Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3519

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
21-04-2021
Zaaknummer
10/710127-18 en 10/712101-18 (t.t.z. gevoegd)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met een ander voorhanden hebben van een geladen revolver en een geladen pistool met bijbehorende munitie. Verweer dat de verdachte geen wetenschap, noch beschikkingsmacht heeft gehad over de wapens, is verworpen.

Daarnaast heeft hij een ander wapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad.

Gemotiveerde vrijspraak voor diefstal met geweld van een bankpas en van geld en voor medeplegen van afpersing van een Rolex horloge en voor bedreiging en vernieling in vereniging.

Gelet op de persoonlijke omstandigheden en de overschrijding van de redelijke termijn van tien maanden, legt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op gelijk aan de duur van het voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummers: 10/710127-18 en 10/712101-18 (t.t.z. gevoegd)

Datum uitspraak: 7 april 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ),

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [postcode verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman m. A. Th. Tilburg, advocaat te Spijkenisse.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24 maart 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De dagvaarding onder parketnummer 10/710127-18 is overeenkomstig de vorderingen van de officier van justitie gewijzigd op de terechtzittingen van 18 september 2018,
31 januari 2019 en 16 maart 2021.

De teksten van de beide (gewijzigde) tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Onder de feiten 1 en 2 van parketnummer 10/710127-18 wordt de verdachte medeplegen van diefstal met geweld van een bankpas en van geld verweten op 10 april 2018 (zaak Brug); onder de feit 3 medeplegen van bezit van een tweetal vuurwapens in de periode van
9 februari 2018 tot en met 11 april 2018 (zaak Europcar); onder feit 4 het bezit van een vuurwapen op 12 juni 2018 (zaak Rijksstraatweg); en onder feit 5 medeplegen van afpersing van een Rolex horloge op 8 maart 2018 (zaak Rolex).

Onder de feiten 1 en 2 van parketnummer 10/712101-18 wordt hem bedreiging en vernieling verweten op 13 september 2018 door met een of meer anderen een baksteen door de ruit van de woning van zijn moeder te gooien en een briefje in de brievenbus te doen, dat de verdachte zijn mond moet houden (zaak Baksteen).

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. van den Berg heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde onder parketnummer 10/710127-18 en van het onder 1 en 2 ten laste gelegde onder parketnummer 10/712101-18;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak feiten 1, 2 en 5 van parketnummer 10/710127-18 (zaak Brug en zaak Rolex)

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de afpersingen en diefstal in vereniging van de aangever [naam slachtoffer 1] . Volgens de officier van justitie wordt de aangifte van [naam slachtoffer 1] op belangrijke punten ondersteund door de camerabeelden bij de pinautomaat van de bank, de bankafschriften van [naam slachtoffer 1] en de verklaring van de verdachte, waarin hij bekent geld te hebben gepind van de rekening van [naam slachtoffer 1] .

4.1.2.

Beoordeling

Vastgesteld kan worden dat er op 10 april 2018 tussen 11:03 en 11:07 uur door de verdachte met de bankpas van aangever [naam slachtoffer 1] geld is gepind van de rekening van [naam slachtoffer 1] bij een pinautomaat aan het Bruggehoofd in Hellevoetsluis, dat de verdachte wisselend heeft verklaard over de vraag waarom hij dat heeft gedaan en dat de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte 1] vanaf 13.00 uur op 10 april 2018 in Amsterdam opvallend luxe aankopen hebben gedaan. Die omstandigheden geven zeker te denken. Het dossier bevat echter onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat aangever [naam slachtoffer 1] met geweld en/of bedreiging met geweld is gedwongen tot afgifte van zijn bankpas. Daarbij betrekt de rechtbank dat de aangever [naam slachtoffer 1] geen verklaring biedt voor opvallend gedrag. Zo zou hij begin maart 2018 door dezelfde verdachten onder bedreiging van een vuurwapen zijn beroofd van een Rolex horloge. Toch spreekt hij op 10 april 2018 weer af met één van hen en stapt hij, naar eigen zeggen bij beide verdachten in de auto.

Dat geldt evenzeer voor het zojuist genoemde incident dat begin maart 2018 zou hebben plaatsgevonden en waarbij aangever [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] zouden zijn afgeperst door de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte 1] . Vastgesteld kan worden dat aangever [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] op 8 maart 2018 met de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte 1] in een auto van Hellevoetsluis naar Brielle zijn gereden. Het dossier bevat echter onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat aangever [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] toen door de verdachte en de medeverdachte [naam medeverdachte 1] met geweld en/of bedreiging met geweld zijn gedwongen tot afgifte van een Rolex horloge en een geldbedrag. Daarbij betrekt de rechtbank dat het bewijs met name ontleend zou moeten worden aan de verklaringen van aangever [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] , terwijl zij inconsistent en tegenstrijdig verklaren over de gang van zaken die dag en hun verklaringen bovendien de nodige vragen oproepen. Zo heeft [naam slachtoffer 2] aanvankelijk verklaard dat hem 5.000 euro was ontnomen. Later verklaarde hij dat het toch 10 euro was. En zo heeft [naam slachtoffer 2] aanvankelijk verklaard dat hij de verdachte [naam verdachte] niet eerder had ontmoet. Uit een door de verdediging overgelegd filmpje is echter het tegendeel gebleken.

Bij deze inconsistenties en ongerijmdheden in de verklaringen komt ook nog dat het telefoonnummer [gsm-nummer] dat eerder aan de verdachte werd toegeschreven en in deze periode aan de medeverdachte [naam medeverdachte 1] wordt toegeschreven, gedurende het pinnen niet in Hellevoetsluis maar in Hoogvliet was, minstens 11 kilometer van het Bruggehoofd verwijderd.

Gelet op al het voorgaande, spreekt de rechtbank de verdachte vrij van de feiten 1, 2 en 5.

4.2.

Bewijswaardering feit 3 (zaak Europcar)

Inleiding

In een Hyundai met het kenteken [kentekennummer] zijn twee geladen wapens aangetroffen, een revolver en een pistool. Deze wapens waren verborgen in het middenconsole bij de versnellingspook en zijn na doorzoeking op 13 april 2018 inbeslaggenomen.

De verdachte, die een inzittende van die auto was op 11 april 2018, wordt verweten dat hij deze wapens met de bijbehorende munitie samen met in elk geval de medeverdachte [naam medeverdachte 1] voorhanden heeft gehad. Op een van de inbeslaggenomen wapens is zijn DNA aangetroffen.

4.2.1.

Standpunt raadsman

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat

hij geen wetenschap had van de aanwezigheid van de wapens in het voertuig en dat hij evenmin de beschikkingsmacht daarover had. De aanwezigheid van zijn DNA op één van de wapens kan worden verklaard doordat hij dit eerder in zijn handen heeft gehad voor het maken van een videoclip. De verdachte wist niet dat de wapens in het voertuig lagen.

Beoordeling

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Om te beginnen strekt de periode van voorhanden hebben zich ook uit over de periode waarin de videoclip is gemaakt. De verdachte heeft verklaard dat hij de wapens heeft aangeraakt en in handen heeft gehad voor het maken van een videoclip, hetgeen ook wordt bevestigd door de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut. Door met de wapens in zijn handen op verschillende manieren te poseren en daarvan foto’s en/of video’s te (laten) maken, heeft verdachte de beschikkingsmacht gehad over de wapens en daarmee artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie overtreden.

Dit zou slechts anders zijn als een bijzonder geval zich zou voordoen, waarin iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen of munitie van een ander in handen krijgt, of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid in zijn nabijheid van een wapen of munitie van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan nemen (HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:510). Daarvan is hier geen sprake.

De aangever [naam slachtoffer 2] (zaak Rolex) heeft verklaard dat de medeverdachte [naam medeverdachte 1] een zilver/grijs vuurwapen heeft opgeborgen in een ruimte bij de versnellingspook in de auto waarin de verdachte, [naam slachtoffer 2] en de medeverdachte [naam medeverdachte 1] toen zaten. Los van het feit dat [naam slachtoffer 2] tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, wordt dit onderdeel van zijn verklaring ondersteund door de vondst van een vuurwapen op eenzelfde plek. Weliswaar speelt deze zaak een maand na de zaak Rolex en staat niet vast dat het vuurwapen in dezelfde auto is aangetroffen, maar als [naam slachtoffer 2] weet dat [naam medeverdachte 1] een vuurwapen bij de versnellingspook verborgen hield, kan het niet anders of de verdachte heeft dit ook geweten.

Uit bovenvermelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kan worden geconcludeerd dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van en beschikkingsmacht had over de vuurwapens en bijbehorende munitie die zijn aangetroffen in de auto.

Conclusie
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte beide vuurwapens en de bijbehorende munitie in vereniging voorhanden heeft gehad.

4.3.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 4 van parketnummer 10/710127-18 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.4.

Vrijspraak feit 1 en 2 onder parketnummer 10/712101-18 (zaak Baksteen)

Standpunten officier van justitie en verdediging

De officier van justitie acht beide feiten bewezen. De raadsman heeft vrijspraak gevorderd.

Beoordeling

In het dossier ontbreekt wettig en overtuigend bewijs voor de directe betrokkenheid van de verdachte bij deze feiten. Daarom zal de verdachte worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde van het parketnummer 10/712101-18.

4.5.

Bewezenverklaring

parketnummer 10/710127-18

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

3.

hij de periode van 9 februari 2018 tot en met 11 april 2018 te Hoofddorp, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen wapens als bedoeld in art. 2 lid 1˚ Categorie III onder 1˚ van de Wet wapens en munitie, te weten

- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3˚ van die wet in de vorm van een pistool (merk: Crvena. Zastava. kaliber: 7.65mm) met een daarbij behorend patroonmagazijn en daarbij behorende munitie en

- een vuurwapen in de zin van artikel l, onder 3˚ van die wet in de vorm van een revolver (merk: Smith & Wesson, kaliber: .357 Magnum/.38 special) met daarbij behorende munitie, voorhanden heeft gehad.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan, op die wijze begaan dat:

4.

hij op 12 juni 2018 te Dordrecht een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1˚ van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3˚van die wet in de vorm van een revolver (merk: Rohm, kaliber: .221r) met daarbij behorende munitie, voorhanden heeft gehad.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

parketnummer 10/710127-18

feit 3

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III; meermalen gepleegd

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

feit 4

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met een ander voorhanden hebben van een geladen revolver en een geladen pistool met bijbehorende munitie.

Enkele maanden daarna heeft hij een ander wapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad.

Het onbevoegd voorhanden hebben van dergelijke wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en tast de veiligheid van de samenleving ernstig aan.

De aanwezigheid en het gebruik van vuurwapens in de openbare ruimte is een toenemend probleem waardoor het veiligheidsgevoel van veel mensen wordt geraakt.
Het voorhanden hebben van een vuurwapen leidt immers al te vaak tot het gebruik daarvan, met alle gevolgen van dien. Tegen het ongecontroleerde bezit van vuurwapens moet daarom streng worden opgetreden.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
8 februari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland, afdeling reclassering, heeft een tweetal rapporten omtrent de verdachte uitgebracht. In het laatste rapport van 11 februari 2021 is het strafadvies van
28 augustus 2018 herhaald, inhoudende een verplicht reclasseringscontact met een (nader in te vullen) ambulante behandelverplichting. Daarentegen is in het rapport ook opgemerkt dat verschillende interventies in het verleden niet hebben geleid tot het voorkomen van een terugval in delictgedrag bij de verdachte.

7.3.3.

Redelijke termijn

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is overgeschreden. Verdachte is op 12 juni 2018 in verzekering gesteld. Verdachte kon daaraan in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem de strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank neemt dan ook die datum als beginpunt bij het bepalen van de redelijke termijn. De rechtbank doet op
7 april 2021 uitspraak. Het tijdsverloop tussen het aanvangsmoment van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het wijzen van vonnis door de rechtbank bedraagt dan ook 2 jaar en 10 maanden. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat, bijzondere omstandigheden daargelaten, de behandeling op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Dit betekent dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van 10 maanden, hetgeen de rechtbank laat meewegen bij de uiteindelijke straftoemeting.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd.

De rechtbank houdt echter ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het grote tijdsverloop. De rechtbank zal daarom aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, gelijk aan de duur van het voorarrest in de beide (gevoegde) strafzaken.
Het strafadvies van de reclassering wordt niet gevolgd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich, vertegenwoordigd door mr. A.J.W. Raas, advocaat te

Breda, in het geding gevoegd, dhr. [naam slachtoffer 1] , ter zake van de feiten 1, 2 en 5 onder parketnummer 10/710127-18.
De benadeelde partij heeft in het aangepaste voegingsformulier, te kennen gegeven van de verdachte te vorderen:

- een bedrag van € 1.440, - aan materiële schade, bestaande uit het weggenomen bedrag van € 8.340, - en € 2.100, - voor de terugkoop van het horloge,

- een bedrag van € 1.200, - aan immateriële schade,
in totaal € 11.640, -, te vermeerderen met de wettelijke rente.


Beoordeling

Nu de verdachte wordt vrijgesproken van de - hiervoor genoemde - feiten waaruit de schade voor de benadeelde partij zou zijn ontstaan, zal de rechtbank de benadeelde partij
niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

Conclusie

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 5 van parketnummer
10/710127-18 en de onder 1 en 2 parketnummer 10/712101-18 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten van parketnummer 10/710127-18, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 332 (driehonderd tweeëndertig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.L.M. Boek, voorzitter,

en mrs. L. Amperse en F.W.H. van den Emster, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. U. Ramdihal-Poeran, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 april 2021.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

parketnummer 10/710127-18

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 10 april 2018 te Hellevoetsluis, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte

van (een) bankpas en/of een ID-kaart, in elk geval van enig goed,

en/of tot het ter beschikking stelen van gegevens, te weten de bij die bankpas (bijbehorende) (pin)code(s)

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het (meermalen)

- tonen en/of richten van een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen

gelijkend voorwerp, aan/op die [naam slachtoffer 1] en/of

- doorladen van dat/een (vuur)wapen, althans dat/een op een (vuur)wapen

gelijkend voorwerp, in de nabijheid van die [naam slachtoffer 1] en/of

- laten plaatsnemen van die [naam slachtoffer 1] achterin een auto en/of

- ( daarbij) tegen die [naam slachtoffer 1] zeggen:

* "We gaan naar de auto" en/of

* "Wachten!" en/of

* "Als je het vertelt aan je vader, moeder, familie of vrienden dan

schieten we die neer en schieten we jou neer";

art 312 Wetboek van Strafrecht

2

hij op of omstreeks 10 april 2018 te Hellevoetsluis, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (een)

geldbedrag(en) (totaal E8340), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping

op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld

misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het (meermalen)

- tonen en/of richten van een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen

gelijkend voorwerp, aan/op die [naam slachtoffer 1] en/of

- doorladen van dat/een (vuur)wapen, althans dat/een op een (vuur)wapen

gelijkend voorwerp, in de nabijheid van die [naam slachtoffer 1] en/of

- laten plaatsnemen van die [naam slachtoffer 1] achterin een auto en/of

- ( daarbij) tegen die [naam slachtoffer 1] zeggen:

* "We gaan naar de auto" en/of

* "Wachten!" en/of

* "Als je het vertelt aan je vader, moeder, familie of vrienden dan

schieten we die neer en schieten we jou neer";

subsidiair

hij op of omstreeks 10 april 2018 te Hellevoetsluis, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een geldautomaat heeft weggenomen (een) geldbedrag(en) (totaal E8340), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij het weg te nemen goed onder het bereik van verdachte en/of zijn mededader(s) is gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door het gebruik van een bankpas en een pincode tot het gebruik waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren.

3.

hij in of omstreeks de periode van 9 februari 2018 tot en met 11 april 2018 te Hellevoetsluis en/of Hoofddorp, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1˚ Categorie III onder 1˚ van de Wet wapens en munitie, te weten
- een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3˚ van die wet in de vorm van een pistool (merk: Crvena. Zastava. kaliber: 7.65mm) met een daarbij behorend patroonmagazijn en/of daarbij behorende munitie en/of
- een vuurwapen in de zin van artikel l, onder 3˚ van die wet in de vorm van een revolver (merk: Smith & Wesson, kaliber: .357 Magnum/.38 special) met daarbij behorende munitie, voorhanden heeft gehad;

4.

hij op of omstreeks 12 juni 2018 te Dordrecht een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1˚ van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3˚van die wet in de vorm van een revolver (merk: Rohm, kaliber: .221r) met daarbij behorende munitie, voorhanden heeft gehad;

5.

hij op of omstreeks 08 maart 2018, in elk geval in of omstreeks de periode van 04 maart 2018 tot en met 10 maart 2018 te Hellevoetsluis en/of Brielle, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een horloge (Rolex) en/of (een) geldbedrag(en), in elk geval van enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan genoemde [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het (meermalen)

- tonen en/of richten van een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, aan/op die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of

- zeggen tegen die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] dat ze alles/hun waardevolle spullen af moesten geven en/of
- voelen aan de pols(en) van die [naam slachtoffer 1] en/of
- doorzoeken van de kleding van die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] ;

parketnummer: 10/712101-18

1. primair

hij op of omstreeks 13 september 2018 te Hellevoetsluis, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [naam slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (tijdens de nachtelijke uren) een baksteen door een voordeurruit te gooien en/of een briefje in de brievenbus te plaatsen met daarop de tekst "Word er gepraat door [naam] gaan jullie allemaal dood!!!";

subsidiair

[naam medeverdachte 2] op of omstreeks 13 september 2018 te Hellevoetsluis [naam slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door (tijdens, de nachtelijke uren) een baksteen door een voordeurruit te gooien en/of een briefje in de brievenbus te plaatsen met daarop de tekst
"Word er gepraat door [naam] gaan jullie allemaal dood!!!",
welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 01 augustus 2018 tot en met
13 september 2018 te Krimpen aan den IJssel en/of Rockanje en/of Hellevoetsluis, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door het, verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen, immers heeft hij, verdachte, die [naam medeverdachte 2] instructies gegeven over
- de inhoud van de te schrijven dreigbrief en/of
- de toe te brengen vernieling;

2 primair

hij op of omstreeks 13 september 2018 te Hellevoetsluis tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een voordeurruit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan a.in verdachte en/of zijn/haar mededader(s), te weten aan [naam slachtoffer 3] en/of een woningbouwvereniging toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt,

subsidiair

[naam medeverdachte 2] op of omstreeks 13 september 2018 te Hellevoetsluis opzettelijk en wederrechtelijk een voordeurruit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 3] en/of een woningbouwvereniging, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt,

welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 01 augustus 2018 tot en met
13 september 2018 te Krimpen aan den IJssel en/of Rockanje en/of Hellevoetsluis, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen,
immers heeft hij, verdachte, die [naam medeverdachte 2] instructies gegeven over de toe te brengen vernieling.