Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3560

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
22-04-2021
Zaaknummer
10/254050-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van het bewerken, verwerken en vervoeren van 23,9 kilogram heroïne en 1183 gram cocaïne. Gevangenisstraf van 30 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/254050-20

Datum uitspraak: 7 april 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] ,

preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsvrouw mr. K. Kuster, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek op de terechtzitting is aangevangen op 21 januari 2021 en hervat en opnieuw aangevangen op 24 maart 2021. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 maart 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M.L. Goudzwaard heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen van het opzettelijk bereiden, verwerken en vervoeren van heroïne en cocaïne, althans het opzettelijk aanwezig hebben daarvan;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Bewijs en bewezenverklaring

4.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Er is geen bewijs voor (voorwaardelijk) opzet op het vervoeren dan wel het aanwezig hebben van de verdovende middelen die zijn aangetroffen in de auto waarin de verdachte reed. Niet bewezen kan worden dat hij wist dat dit verdovende middelen waren. De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij de boodschappentas, waarin de verdovende middelen zijn aangetroffen, in het portiek van het pand aan de [adres 1] heeft opgehaald in de veronderstelling dat dit versnijdingsmiddelen betroffen. Hem was gevraagd die tas daar op te halen en in de auto weg te brengen naar een ander adres in Rotterdam. Hij zou hiermee wat verdienen. Deze verklaring vindt steun in het dossier en is niet zonder meer onaannemelijk. Er is geen bewijs dat de verdachte in de als versnijdingspand ingerichte woning op de eerste etage van het pand aan de [adres 1] is geweest, zodat enige betrokkenheid van de verdachte daarbij niet kan worden vastgesteld. Ook is er geen bewijs voor medeplegen.

4.2.

Beoordeling bewijsverweer

Op grond van de bewijsmiddelen staat het volgende vast.

Op 9 oktober 2020 rond 03:30 uur heeft een doorzoeking plaatsgevonden van de woning op de eerste etage van het pand aan de [adres 1] . Bij het betreden van de woning was daar niemand aanwezig. De woning was ingericht als versnijdingspand en werd als zodanig gebruikt. Op diverse plekken stonden of lagen tassen en zakjes met versnijdingsmiddelen. Dit betrof in totaal een grote hoeveelheid. Ook werd ongeveer 2 kilogram heroïne aangetroffen. Een hoeveelheid van 9,7 gram lag op een tafel en de rest (1980,3 gram) zat in een tas in de koelkast. Verder zijn diverse materialen aangetroffen die naar algemene ervaringsregels bestemd zijn voor het bewerken en verwerken van harddrugs, zoals een drugspers, mallen, weegschalen, een potkrik, zeven, teilen, een lamineermachine en stempels. Deze goederen stonden nagenoeg allemaal in het zicht. Op een behangtafel en in diverse zeven en teilen zat residu van bruin poeder en er lagen ook meerdere lege verpakkingen van vermoedelijk blokken heroïne. De woning was beneveld van het poeder. De concentratie van de stofdeeltjes in de lucht was zo hoog dat het onmogelijk was om dit niet te merken bij betreding van de woning. Bij binnenkomst sloeg het de verbalisanten direct op hun adem. De woning was niet ingericht als woning. Er lagen alleen drie matrasjes op de grond.

Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de woning uitsluitend en intensief werd gebruikt voor het versnijden van harddrugs en dat dit versnijden van harddrugs ook kort voor de doorzoeking heeft plaatsgevonden.

De verdachte en de medeverdachten [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] zijn voorafgaand aan de doorzoeking in deze woning zijn geweest. Bij observaties die hebben plaatsgevonden, is gezien dat enige tijd voor de doorzoeking, zij binnen een tijdsbestek van ongeveer 30 minuten de woning alle vier hebben verlaten. De verdachte, [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] hadden toen verdovende middelen bij zich.

Omstreeks 01.47 uur verlieten de verdachte en [naam medeverdachte 1] samen het pand. De verdachte droeg toen boodschappentassen. [naam medeverdachte 1] had een sporttas bij zich. Zij stapten daarna in een auto van het merk Skoda Citigo, De verdachte als bestuurder en [naam medeverdachte 1] als bijrijder, en reden weg. De politie is hen gevolgd en heeft ze kort daarna aangehouden. Bij de doorzoeking van de auto is in een ingebouwde verborgen ruimte één van de boodschappentassen, die de verdachte bij zich had, aangetroffen met daarin 22 blokken verdovende middelen. Deze tas is, voordat zij wegreden, door de verdachte in de verborgen ruimte gezet. Deze tas stond open en naast de tas lagen nog 24 blokken verdovende middelen. Na onderzoek bleek het te gaan om 44 blokken heroïne met een gewicht van 21.910,6 gram en 2 blokken cocaïne met een gewicht van 1083,2 gram.

In de sporttas, die [naam medeverdachte 1] bij het verlaten van de woning bij zich had en die in de auto is aangetroffen, zat een T-shirt waar bruine vlekken op zaten. Die vlekken werden door één van de verbalisanten ambtshalve herkend als vlekken die op kleding zichtbaar zijn bij personen die in een versnijdingspand zijn geweest. Ook zat er een bruine vlek op één van de schoenen van [naam medeverdachte 1] , wat blijkens een indicatieve test heroïne betrof.

De verdachte was in het bezit van zowel de sleutel van de voordeur van het pand aan de [adres 1] als de sleutel van de deur van de woning op de eerste etage dat als versnijdingspand werd gebruikt.

Medeverdachte [naam medeverdachte 2] verliet het pand aan de [adres 1] vrijwel direct na de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte 1] , omstreeks 01.50 uur, en is korte tijd later aangehouden. Op één van de stempels, die in de woning in de keukenla lagen, is een DNA-mengprofiel aangetroffen dat afkomstig kan zijn van [naam medeverdachte 2] (bewijskracht: meer dan 1 miljard) en minimaal 3 onbekende personen.

Medeverdachte [naam medeverdachte 3] verliet vrij kort daarna, omstreeks 02.19 uur, het pand aan de [adres 1] . Hij had toen een plastic tasje bij zich. Dit tasje is aangetroffen in de tuin van een woning aan de [adres 2] waar hij in liep toen de politie hem volgde. In dit tasje bevond zich 276,9 gram heroïne en 94,9 gram cocaïne. De kleding (broek, jas en trui) van [naam medeverdachte 3] was stoffig en uit indicatieve tests is gebleken dat hierop heroïne en cocaïne zat.

Gelet op al het voorgaande kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de verdachte en de genoemde medeverdachten als mededaders betrokken zijn geweest bij de versnijding van harddrugs (heroïne en cocaïne) in het pand aan de [adres 1] en bij het vervoer (per auto of te voet) van harddrugs vanuit dat pand naar elders. Door deze betrokkenheid wordt bewezen geacht dat alle aangetroffen verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte en de medeverdachten hebben bevonden en dat zij allen wetenschap hadden van de aanwezigheid van deze verdovende middelen. Zij zijn met zijn allen tot diep in de nacht in de woning geweest waar de versnijding van de verdovende middelen plaatsvond en van waaruit de verdovende middelen door een aantal van hen zijn meegenomen en zijn vervoerd. Zij hebben hieraan een functionele en/of organisatorische bijdrage geleverd en daarbij bewust en nauw samengewerkt. Er was daarom sprake van medeplegen.

In het licht van het voorgaande worden de door de verdachte en de medeverdachten afgelegde (ontkennende) verklaringen ongeloofwaardig geacht. Hun verklaringen zijn zowel innerlijk als onderling tegenstrijdig. Ook zijn de verklaringen meerdere keren aangepast dan wel pas op de terechtzitting afgelegd.

Het verweer van de raadsvrouw wordt daarom verworpen.

4.3.

Bewijsmiddelen, verdere bewijsmotivering en bewezenverklaring

In bijlage II is de inhoud van de wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van hetgeen hiervoor onder 4.2 met betrekking tot het bewijs is overwogen, voor zover daartoe redengevend, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 8 oktober 2020 en 9 oktober 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt en vervoerd

- ongeveer 23,9 kilogram van een materiaal bevattende heroïne en

- ongeveer 1183 gram van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het bewerken, verwerken en vervoeren van heroïne en cocaïne. Dit betroffen grote hoeveelheden, in totaal ongeveer 23,9 kilogram heroïne en ongeveer 1183 gram cocaïne. De verdachte heeft hiermee een wezenlijke bijdrage geleverd aan de handel in deze verdovende middelen.

De handel in en het gebruik van harddrugs leidt tot veel problemen in de maatschappij. De handel gaat vaak gepaard met diverse vormen van zware en georganiseerde criminaliteit, zoals geweldsfeiten en het witwassen van geld dat met de handel wordt verdiend. Het gebruik van heroïne en cocaïne heeft grote gezondheidsrisico’s. Deze drugs zijn namelijk erg verslavend en kunnen bij regelmatig gebruik schadelijke lichamelijke, psychische en sociale gevolgen met zich brengen. De verdachte heeft door zijn handelen hieraan bijgedragen. Hij heeft kennelijk geen enkele boodschap gehad aan al deze gevolgen, maar is er alleen op uit geweest om er zelf financieel beter van te worden.

Nu de verdachte en de medeverdachten hierover zelf niets hebben verklaard en daarvan ook anderszins onvoldoende is gebleken, is de precieze rol van ieder van hen bij het plegen van het feit niet duidelijk geworden, zodat hiermee bij de strafoplegging geen rekening kan worden gehouden. Wel is duidelijk dat zij allen aan het feit een cruciale bijdrage hebben geleverd.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 22 februari 2021 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 7 januari 2021. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

De reclassering kan met de beschikbare informatie niet adviseren of interventies en/of toezicht nodig zijn. De verdachte is first offender en ontkent het tenlastegelegde, waardoor er geen verbanden gelegd kunnen worden tussen het tenlastegelegde en de leefgebieden en ook het recidiverisico niet kan worden ingeschat. Hierdoor is het niet duidelijk of er interventies geïndiceerd zijn.

De reclassering heeft geen goed beeld gekregen van de vrienden- en kennissenkring van de verdachte en van zijn eventuele beïnvloedbaarheid door vrienden of kennissen. Indien hij wordt veroordeeld, zijn er wel zorgen om zijn sociaal netwerk. Verder heeft hij zijn leven vrijwel op orde. Als positieve factoren ziet de reclassering zijn dagbesteding (school, stage en een bijbaan) en de relatie met zijn familie.

Vanwege de leeftijd van de verdachte (19 jaar), heeft de reclassering beoordeeld of er aanleiding bestaat voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Hiervoor is gebruik gemaakt van het Wegingskader adolescentenstrafrecht.

Op het gebied van handelingsvaardigheden zijn er weinig indicaties voor het toepassen van het jeugdstrafrecht. De verdachte komt niet kinderlijker over dan zijn kalenderleeftijd, er zijn geen aanwijzingen voor een verstandelijke beperking en hij lijkt in vergelijking met leeftijdsgenoten over voldoende plannings- en organisatievaardigheden te beschikken. Of hij zich door vrienden en kennissen laat beïnvloeden is onbekend, omdat de reclassering daar onvoldoende zicht op heeft gekregen.

Wat betreft de pedagogische beïnvloedingsmogelijkheden kan gezegd worden dat er enige indicaties zijn voor het toepassen van het jeugdstrafrecht. Zo woont de verdachte nog bij zijn moeder, lijkt hij enigszins open te staan voor sociale, emotionele of praktische ondersteuning of beïnvloeding door volwassenen en is continuering van de schoolgang van belang. Daarentegen is er geen interventie en/of maatregel nodig die alleen via het jeugdstrafrecht beschikbaar is en is gezinsgerichte hulpverlening ook niet noodzakelijk.

Alles overziend adviseert de reclassering het commune strafrecht (volwassenstrafrecht) toe te passen.

[naam] , reclasseringswerker bij Reclassering Nederland en opsteller van het rapport, is op de terechtzitting als getuige gehoord. Zij heeft een nadere toelichting gegeven ten aanzien van het advies om het commune strafrecht toe te passen en heeft gepersisteerd bij dit advies.

De officier van justitie heeft zich aangesloten bij het advies van de reclassering en het standpunt ingenomen dat het volwassenenstrafrecht dient te worden toegepast. De raadsvrouw heeft toepassing van het jeugdstrafrecht bepleit.

Anders dan door de raadsvrouw is bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Toepassing van het commune strafrecht is ook bij jongvolwassenen, zoals de verdachte, het uitgangspunt. Hiervan kan worden afgeweken indien de persoonlijkheid en ontwikkeling van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, nopen tot toepassing van het jeugdstrafrecht. Hiervan is geen sprake, gelet op het rapport van de reclassering en de toelichting daarop. De aard van de bewezen verklaarde strafbare gedragingen van de verdachte en de indruk die de verdachte op de terechtzitting heeft gemaakt, ondersteunen deze conclusie. De verdachte zal daarom worden berecht conform het commune strafrecht.

Gezien de aard en ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur. Bij de bepaling van die strafsoort en de duur daarvan is ook gelet op straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Een deels voorwaardelijke gevangenisstraf waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest, zoals door de verdediging is bepleit, wordt gelet op de ernst van het feit niet passend geacht. De aangevoerde persoonlijke omstandigheden maken dit niet anders.

Alles afwegend wordt een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden passend en geboden geacht. De door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden komt te hoog voor.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.K. Asscheman-Versluis, voorzitter,

en mrs. M.L.M. van Beckhoven en J.M.L. van Mulbregt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 8 oktober 2020 en/of 09 oktober 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

- ongeveer 23,9 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

heroine en/of

- ongeveer 1183 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine,

zijnde heroine en/of cocaine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I;

(art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)