Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3538

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
21-04-2021
Zaaknummer
C/10/616258 / FT EA 21/134
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

artikel 383 Fw, verzoek tot homologatie onderhands akkoord

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2021-0140
RI 2021/55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

Verzoek homologatie akkoord ex artikel 383 Faillissementswet (Fw)

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 21 april 2021

vonnis op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 383 Fw

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam vennootschap] B.V.

statutair gevestigd te [plaats] ,

verzoekster,

advocaat: mr. S. El Hadouchi, kantoorhoudende te Den Haag,

hierna te noemen: verzoekster

1 De procedure

1.1.

Verzoekster heeft op 22 januari 2021 een verklaring ex artikel 370 lid 3 Faillissementswet (Fw) ter griffie gedeponeerd.

1.2.

Op 3 maart 2021 heeft de rechtbank een tweetal beschikkingen afgegeven, waarin de rechtbank een uitspraak heeft gedaan ex artikel 378 Fw over aspecten die van belang zijn voor het tot stand brengen van een akkoord en machtiging heeft verleend ex artikel 42a Fw voor het verstrekken van een oogstkrediet.

1.3.

Verzoekster heeft op 22 maart 2021 het stemverslag zoals bedoeld in artikel 382

lid 1 Fw ter griffie gedeponeerd.

1.4.

Bij verzoekschrift met bijlagen van 25 maart 2021 heeft verzoekster de rechtbank verzocht het akkoord, zoals dit door verzoekster aan schuldeisers op 10 maart 2021 is aangeboden, te homologeren.

1.5.

Bij beschikking van 29 maart 2021 en herstelbeschikking van 30 maart 2021 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift strekkende tot homologatie van het akkoord bepaald op 7 april 2021 te 10.30 uur. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat verzoekster op grond van artikel 383 lid 5 Fw de stemgerechtigde schuldeisers onverwijld in kennis stelt van deze dagbepaling.

1.6.

Mr. El Hadouchi heeft de schuldeisers tijdig in kennis gesteld van voornoemde beschikkingen.

1.7.

Het verzoek is behandeld ter zitting in raadkamer van deze rechtbank van

7 april 2021.

1.8.

In raadkamer zijn gehoord:

- mr. S. El Hadouchi, advocaat van verzoekster;

- mr. S. Broeseliske, advocaat van verzoekster;

- mevrouw [naam 1] , middellijk bestuurster van verzoekster;

- de heer [naam 2] , middellijk bestuurder van verzoekster;

- de heer [naam 3] , adviseur van verzoekster;

- mr. R.M. Vermaire, advocaat van Rabobank;

- mr. A.M. Mennens, advocaat van Rabobank;

- mr. [naam 4] , namens de Rabobank; en

- de heer [naam 5] , namens Stipt Packaging B.V., schuldeiser van verzoekster, via telefonische verbinding.

Bij die gelegenheid heeft mr. El Hadouchi het verzoek toegelicht aan de hand van – aan de rechtbank en de ter zitting fysiek aanwezige partijen overgelegde – aantekeningen. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de rechtbank beantwoord en inlichtingen verstrekt.

1.9.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 Het verzoek

2.1.

Verzoekster verzoekt de rechtbank het door verzoekster op 10 maart 2021 aan haar schuldeisers aangeboden akkoord te homologeren. Ter onderbouwing van haar verzoek heeft verzoekster het volgende aangevoerd.

2.2.

Verzoekster exploiteert een onderneming in de glastuinbouw. Door grote investeringen in het verleden en een verliesgevende periode van enkele jaren heeft de onderneming een forse schuld opgebouwd bij de bank en haar handelscrediteuren waardoor verzoekster verkeert in een toestand waarin het redelijkerwijs aannemelijk is dat zij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden. Middels een akkoord met haar schuldeisers wil verzoekster een dreigend faillissement afwenden en de onderneming na herstructurering op een financieel gezonde wijze voortzetten.

2.3.

De crediteuren zijn tot en met 20 maart 2021 in de gelegenheid gesteld hun stem uit te brengen. In het akkoord zijn de crediteuren in twee klassen ingedeeld, te weten: een klasse a, zijnde de bank, ter zake haar vordering voor zover deze gedekt is door ten gunste van de bank gevestigde pand- en hypotheekrechten, en een klasse b, zijnde de handelscrediteuren ter zake hun vorderingen van voor 12 november 2020, de zogenaamde cut off date.

2.4

Uit het stemverslag blijkt dat beide klassen hebben ingestemd met het akkoord, nu de voorstemmers in beide klassen twee derden vertegenwoordigen van het totale bedrag aan vorderingen behorend tot de schuldeisers die binnen hun klasse een stem hebben uitgebracht.

3 De beoordeling

3.1.

In de beschikking van 3 maart 2021 ex artikel 378 Fw heeft de rechtbank geoordeeld dat haar rechtsmacht toekomt ten aanzien van alle aan de rechtbank voorgelegde kwesties in verband met het door verzoekster aan haar schuldeisers voor te leggen akkoord. Voorts is daarin vastgesteld dat is gekozen voor een besloten akkoordprocedure buiten faillissement.

3.2.

Ingevolge artikel 384 lid 1 Fw wijst de rechtbank het verzoek tot homologatie toe, tenzij zich één of meer van de afwijzingsgronden als bedoeld in artikel 384 lid 2 tot en met 5 Fw voordoet.

3.3.

Voormelde afwijzingsgronden kunnen blijkens de toelichting bij het wetsvoorstel (Kamerstukken II, 20 18-2019, 35 249, nr. 3, p. 16) worden onderverdeeld in de algemene afwijzingsgronden (artikel 384 lid 2 Fw) en aanvullende afwijzingsgronden (artikel 384 lid 3 tot en met 5 Fw). De afwijzingsgronden van artikel 384 lid 2 Fw zien (onder meer) op de vraag of verzoekster verkeert in de toestand als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw en het besluitvormingsproces zuiver is geweest en dienen door de rechter ambtshalve te worden getoetst. In dat kader is in ieder geval van belang of (i) alle schuldeisers of aandeelhouders op wie het akkoord betrekking heeft naar behoren in kennis zijn gesteld van het akkoord, de gelegenheid hebben gehad hierover hun stem uit te brengen en op de hoogte zijn gebracht van de datum waarop de behandeling van het homologatieverzoek zou plaatsvinden (artikel 384 lid 2 sub b Fw), (ii) de informatie die in het akkoord en de bijlagen is opgenomen toereikend is (artikel 384 lid 2 sub c Fw) en (iii) de schuldeisers en aandeelhouders op een correcte wijze zijn onderverdeeld in klassen en of zij voor het juiste bedrag in hun desbetreffende klasse zijn ingedeeld (artikel 384 lid 2 sub c en d Fw). Indien er door een (tegenstemmende) schuldeiser of aandeelhouder tegen de homologatie bezwaar is gemaakt, vindt er vervolgens een verdere toets van het akkoord door de rechter plaats (artikel 384 lid 3 en 4 Fw). Door geen van de schuldeisers is een verzoek tot afwijzing van het homologatieverzoek ingediend.

3.4

De rechtbank stelt vast dat verzoekster voldoende aannemelijk heeft gemaakt en gedocumenteerd heeft onderbouwd dat zij verkeert in een toestand waarin het redelijkerwijs aannemelijk is dat zij met het betalen van haar schulden niet zal kunnen voortgaan. Daarnaast constateert de rechtbank dat het akkoord gedurende een redelijke termijn is voorgelegd aan de stemgerechtigden, dat het aangeboden akkoord voldoet aan de in artikel 375 Fw opgenomen vereisten en de schuldeisers naar behoren in kennis zijn gesteld van de datum van behandeling van het onderhavige verzoek. Ook stelt de rechtbank vast dat de in het akkoord aangehouden indeling in stemklassen, die overigens niet afwijkt van de indeling zoals opgenomen in de beschikking van 3 maart 2021 ex artikel 378 Fw, voldoet aan de klassenindeling als bedoeld in artikel 374 Fw en dat alle klassen vóór het aangeboden akkoord hebben gestemd.

3.5.

Ten slotte is de rechtbank, mede onder verwijzing naar haar beslissing van 3 maart 2021, van oordeel dat er geen andere redenen zijn die zich tegen homologatie verzetten en dat de nakoming van het akkoord voldoende is gewaarborgd. Het akkoord wordt gefinancierd door Rabobank. Door een cessie komt deze financiering uiteindelijk ten laste van de aandeelhouders van verzoekster, zodat in dat kader de belangen van de gezamenlijke schuldeisers van verzoekster niet wezenlijk worden geschaad. Ter zitting heeft mr. Van Weert, namens de Rabobank, de nakoming van het aangeboden akkoord gegarandeerd.

3.6.

Nu niet is gebleken van gronden om het homologatieverzoek af te wijzen zal de rechtbank het akkoord homologeren.

4 De beslissing

De rechtbank:

homologeert het door [naam vennootschap] B.V. aangeboden akkoord.

Deze beslissing is gegeven door mr. F. Damsteegt-Molier, voorzitter, mr. A.E. de Vos en mr. M. Wouters, rechters, en is in aanwezigheid van mr. A.M. Pieters-Boelhouwer, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 april 2021.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.