de echtgenote van [naam 1] , genaamd [naam bedrijf 2] . In het digitaal onderzoek is een aantal e-mailberichten met een factuur die hierop betrekking hebben aangetroffen. (…)

Uit de factuur blijkt dat er een bedrag van € 2.843,50 voor de maand oktober 2017 wordt gerekend met als omschrijving ‘Fixed fee alle ondersteunende administratieve werkzaamheden’.(…)

In het digitaal onderzoek is een aantal e-mailberichten en bijlagen uit 2019 en 2020 aangetroffen die betrekking hebben op een dienstverband van de echtgenote van [naam 1] bij Roscaff. (…)

3.6.7

Bevindingen betalingen rijbewijs voor medewerker van Roscaff

In het digitaal onderzoek is een aantal e-mailberichten en bijlagen uit 2017 aangetroffen die betrekking hebben op facturen van een rijschool ‘ [naam rijschool] ’ (hierna genoemd: de rijschool), gevestigd in [vestigingsplaats rijschool] , aan Roscaff. Uit deze e-mailcorrespondentie blijkt onder meer dat een werknemer van Roscaff, [naam 5] , medewerker Projectadministratie, een pakket krijgt om haar rijbewijs te halen welke betaald werd door Roscaff. (…)

Op basis van de bevindingen uit dit deel van het onderzoek is het opmerkelijk te noemen dat een pas aangenomen medewerkster van Roscaff een rijbewijs kan halen welke bekostigd wordt door Roscaff, terwijl uit het onderzoek is gebleken dat een rijbewijs voor haar functie-uitoefening niet noodzakelijk is. Tevens is het opmerkelijk dat Roscaff geen medewerker heeft aangenomen die al een rijbewijs heeft. Zowel [naam 1] als [naam 2] verklaarden dat [naam 5] een rijbewijs heeft mogen halen omdat het openbaar vervoer naar haar werkplek niet optimaal zou zijn.

Op basis van de bevindingen uit de e-mailcorrespondentie uit bijlage 84 kan worden gesteld dat de factuur voor de rijlessen van [naam 5] aan Roscaff, mogelijk door Roscaff is doorbelast aan Brand. Dit wordt opgemaakt uit de tekst bij deze correspondentie “Maak een Bon en je hebt het terug!!”.

Zowel [naam 1] als [naam 2] hadden een soortgelijke verklaring over de factuur van de rijschool aan Roscaff aangaande de ‘slip cursus’ (…). Zij deelden mee dat deze cursus bedoeld was voor [naam 5] en een paar medewerkers van Roscaff. Gesteld kan worden dat een slipcursus niet noodzakelijk is voor de uitoefening van hun functies; [naam 5] werkt als een projectadministrateur op kantoor en de medewerkers van Roscaff zijn steigerbouwers. (…)

3.6.8

Bevindingen betalingen fitness coaching door Roscaff

In het digitaal onderzoek is een aantal e-mailberichten en bijlagen aangetroffen uit 2017 en 2018 die betrekking hebben op een coachingtraject voor [naam 1] en [naam 2] door [naam 6] . (…) Uit de verdere e-mailcorrespondentie van diezelfde dag blijkt dat het coaching traject voor [naam 1] zelf is (…). Deze factuur is echter gericht aan Roscaff ter attentie van [naam 2] . Vervolgens blijkt dat [naam 1] dit e-mailbericht met factuur uit bijlage 96 door mailt aan [naam 2] met daarbij de tekst ‘Deze is verkeerd gestuurd is voor u haha’ (…).

Op basis van de bevindingen uit dit deel van het onderzoek kan worden gesteld dat de trainingen die [naam 6] aan [naam 1] en [naam 2] geeft, mogelijk door Roscaff worden betaald.

3.6.9

Bevindingen relatie tussen [naam 1] als opdrachtgever en [naam 2] als opdrachtnemer

Op basis van de bevindingen uit met name het digitaal onderzoek kan worden gesteld dat [naam 2] als opdrachtnemer (Roscaff) een meer dan zakelijke relatie heeft met [naam 1] als opdrachtgever (Brand). (…)

Op basis van de bevindingen uit met name het digitaal onderzoek kan tevens worden gesteld dat [naam 2] , zonder te vragen, dat doet wat [naam 1] wenst. Gesteld kan worden dat dit onwenselijke situaties kan opleveren. Hierna volgen drie voorbeelden van onwenselijke situaties:

Voorbeeld 1 van zo’n onwenselijke situatie, waarbij [naam 1] aan [naam 2] via een constructie aanbiedt om drie medewerkers van Roscaff extra te belonen:

In een e-mailbericht van 8 februari 2018 van [naam 1] aan [naam 2] vermeld [naam 1] ‘ [naam 7] , 1 x werkbon voor 150 euro (hahaha)’.

(…)

Vervolgens reageert [naam 2] met de tekst ‘Hahahaa pffff tarief verhogen dan kan ik alles betalen ik loop er nu op leeg’. Hierop reageert [naam 1] met de tekst ‘Prima!! Ik denk om een stukje te compenseren wellicht 2 of 3 man iets extra geven toeslag op de uren [naam 8] ?? ?? ??’ Hierna reageert [naam 2] met de tekst ‘Hier kom ik begin volgende week op terug. [naam 8] sowieso [naam 9] ? [naam 10] ??’

(…)

Tot slot reageert [naam 1] met de tekst ‘Maak maar een opzetje dan kunnen we kijken bij wie we wat kunnen doen !! let op dat als ik een vinger geeft u niet de hele hand pakt’.

Voorbeeld 2 In deze situatie vraagt [naam 1] om geen datum te zetten op de werkbonnen, hij verhoogt de verrichtte prestatie in het voordeel van Roscaff en hij vraagt om een extra werkbon. Dit betreft e-mailcorrespondentie op 21 februari 2017:

(…)

Op 21 februari 2017 om 09.05 uur mailt [naam 2] een werkbon naar [naam 1] . [naam 1] reageert daarop om 09.08 met de tekst ‘Kan je ze nogmaals mailen en de datums weglaten, en nog 1tje’(…).

Om 09.38 uur mailt [naam 2] de nieuwe werkbon en vraagt of het zo ‘oke’ is. [naam 1] reageert daarop om 09.44 uur met de tekst ‘Toppie nog 1 tje van 6430 dan zijn we rond’(…).

Om 10.07 uur mailt [naam 1] aan [naam 2] de tekst ‘Sorry kan je ipv folie aanbrengen PVC zeil a 3,50 p/m2 en ipv verwijderen hout / verwijderen Folie 2250m2 dank u.’ Om 10.09 uur reageert [naam 2] daarop met de tekst ‘Jonguhhhh.’. Om 10.09 uur reageert [naam 1] daarop met de tekst ‘Goed he he he mag ook 2900m2 verwijderen folie (,,,).

Om 10.16 uur reageert [naam 2] daarop met de tekst ‘Je maakt me gekkkkkkk.’ [naam 1] mailt om 10.17 uur daarop met de tekst ‘Beter 2’(…).

Voorbeeld 3 van zo’n onwenselijke situatie, waarbij [naam 1] privé zaken doet met een bevriende relatie ( [naam 11] ), vervolgens tracht deze relatie als nieuwe leverancier van Brand binnen te halen en aan [naam 2] doorgeeft dat het bedrijf van [naam 11] aan Roscaff een factuur zal versturen.

(…)”

2.9.

Op 2 december 2020 heeft Brand bij de kantonrechter een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [naam 1] ingediend.

2.10.

Bij beschikking van 25 februari 2021 van deze rechtbank heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen [naam 1] en Brand met ingang van 1 mei 2021 ontbonden.

2.11.

Bij brief van 2 maart 2021 aan Roscaff c.s. heeft Brand de mantelovereenkomsten beëindigd tegen 2 april 2021. Er waren op dat moment nog 49 uitzendkrachten van Roscaff c.s. bij Brand werkzaam. In de brief is het volgende opgenomen:

“Geachte [naam 2] ,

Op 16-6-2020 heeft u met ons een Mantelovereenkomst met nummer [2020701.0] gesloten voor het uitlenen van vakbekwaam personeel door u aan ons.

Op 28 augustus 2020 heeft u in het kader van een intern onderzoek gesproken met medewerkers van Hoffmann Bedrijfsrecherche.

Op basis van informatie verkregen uit dit onderzoek bestaat er een vermoeden dat u heeft gehandeld in strijd met onze Code of Conduct.

Op basis hiervan beëindigen wij, conform artikel 2.6 met in achtneming van de opzegtermijn, hierbij bovengenoemde overeenkomst met u.

Dit betekent dat wij vanaf 2 april 2021 geen personeel meer zullen inzetten en na afwikkeling van onze administratieve verplichtingen de relatie beëindigen.

(…)”

2.12.

Bij brief van hun advocaat van 4 maart 2021 hebben Roscaff c.s. tegen de beëindiging geprotesteerd en Brand (onder andere) gesommeerd de overeenkomsten voort te zetten.

2.13.

Bij e-mailbericht van 9 maart 2021 heeft Brand vier orders beëindigd tegen 12 maart 2021.

3. Het geschil

3.1.

Roscaff c.s. vordert de voorzieningenrechter – na wijziging van eis – de navolgende onmiddellijke voorzieningen, uitvoerbaar bij voorraad, te geven:

I .

a. Primair: Brand te gelasten:

  • -

    de mantelovereenkomst met nr. 2020701.0, gesloten met Roscaff c.s., onverkort en volledig na te komen; en

  • -

    alle als in deze mantelovereenkomst bedoelde orders, aan hen verstrekt, na te komen c.q. voor te (blijven) zetten, derhalve niet (tussentijds) te beëindigen, en de beëindiging van orders op of na 2 maart 2021 in te trekken; en

  • -

    alle uit de mantelovereenkomsten en/of orders voortvloeiende verbintenissen onverkort na te leven;

zulks of op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per dag of gedeelte daarvan ingeval van gehele of gedeeltelijke niet-nakoming, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom, zulks te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van algehele voldoening.

b. Subsidiair: Brand te gelasten:

  • -

    ter zake de opzegging c.q. beëindiging van de mantelovereenkomsten en de daaronder thans nog lopende orders, inclusief de reeds op of na 2 maart 2021 geëindigde orders, een opzeg- c.q. beëindigingstermijn van 12 kalendermaanden in acht te nemen, althans een in goede justitie te bepalen beëindigingstermijn; en

  • -

    alle uit de mantelovereenkomsten en/of orders voortvloeiende verplichtingen, onverkort na te leven tot de (rechtsgeldige) einddatum van de mantelovereenkomsten en/of orders;

zulks of op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per dag of gedeelte daarvan ingeval van gehele of gedeeltelijke niet-nakoming, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom, zulks te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van algehele voldoening.

c. Meer subsidiair: Brand te veroordelen tot:

- betaling van een voorschot op de vergoeding van redelijk loon, compensatie en/of schadevergoeding ten bedrage van € 1.500.000,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te betalen aan Roscaff c.s. binnen 24 uur na dit vonnis, een en ander vermeerder met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening.

d. Nog meer subsidiair: een of meerdere voorziening(en) te geven die recht doen aan de spoedeisende belangen van Roscaff c.s..

II.

a. Primair: Brand te verbieden:

- werknemers, thans in loondienst van Roscaff c.s., op basis van een arbeids- of uitzendovereenkomst, direct of indirect, werkzaamheden te laten verrichten voor Brand en/of een daaraan gelieerde rechtspersoon, zonder tussenkomst van Roscaff c.s., zulks of op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per dag of gedeelte daarvan ingeval van gehele of gedeeltelijke niet-nakoming, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom, zulks te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van algehele voldoening.

b. Subsidiair: een of meerdere andere voorziening(en) te geven opdat werknemers, thans in loondienst van Roscaff c.s. op basis van een arbeids- of uitzendovereenkomst, niet door Brand worden geronseld, dan wel anderszins worden bewogen hun dienstverband met Roscaff c.s. te (doen) beëindigen, direct of indirect, teneinde werkzaamheden voor Brand en/of een daaraan gelieerde rechtspersoon te verrichten, zonder tussenkomst van Roscaff c.s.

III. Brand te veroordelen in de proces- en nakosten van dit geding, te betalen binnen 24 uur na dit vonnis, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening.

3.2.

Brand voert verweer dat strekt tot niet-ontvankelijkheid van Roscaff c.s. in hun vorderingen, dan wel tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van Roscaff c.s. in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Het spoedeisend belang

4.1.

Artikel 254 Rv bepaalt dat de voorzieningenrechter in spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd is om deze te geven. Van een spoedeisende zaak in vorenbedoelde zin is sprake als van de eiser niet kan worden gevergd dat hij de uitkomst van een eventuele bodemprocedure afwacht. Met de stelling van Roscaff c.s. dat hun omzet in één klap wegvalt als de mantelovereenkomsten per 2 april 2021 worden beëindigd is het spoedeisend belang in onderhavige zaak gegeven. Het spoedeisend belang is door Brand ook niet betwist.

Algemeen

4.2.

Vooropgesteld wordt dat de voorzieningenrechter zich bij de beoordeling van een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening – bij wijze van uitgangspunt – dient te richten naar de waarschijnlijke uitkomst van een eventuele bodemprocedure.

Ten aanzien van het primair onder I. gevorderde

4.3.

Tussen partijen staat vast dat zij sinds 2014 op basis van mantelovereenkomsten met elkaar samenwerken en dat op grond van deze mantelovereenkomsten vervolgens individuele orders worden verstrekt die de terbeschikkingstelling van uitzendkrachten behelzen. De orders kunnen worden gekwalificeerd als overeenkomsten van opdracht. De mantelovereenkomsten zelf betreffen onbenoemde duurovereenkomsten.

4.4.

Roscaff c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat de mantelovereenkomsten voor bepaalde tijd zijn aangegaan, namelijk “tot wederopzegging” door Brand. Brand heeft dit betwist. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet een duurovereenkomst die doorloopt tot “wederopzegging” in beginsel worden beschouwd als overeenkomst voor onbepaalde tijd (die opzegbaar is). De looptijd van de overeenkomst is immers niet bepaald, noch in de tijd, noch op andere wijze, anders dan door een opzeggingshandeling van een der partijen. Roscaff c.s. hebben geen feiten gesteld die kunnen leiden tot een andere, op het eerste gezicht minder voor de hand liggende uitleg. Dat art. 2.6 van de mantelovereenkomst spreekt van “tussentijdse beëindiging” – hoewel van ‘tussentijds’ in deze uitleg geen sprake kan zijn – legt onvoldoende gewicht in de schaal. Naar voorlopig oordeel is de mantelovereenkomst dus een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het primaire standpunt van Roscaff c.s. wordt daarmee verworpen.

4.5.

In dit kort geding moet de vraag worden beantwoord of Brand de mantelovereenkomsten heeft mogen opzeggen. Of en, zo ja, onder welke voorwaarden een duurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan, opzegbaar is, wordt bepaald door de inhoud daarvan en door de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen (HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141). Indien wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging, geldt dat de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. Op grond van art. 6:248 lid 1 BW kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Die eisen kunnen voorts in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Ook als de wet of een duurovereenkomst wel voorziet in een regeling van de opzegging, kunnen, indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van art. 6:248 lid 1 BW meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden. Een beroep op een uit de wet of een overeenkomst voortvloeiende bevoegdheid om de overeenkomst op te zeggen kan op grond van art. 6:248 lid 2 BW onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.

4.6.

Brand heeft de mantelovereenkomsten opgezegd wegens een onherstelbare vertrouwensbreuk en op de gronden genoemd in artikel 2.6 van de mantelovereenkomst, zijnde handelen in strijd met de Code of Conduct en het vermoeden van fraude aan de zijde van Roscaff c.s. Roscaff c.s. hebben hier tegenover gesteld dat artikel 2.6 van de mantelovereenkomst geen opzeggingsmogelijkheid bevat, maar slechts een ontbindingsmogelijkheid met daaraan voorafgaande ingebrekestelling. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de exacte juridische kwalificatie van het bepaalde in artikel 2.6 van de mantelovereenkomst in het midden gelaten kan worden. Ook als artikel 2.6 beschouwd moet worden als voorziening in geval van ontbinding van de overeenkomst, dan betekent dat nog niet dat de overeenkomst niet opzegbaar is. In beide gevallen komt hoe dan ook betekenis toe aan de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid.

4.7.

Roscaff c.s. hebben onbetwist gesteld dat zij voor (meer dan) 90% van haar omzet van Brand afhankelijk zijn en dat zij haar dienstverlening op (de behoeften van) Brand hebben toegespitst. Weliswaar is niet gesteld of gebleken dat deze afhankelijkheid door Brand is geïnitieerd, laat staan afgedwongen, maar dat laat onverlet dat die afhankelijkheid feitelijk wel bestaat. Roscaff c.s. hebben daarnaast onbetwist gesteld dat zij als één van de ‘preferred suppliers’ van Brand hebben te gelden. Aangenomen moet daarom worden dat Brand niet onbekend was met deze mate van afhankelijkheid van Roscaff c.s. Gelet op deze overwegende afhankelijkheid ligt voor de hand dat de opzegging van de overeenkomsten ernstige gevolgen heeft voor het voortbestaan van Roscaff c.s. Roscaff c.s. hebben onbetwist gesteld dat zij hun ondernemingen moeten staken als de omzet van Brand wegvalt en daarvoor geen andere omzet in de plaats komt. De hiervoor genoemde omstandigheden, mede gelet op de lange duur van de samenwerking tussen partijen van ruim zes jaar, brengen mee dat van Brand in beginsel verwacht mocht worden niet lichtvaardig tot beëindiging van de samenwerking over te gaan, althans niet zonder Roscaff c.s. gelegenheid te geven zich op dat einde voor te bereiden.

4.8.

Brand heeft hiertegenover gesteld dat zij zwaarwegende redenen had om de samenwerking (op korte termijn) te beëindigen. Brand heeft hiertoe aangevoerd dat er sprake was van belangenverstrengeling van ( [naam 2] , de directeur van) Roscaff c.s. met een medewerker van Brand ( [naam 1] ), waarmee zij in strijd hebben gehandeld met de Code of Conduct. Brand heeft daarnaast aangevoerd dat er sprake is van vermoedens van fraude en onrechtmatig handelen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze redenen in onderhavig kort geding voldoende zijn komen vast te staan en overweegt daartoe het hierna volgende. Daarbij neemt de voorzieningenrechter overigens tot uitgangspunt dat, anders dan Roscaff c.s. mogelijk menen, niet van belang is dat sommige van de hieronder weergegeven gedragingen van [naam 2] mogelijk niet namens Roscaff c.s. zijn verricht.

4.9.

Genoegzaam vast is komen te staan dat de Code of Conduct, daargelaten of deze nu wel of niet behoort tot de “Annexen” bij de overeenkomst, voor Brand van betekenis is en dat ook Roscaff c.s. hebben moeten begrijpen dat zij geacht werden zich daaraan te houden. In artikel 1 van de mantelovereenkomst staat immers expliciet dat de Code of Conduct de gedragsregels bevat waaraan ook “derden die voor of namens Inlener werken” zich moeten houden. Uit artikel 6.3 van de mantelovereenkomst volgt dat het handelen in strijd met de Code of Conduct consequenties heeft. Dat Roscaff c.s. niet bekend waren met de Code of Conduct acht de voorzieningenrechter in dat licht niet aannemelijk. Brand heeft bovendien onbetwist gesteld dat de Code of Conduct op 10 december 2014 per

e-mailbericht aan [naam 2] is toegestuurd, als vervolg op de leveranciersdag van Brand van

3 december 2014. Roscaff c.s. kenden dus de Code of Conduct en Brand mocht erop vertrouwen dat Roscaff c.s. deze in acht zouden nemen.

4.10.

Uit de Code of Conduct volgt dat Brand het van belang vindt dat elke vorm van belangenverstrengeling moet worden voorkomen (zie rechtsoverweging 2.4.). Niet ter discussie staat dat in dit geval sprake is geweest van een vergaande mate van belangenverstrengeling. Uit het Hoffmann-rapport blijkt dat [naam 1] en [naam 2] in vergaande mate met elkaar verbonden waren, zowel in aangelegenheden die (op het eerste gezicht) niet met de samenwerking tussen Roscaff c.s. en Brand te maken hadden alsook in kwesties die daarmee wel in verband stonden, zoals de verhuur aan Roscaff c.s. door (de vrouw van) [naam 1] van bedrijfsruimte en woonruimte. De onderlinge verbondenheid kreeg ook gestalte in de vorm van gunsten die ( [naam 2] namens) Roscaff c.s. verleende aan [naam 1] , zoals de inschakeling tegen een vaste fee van diens vrouw. Daarnaast waren [naam 1] en [naam 2] betrokken bij een (door)levering van een bedrijfsruimte. Deze bevindingen zijn inhoudelijk niet door Roscaff c.s. betwist. Roscaff c.s. hebben wel aangevoerd dat met deze vorm van belangenverstrengeling de belangen van Brand niet zijn geschaad en dat daarom geen sprake is geweest van een belangenconflict. Gelet op het uit de Code of Conduct kenbare belang van Brand om iedere vorm van belangenverstrengeling te voorkomen is dit op zichzelf niet bepalend. Wat daar overigens ook van zij, nu [naam 2] als bestuurder van Roscaff c.s. in vergaande mate zakelijk verbonden was met [naam 1] , met wie zij klaarblijkelijk ook contacten onderhield over de inzet en facturatie van uitzendkrachten van Roscaff c.s., is de voorzieningenrechter op voorhand van oordeel dat Brand in redelijkheid kan hebben gemeend dat wel degelijk sprake is geweest van belangenconflicten.

4.11.

Aan de door Brand overgelegde e-mailberichten tussen [naam 2] en [naam 1] (productie 6) en aan de bevindingen in het Hoffman-rapport (zie rechtsoverweging 2.8.) heeft Brand daarnaast in redelijkheid het vermoeden kunnen ontlenen dat in de samenwerking van [naam 2] en [naam 1] sprake was van financiële onregelmatigheden. Die informatie wijst er bijvoorbeeld op dat [naam 2] en [naam 1] een toeslag op in rekening gebrachte uren hebben afgesproken, kennelijk bedoeld om Roscaff c.s. een extra vergoeding te doen toekomen, waarop zij louter op basis van het overeengekomen tarief en de inzet van de uitzendkrachten geen recht zouden hebben. Ook wijst de informatie op het in onderling overleg wijzigen van de vermelding van verrichte werkzaamheden op facturen van Roscaff c.s., ongeacht of die wijzigingen gerechtvaardigd werden door de daadwerkelijk uitgevoerde werkzaamheden. Tijdens de zitting is hierop van de zijde van Roscaff c.s. geen overtuigende verklaring gekomen. Voor zover Roscaff c.s. hierover iets hebben gesteld, komt dat erop neer dat zij niet verantwoordelijk zijn voor keuzes van [naam 1] en dat het hen vrij stond, waar hen dat werd aangeboden, hogere inkomsten te realiseren. Daarmee bagatelliseren zij hun eigen verantwoordelijkheid en miskennen zij dat het hen (juist) niet zonder meer vrij staat een hogere omzet te construeren als zij daarop materieel geen aanspraak hebben. Bovendien kunnen zij zich niet zonder meer verschuilen achter [naam 1] , juist omdat het hier om de medewerker gaat met wie [naam 2] , ook naar eigen zeggen, een meer dan zakelijke relatie onderhield. In redelijkheid heeft Brand hieraan de gevolgtrekking kunnen verbinden dat sprake was van vermoeden van fraude. Niet van belang is daarbij dat het begrip ‘fraude’ niet in de overeenkomst is gedefinieerd en ook niet of al dan niet voldaan is aan de strafrechtelijke definitie van valsheid in geschrifte.

4.12.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door Brand aan de beëindiging van de samenwerking ten grondslag gelegde omstandigheden van dien aard zijn dat Brand in redelijkheid heeft kunnen menen geen basis te zien voor voortzetting van de samenwerking. Aan die omstandigheden komt in zoverre zwaarder gewicht toe dan aan de in 4.7. genoemde omstandigheden. Brand had dus een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging, daargelaten of zij zo’n zwaarwegende grond nodig had. Dit leidt tot de conclusie dat de primaire vordering onder I. moet worden afgewezen. Aan dit alles doet niet af dat art. 6.3 van de Mantelovereenkomst een boete stelt op overtreding van de Code of Conduct. Dat impliceert immers niet zonder meer en ook niet in beginsel dat Brand dergelijke omstandigheden niet ook aan opzegging van de overeenkomst ten grondslag kan leggen.

Ten aanzien van het subsidiair onder I. gevorderde

4.13.

De onder 4.7. genoemde omstandigheden brengen op grond van de redelijkheid en billijkheid echter mee dat van Brand verwacht mocht worden een redelijke opzegtermijn in acht te nemen. Een maand opzegtermijn, zoals Brand heeft gehanteerd, kan gelet op die omstandigheden niet als redelijk worden beschouwd. Een opzegtermijn dient er in de regel toe de wederpartij een redelijke mogelijkheid te geven zich op de nieuwe situatie voor te bereiden. Na een samenwerking van zes jaar die op een kleine 10% na voor Roscaff c.s. exclusief was, kan in redelijkheid niet worden aangenomen dat zij zich binnen een maand volledig op andere opdrachtgevers zou kunnen richten.

4.14.

Op zichzelf is denkbaar dat sprake is van omstandigheden die dermate ernstig zijn dat een maand opzegtermijn meer dan genoeg is. Hier is echter van belang dat Brand kennelijk zelf gedurende een aantal maanden geen noodzaak zag om de samenwerking met Roscaff c.s. op korte termijn te beëindigen. Vast staat dat het Hoffmann-onderzoek in oktober 2020 is afgerond. Op 2 december 2020 heeft Brand het ontbindingsverzoek met betrekking tot [naam 1] ingediend bij de kantonrechter. Toen al was Brand kennelijk tot de conclusie gekomen dat de belangenverstrengeling tussen [naam 1] en [naam 2] niet zonder gevolgen kon blijven. Toch heeft Brand pas op 2 maart 2021 de overeenkomsten met Roscaff c.s. opgezegd. Tot die tijd heeft Brand de samenwerking met Roscaff c.s. voortgezet (en volgens Roscaff c.s. tot in elk geval januari 2021 zelfs uitgebreid). Bij deze gang van zaken valt niet in te zien dat van Brand niet gevergd kon worden Roscaff c.s. wat meer tijd te gunnen om zich op de nieuwe situatie voor te bereiden. Hieraan doet niet af dat Roscaff c.s. wellicht al eerder konden vermoeden dat de samenwerking tussen [naam 2] en [naam 1] gevolgen zou hebben. Waar Brand ervoor heeft gekozen Roscaff c.s. niet (deugdelijk) te informeren, kan zij Roscaff c.s. bezwaarlijk tegenwerpen dat zij zich niettemin eerder op de beëindiging hadden moeten voorbereiden.

4.15.

Brand heeft ter zitting verklaard dat zij Roscaff c.s. niet eerder heeft geïnformeerd uit oogpunt van zorgvuldigheid. Zij wilde eerst het oordeel van de kantonrechter afwachten in de ontbindingszaak met betrekking tot [naam 1] . Dit op zichzelf is echter geen reden om niet een langere opzegtermijn in acht te nemen. Bovendien is de redenering van Brand ook niet zonder meer overtuigend. Een oordeel van de kantonrechter in de rechtsverhouding tussen Brand en [naam 1] heeft in beginsel geen relevantie in de verhouding tussen Brand en Roscaff c.s. Bovendien valt ook inhoudelijk niet in te zien om welke reden de zorgvuldigheid zou hebben gevergd dat Roscaff c.s. langere tijd onwetend werd gelaten.

4.16.

Gelet op al het voorgaande acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat Roscaff c.s. een langere opzegtermijn in acht had behoren te nemen. De gerechtvaardigde belangen van Roscaff c.s. vergen dat Brand bij wijze van voorlopige voorziening wordt veroordeeld die langere termijn alsnog in acht te nemen. Daarbij zal de voorzieningenrechter – in het kader van de in deze procedure te treffen voorlopige voorziening – uitgaan van een termijn van in totaal vier maanden, te rekenen vanaf 2 maart 2021. Een langere termijn doet onvoldoende recht aan de aard van de omstandigheden die tot de opzegging hebben geleid.

4.17.

Partijen zijn het erover eens dat de mantelovereenkomst niet zinvol kan bestaan zonder de onderliggende orders. De orders kunnen worden aangemerkt als opdrachtovereenkomsten met betrekking tot de inlening van individuele uitzendkrachten. De eisen van de redelijkheid en billijkheid vergen daarom dat Brand ook verplicht wordt de orders die op 2 maart 2021 nog van kracht waren gedurende de hiervoor genoemde termijn voort te zetten, behoudens voor zover de desbetreffende order voor het einde van die termijn eindigt of al is geëindigd als gevolg van het einde van de uitzendovereenkomst tussen Roscaff c.s. en de desbetreffende uitzendkracht.

4.18.

Strikt genomen betekent dit misschien, zoals Brand heeft betoogd, dat Roscaff c.s. meer krijgen dan waarop zij op grond van de overeenkomsten recht hadden. Brand heeft erop gewezen dat Roscaff c.s. onder de mantelovereenkomst geen aanspraak hebben op een gegarandeerde omzet. In de praktijk ligt dit anders. Feitelijk was de situatie immers zo dat Roscaff c.s. jarenlang uitzendkrachten hebben uitgeleend en dat, zoals Roscaff c.s. onbetwist hebben gesteld, ook de uitzendkrachten die onder de hiervoor bedoelde orders op 2 maart 2021 werkzaam waren al langere tijd bij Brand waren te werk gesteld. Bovendien hebben Roscaff c.s. onbetwist gesteld dat Brand altijd tevreden was over de kwaliteit van de ingeleende uitzendkrachten. Dat die orders gedurende de opzegtermijn van vier maanden om andere redenen zouden zijn opgezegd is zo bezien niet aannemelijk. Hieraan doet niet af dat op grond van artikel 5.1 van de mantelovereenkomst, dan wel op grond van artikel 7:408 BW, de orders in beginsel op elk moment kunnen worden opgezegd. Ook in geval van een dergelijke bevoegdheid kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval. Die situatie doet zich, zoals hiervoor in 4.14. is overwogen, voor. Een voorziening zoals in 4.17 weergegeven doet dus recht aan een in de praktijk gegroeide bestendige gedragslijn.

4.19.

De subsidiaire vordering onder I. is daarom toewijsbaar met inachtneming van het hiervoor overwogene. Geen voorziening zal worden getroffen voor zover het gaat om orders die inmiddels zijn geëindigd of voor het einde van de opzegtermijn zullen eindigen vanwege een einde van de uitzendovereenkomst tussen Roscaff c.s. en de desbetreffende uitzendkracht. Weliswaar kan niet worden uitgesloten dat Roscaff c.s. ook in die gevallen omzet mislopen, maar daar staat tegenover dat zij ook geen salarisverplichtingen meer hebben jegens een uitzendkracht die uit dienst treedt. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is in die situatie onvoldoende grond.

4.20.

Een dwangsom ten aanzien van de vordering acht de voorzieningenrechter passend en geboden. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd op het in het dictum te vermelden bedrag.

4.21.

Nu de subsidiaire vordering wordt toegewezen behoeven de onder I. meer en nog meer subsidiaire vorderingen geen nadere bespreking. Deze worden afgewezen.

Ten aanzien van het onder II. gevorderde

4.22.

Roscaff c.s. leggen aan het onder II. gevorderde ten grondslag dat sprake is van onrechtmatige concurrentie. Brand zou uitzendkrachten van Roscaff c.s. proberen te ronselen c.q. te bewegen hun dienstverband met Roscaff c.s. te beëindigen. Als een dergelijke beperking niet wordt opgelegd dan wordt het verdienmodel van Roscaff c.s. doorkruist. Door het handelen van Brand wordt Roscaff c.s. de kans ontnomen om deze uitzendkrachten elders te plaatsen en wordt Roscaff c.s. in een faillissement gedrukt. Brand is tevens op de hoogte van de concurrentiebedingen ex artikel 7:653 BW waaraan de uitzendkrachten gebonden zijn. Het staat de uitzendkrachten niet vrij om via een ander dan Roscaff c.s. aan de slag te gaan bij Brand zowel gedurende als na afloop van hun dienstverband. Overtreding hiervan levert een wanprestatie op van de desbetreffende uitzendkracht. Brand heeft hiervan proberen te profiteren en heeft daarmee onrechtmatig jegens Roscaff c.s. gehandeld.

4.23.

Brand betwist dat zij op de hoogte was van de concurrentiebedingen in de uitzendvereenkomsten. Alleen daarom al kan Brand niet worden verweten uitzendkrachten tot wanprestatie aan te zetten. Dat uitzendkrachten willen overstappen, acht Brand gezien de onrust en omstandigheden daarnaast wel begrijpelijk. Het staan hen vrij om dat te doen, daarin is Brand zelf geen partij. Van onrechtmatige concurrentie of van onrechtmatig profiteren van de wanprestatie van de uitendkrachten is geen sprake.

4.24.

Uit vaste jurisprudentie blijkt dat het enkele profiteren van de onrechtmatige daad van een ander op zichzelf niet onrechtmatig is, zelfs niet wanneer men weet dat er sprake is van een wanprestatie. Om dit ongeoorloofd te maken moeten er bijkomende omstandigheden zijn, die het profiteren onrechtmatig maken. Om concurrentie onrechtmatig te doen zijn, moet stelselmatig afbreuk worden gedaan aan het duurzaam bedrijfsdebiet van de benadeelde partij. Dat van het een of van het ander sprake is, kan uit de stellingen van Roscaff c.s. niet worden afgeleid. Roscaff c.s. hebben hun stellingen slechts onderbouwd met een tweetal e-mailberichten (productie 10 bij dagvaarding). Het betreffen twee (kennelijk) interne berichten binnen de organisatie van Brand over het einde van de samenwerking met Roscaff c.s., met de toevoeging dat indien de uitzendkrachten na beëindiging van de samenwerking met Roscaff c.s. bij Brand willen blijven werken ze zich bij een andere leverancier van Roscaff c.s. kunnen melden. Dat is onvoldoende om te kunnen spreken van onrechtmatig handelen aan de zijde van Brand. De vordering onder II. wordt daarom afgewezen.

Ten aanzien van het onder III. gevorderde

4.25.

Brand wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van Roscaff c.s. worden begroot op:

- betekening oproeping € 90,67

- griffierecht € 667,00

- salaris advocaat € 1.016,00

Totaal € 1.773,67

4.26.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

gelast Brand om ter zake de opzegging van de mantelovereenkomst en de daaronder op 2 maart 2021 lopende orders een opzegtermijn van vier kalendermaanden, te rekenen vanaf 2 maart 2021, in acht te nemen en gedurende die periode alle uit de mantelovereenkomsten en/of orders voortvloeiende verplichtingen onverkort na te leven, behoudens indien en voor zover de op 2 maart 2021 lopende orders zijn geëindigd of binnen genoemde opzegtermijn zullen eindigen als gevolg van het einde van de uitzendovereenkomst tussen Roscaff c.s. en de desbetreffende uitzendkracht;

5.2.

veroordeelt Brand om aan Roscaff c.s. een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 500.000,00 is bereikt,

5.3.

veroordeelt Brand in de proceskosten, aan de zijde van Roscaff c.s. tot op heden begroot op € 1.773,67, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt Brand in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Brand niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2021.

2180/1980