Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3537

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
27-04-2021
Zaaknummer
8936333 CV EXPL 20-6456
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betaliing door ged. i.c.m. een e-mailbericht vormden een duidelijke aanwijzingen dat ged. het niet op een procedure wilde laten aankomen. Het lag redelijkerwijs op de weg van eis. om ged. erop te wijzen dat hij nog een deelt proceskosten was verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8936333 CV EXPL 20-6456

uitspraak: 22 april 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van:

[eiser], h.o.d.n. [handelsnaam 1],

wonende te [woonplaats eiser],

eiser,

gemachtigde: mr. M. Leung,

tegen

[gedaagde], h.o.d.n. [handelsnaam 2],

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

die in persoon procedeert.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de dagvaarding van 23 november 2020, met producties;

  2. de conclusie van antwoord, met producties;

  3. de conclusie van repliek, met één productie;

  4. de conclusie van dupliek, met producties;

  5. de aantekeningen van de griffier ter rolzitting van 11 maart 2021, waaruit volgt dat [gedaagde] zich refereert aan het oordeel van de kantonrechter.

Het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1

[eiser] vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 1.140,30, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 23 november 2020 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente.

2.2

Voormeld bedrag bestaat uit een hoofdsom van € 827,20, een bedrag van € 162,96 aan vervallen rente en een bedrag van € 150,14 inclusief btw ter zake van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdsom is [gedaagde] volgens [eiser] verschuldigd uit hoofde van een tussen partijen gesloten overeenkomst met betrekking tot het bedrukken van sportkleding. De rente wordt gevorderd op grond van het bepaalde in artikel 6:119a BW en de buitengerechtelijke incassokosten op basis van artikel 6:96 BW.

2.3

[gedaagde] heeft verweer gevoerd. Hierop wordt – voor zover van belang in deze procedure – hierna ingegaan.

3. De beoordeling

3.1

Op 3 december 2020, derhalve na de dagvaarding, maar voor de eerst dienende dag, heeft [gedaagde] een bedrag van € 1.238,79 aan [eiser] betaald. Dit bedrag is hoger dan het gevorderde bedrag van € 1.140,30 en is kennelijk ontleend aan de incassobrieven van 10 en 21 september 2020. [eiser] maakt thans nog aanspraak op (het restant van) de proceskosten. [gedaagde] betwist die proceskosten verschuldigd te zijn.

3.2

[gedaagde] verkeerde in de veronderstelling dat hij met zijn betaling zowel de hoofdsom als alle bijkomende kosten had voldaan en dat de procedure daarmee tot een einde zou komen. [gedaagde] heeft dit met zoveel woorden aan de incassogemachtigde van [eiser] gemeld bij emailbericht van 3 december 2020 (18.39 uur). [gedaagde] heeft hierbij geen rekening gehouden met – kort gezegd – de proceskosten van [eiser].

3.3

Aangezien de betaling door [gedaagde] en het hierboven genoemde e-mailbericht duidelijke aanwijzingen vormden dat [gedaagde] het niet op een procedure wilde laten aankomen, had het redelijkerwijs op de weg van (de gemachtigde van) [eiser] gelegen om [gedaagde] hier op te wijzen. Dit heeft (de gemachtigde van) [eiser] nagelaten. Dit vormt reden om het griffierecht en het salaris voor de gemachtigde voor het opstellen van de conclusie van repliek aan te merken als nodeloos veroorzaakte kosten die voor rekening van [eiser] moeten blijven.

3.4

Concreet betekent dit dat [gedaagde] € 1.140,30 dient te betalen aan hoofdsom, vervallen rente en buitengerechtelijke kosten en daarnaast een bedrag van € 215,46 aan (niet nodeloos veroorzaakte) proceskosten. Samen is dit € 1.355,76. Hiervan heeft [gedaagde] al € 1.238,79 betaald, zodat hij nog € 116,97 is verschuldigd aan (restant) proceskosten. De gevorderde wettelijke handelsrente over de proceskosten is niet toewijsbaar omdat proceskosten geen betrekking hebben op een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW. De (reguliere) wettelijke rente zal worden toegewezen op de wijze als hierna vermeld.

4. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 116,97, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

41645