Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3509

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-04-2021
Datum publicatie
20-04-2021
Zaaknummer
C/10/595529 / FA RK 20-2929 (echtscheiding) en C/10/607054 / FA RK 20-8476 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid Nederlandse rechter met betrekking tot buitenlands onroerend goed op grond van artikel 24, aanhef en onder 1, Brussel I-bis. De Nederlandse rechter verklaart zich onbevoegd, omdat de eigendom van het buitenlands onroerend goed in geschil is tussen de echtgenoten. Vergoeding van arbeid van de man voor door hem verrichte werkzaamheden aan de woning van de vrouw? Vergoeding van arbeid van de vrouw voor door haar verrichte werkzaamheden in de onderneming van de man?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummers / rekestnummers: C/10/595529 / FA RK 20-2929 (echtscheiding)

C/10/607054 / FA RK 20-8476 (afwikkeling huwelijkse

voorwaarden)

Beschikking van 15 april 2021 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te [woonplaats vrouw] ,

advocaat mr. H.D. van den Berg te Dordrecht,

t e g e n

[naam man] , de man,

wonende te [woonplaats man] ( [land] ),

advocaat mr. J.W. de Haan te Barcelona (Spanje), postadres Breda.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 24 april 2021;

  • -

    het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 1 september 2020;

  • -

    het verweerschrift op het zelfstandig verzoek tevens houdende een zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 29 september 2020;

  • -

    het aanvullende verweerschrift met aanvullende verzoeken met bijlagen van de man, ingekomen op 2 november 2020;

  • -

    de brief, inhoudende een aanvullend verzoek met bijlagen van de zijde van de vrouw van 17 februari 2021;

  • -

    het aanvullende verweerschrift tevens houdende een wijziging van verzoek van de man, ingekomen op 22 februari 2021.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 4 maart 2021. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de vrouw met haar advocaat;

  • -

    de man;

  • -

    de advocaat van de man (in verband met de coronamaatregelen via een Skypeverbinding).

1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling is door de advocaat van de vrouw een pleitnotitie overgelegd.

2. De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd te Dordrecht op 26 augustus 2016.

2.2.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.3.

Scheiding

2.3.1.

De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.3.2.

De man betwist de gestelde duurzame ontwrichting niet. Hij verzoekt eveneens de echtscheiding uit te spreken.

2.3.3.

Omdat partijen de Nederlandse nationaliteit hebben, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 lid 1 sub b van de EG-verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (hierna: Brussel II-bis) rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.

2.3.4.

Op grond van artikel 10:56 BW is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

2.3.5.

Het verzoek tot echtscheiding wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.

2.4.

Afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden

2.4.1.

Op 8 augustus 2016 hebben partijen huwelijkse voorwaarden laten opmaken. Deze huwelijkse voorwaarden luiden – voor zover hier van belang – als volgt:

Inleiding

De verschenen personen verklaarden dat zij na te melden huwelijksvoorwaarden wensten op te stellen, omdat zij:

  • -

    elkaar, zoveel als mogelijk is, willen beschermen tegen de risico’s, welke verbonden zijn aan het drijven van een onderneming,

  • -

    aansprakelijkheid voor elkaars schulden respectievelijk verhaal van (eventuele) schuldeisers van de ene echtgenoot op vermogen van de andere echtgenoot gedurende het huwelijk zoveel mogelijk willen uitsluiten;

  • -

    ieder hun eigen vermogen wensen te behouden, indien het huwelijk eindigt

Partijen wensen daarom iedere gemeenschap van goederen uit te sluiten. Een periodiek verrekenbeding wordt niet overeengekomen, zulks (mede) om te voorkomen dat als gevolg van niet (volledige) uitvoering daarvan bij een echtscheiding (…) (alsnog) verrekening van vermogen zou moeten plaatsvinden. Ook wordt geen finaal verrekenbeding overeengekomen, zodat partijen bij echtscheiding ieder hun eigen vermogen behouden danwel de nalatenschap van de eerststervende echtgenoot volledig uit diens eigen vermogen bestaat.

Algehele uitsluiting

Artikel 1

De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.

Vergoedingen

Artikel 4

De echtgenoten zijn, voor zover zij niet anders schriftelijk overeenkomen, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, naar de waarde op de dag van de onttrekking (nominaal). Deze vergoeding is terstond opeisbaar, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzetten.

Kosten huishouding

Artikel 7

  1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden voldaan uit de inkomens van de echtgenoten naar evenredigheid daarvan, voor zover deze inkomens ontoereikend zijn, worden deze kosten voldaan uit ieders vermogen naar evenredigheid daarvan.

  2. De echtgenoot die over enig kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan zijn aandeel ingevolge het hiervoor bepaalde, heeft geen recht het te veel bijgedragene terug te vorderen van de andere echtgenoot.

  3. Tot de kosten van de huishouding worden mede gerekend

(…)

de renten van geldleningen aangegaan ten behoeve van de financiering van voor het gemeenschappelijke huishouden bestemde zaken, zoals een vakantiewoning, de inboedel en de gezinsauto(‘s)

4. Indien de door de echtgenoten gezamenlijk te gaan bewonen respectievelijk bewoonde hetzij woning volledig in eigendom toebehoort aan één van de echtgenoten, hetzij (…), zal (…) voor het geheel voor rekening komen van die echtgenoot, die eigenaar is van de woning:

a. de rente ter zake van bedoelde lening, aflossing van geldleningen aangegaan ten behoeve van (de financiering van) bedoelde woning, waardoor derhalve geen vergoedingsrecht ontstaat als bedoeld in artikel 4 van de onderhavige huwelijkse voorwaarden;

b. de kosten van alle gewone lasten en herstellingen, als bedoeld in artikel 3:220 Burgerlijk Wetboek, alsmede de kosten van alle buitengewone herstellingen (…),

c. het gebruikersgedeelte en het eigenaarsgedeelte van de zakelijke belastingen betreffende bedoelde woning, en

d. de premie voor de opstalverzekering.

Slotverklaringen

De verschenen personen verklaarden tenslotte:

(…)

2. Ten aanzien van het tussen hen geldende huwelijksgoederenrecht is Nederlands recht van toepassing.

De verzoeken

2.4.2.

De vrouw verzoekt, verkort weergegeven:

  • -

    te bepalen dat de man aan haar is verschuldigd een bedrag van € 53.523,53;

  • -

    te bepalen dat de man aan haar dient te voldoen als vergoeding voor het gebruik van de woning in Frankrijk met ingang van 5 december 2019 een bedrag van € 650,- per maand totdat hij de woning definitief heeft verlaten.

De vrouw voert gemotiveerd verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man en bepleit afwijzing daarvan.

2.4.3.

De man voert gemotiveerd verweer. Hij bepleit afwijzing van de verzoeken van de vrouw. Hij verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek, verkort weergegeven:

  • -

    de vrouw te veroordelen om binnen 48 uur na het geven van de beschikking aan hem te voldoen een bedrag van € 8.881,50 ter zake door hem uitgevoerde werkzaamheden aan de woning in Dordrecht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    primair met betrekking tot de woning in Frankrijk toebedeling van de woning aan hem tegen betaling van € 24.200,-, welk bedrag wordt verrekend met een door de vrouw aan de man te betalen bedrag van € 28.598,58, waarbij de vrouw wordt veroordeeld tot betaling van een restantbedrag van € 4.398,54 aan de man binnen 48 uur na het geven van de beschikking

  • -

    subsidiair, voor zover de rechtbank tot het oordeel komt dat de woning in Frankrijk in de verhouding met de vrouw geen gemeenschappelijk eigendom is, de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man binnen 48 uur na het geven van de beschikking van een bedrag van € 24.200,- ter zake de inbreng van de man in de aankoopsom van de woning en een bedrag van € 68.220,50 voor uitgevoerde werkzaamheden en betaalde eigenaarslasten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

2.4.4.

Omdat de Nederlandse rechter op grond van de Brussel II-bis Verordening rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogens-regime van partijen op grond van artikel 5 lid 1 Verordening huwelijksvermogensstelsels.

2.4.5.

Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: het Verdrag) van toepassing. Op grond van artikel 3 van het Verdrag hebben partijen het Nederlands recht aangewezen als het toepasselijk recht op hun huwelijksvermogensregime.

2.4.6.

Ten aanzien van het verzochte met betrekking tot de onroerende zaak in Frankrijk dient de internationale bevoegdheid te worden beoordeeld aan de hand van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (verder: Brussel I-bis).

2.4.7.

Artikel 24, aanhef en onder 1, Brussel I-bis luidt, voor zover thans van belang: ‘Ongeacht de woonplaats van partijen zijn bij uitsluiting bevoegd:

1. voor zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen: de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is. (…)’

Naar vaste rechtspraak van het Europees Hof van Justitie moet deze bepaling restrictief worden uitgelegd (HvJ EG 10 januari 1990, NJ 1991/572, Reichert / Köckler). Voor de toepasselijkheid van deze exclusieve bevoegdheidsbepaling is, voor zover hier van belang, vereist dat de rechtsvordering berust op een zakelijk recht ten aanzien van een onroerend goed en niet op een persoonlijk recht. Het verschil tussen een zakelijk recht en een persoonlijk recht bestaat hierin, dat een zakelijk recht werking heeft tegenover eenieder, terwijl een persoonlijk recht slechts tegen de debiteur geldend kan worden gemaakt (vgl. HvJ EG 9 juni 1994, zaak C-292/93, Jur. 1994, p. l-2535, LJN AC0939, NJ 1994/649 (Lieber/Göbel). Rechtsvorderingen die ertoe strekken de omvang, de hoedanigheid, de eigendom of het bezit van een onroerend goed of het bestaan van andere zakelijke rechten op dit onroerend goed vast te stellen en om de rechthebbenden de bescherming van de aan hun titel verbonden bevoegdheden te verzekeren vallen binnen het toepassingsgebied van thans artikel 24 Brussel I-bis.

De verzoeken gebaseerd op de betwiste (mede-)eigendom van de woning in Frankrijk

2.4.8.

De man heeft verzocht om de woning aan hem toe te delen. Ter onderbouwing van zijn verzoek stelt hij dat sprake is van gemeenschappelijk eigendom van de woning, althans dat partijen dat zo hebben bedoeld en dat hij daarom aanspraak kan maken op verdeling. De vrouw betwist gemotiveerd dat sprake is van gemeenschappelijk eigendom en verwijst daarbij naar de notariële akten van eigendomsoverdracht en de door partijen gesloten huwelijkse voorwaarden. Omdat het primaire verzoek van de man betrekking heeft op in het buitenland gelegen onroerend goed en hij verdeling vraagt, wat is gebaseerd op (mede)eigendomsrecht, hetgeen in geschil is tussen partijen, acht de rechtbank zich op grond van artikel 24, aanhef en onder 1 Brussel I-bis niet bevoegd kennis te nemen van het primaire verzoek van de man. De rechtbank is van oordeel dat de Franse rechter exclusief bevoegd is om vast te stellen of al dan niet sprake is van gemeenschappelijke eigendom. De rechtbank zal zich dan ook onbevoegd verklaren ten aanzien van dit verzoek.

2.4.9.

De rechtbank is wel bevoegd kennis te nemen van het subsidiaire verzoek van de man ten aanzien van deze woning, omdat dit verzoek betrekking heeft op vergoedingsrechten. Daarnaast is de rechtbank bevoegd om kennis te nemen van het verzoek van de vrouw tot verrekening van lasten verbonden aan de woning in Frankrijk, alsmede van het verzoek tot vaststelling van een door de man te betalen gebruiksvergoeding voor de woning in Frankrijk, omdat deze verzoeken de uitoefening van een persoonlijk recht betreffen. Deze verzoeken zijn echter alle gebaseerd op de door de één gestelde en door de ander betwiste (mede-)eigendom van de woning. Zonder het antwoord op deze vraag te kunnen vaststellen, kan de rechtbank inhoudelijk niet tot een beslissing op deze verzoeken komen. Nu de rechtbank niet bevoegd is om over de eigendom van de woning te beslissen, komt de rechtbank aan de verdere behandeling van deze verzoeken niet toe. De rechtbank zal deze verzoeken dan ook afwijzen.

Vergoedingsrecht van de man van een bedrag van € 8.881,50

2.4.10.

De man verzoekt de vrouw te veroordelen tot betaling van een bedrag van
€ 8.881,50 ter zake door hem uitgevoerde renovatiewerkzaamheden aan haar woning in Dordrecht. Het bedrag is opgebouwd uit € 8.330,- aan arbeidsloon en € 551,50 aan materiaal.

2.4.11.

De vrouw voert gemotiveerd verweer en bepleit afwijzing van het verzoek.

2.4.12.

De man legt allereerst aan zijn verzoek ten grondslag dat de vrouw hem in zijn hoedanigheid van renovatieaannemer opdracht heeft gegeven tot het verrichten van de werkzaamheden en dat hij deze dan ook in het kader van zijn aannemersbedrijf met het daartoe behorend materiaal heeft verricht. De vrouw betwist dit gemotiveerd. De rechtbank is van oordeel dat de man hierna zijn stelling, dat sprake is van een door de vrouw gegeven opdracht, onvoldoende heeft onderbouwd. Hij heeft hiertoe gesteld dat de vrouw hem niet heeft weerhouden van het verrichten van de werkzaamheden en dat hij materiaal van zijn bedrijf heeft gebruikt, maar de rechtbank is van oordeel dat dit onvoldoende is om een overeenkomst van opdracht te kunnen aannemen. Daar komt bij dat partijen niet hebben gesproken over een uurloon. Daarnaast heeft de man de vrouw pas 6 weken na de echtscheidingsmededeling op 27 juni 2020 een factuur toegezonden, terwijl de werkzaamheden al zijn verricht in de periode 2016-2018. Eerder is betaling nooit ter sprake geweest tussen partijen. Het lijkt er veeleer op dat, zoals de vrouw heeft aangevoerd, de man de werkzaamheden heeft verricht in zijn hoedanigheid van echtgenoot. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake was van een overeenkomst van opdracht.

2.4.13.

Nu de rechtbank van oordeel is dat de man de werkzaamheden heeft verricht als echtgenoot, zal de rechtbank een onderscheid maken tussen zijn arbeidsinspanningen en het materiaal.

De arbeidsinspanningen

2.4.14.

De man stelt dat op grond van artikel 7 lid 4 van de huwelijkse voorwaarden de eigenaarslasten volledig voor rekening van de vrouw dienen te komen, omdat zij de eigenaar is van de woning. Omdat de rechtbank heeft geoordeeld dat de vrouw de man geen opdracht heeft gegeven tot het verrichten van de werkzaamheden kunnen de arbeidsinspanningen niet worden gekwalificeerd als eigenaarslasten. De rechtbank passeert dan ook deze grondslag. Vervolgens grondt de man zijn verzoek op het in artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden neergelegde vergoedingsrecht, dan wel op ongerechtvaardigde verrijking. Los van de vraag of het vermogen van de vrouw door de door de man verrichte arbeid is gebaat dan wel is verrijkt, heeft de man naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat de arbeidsinspanningen een waarde vertegenwoordigen welk onttrokken is aan zijn vermogen, dan wel dat de man hierdoor is verarmd. Wanneer geen afspraken zijn gemaakt over betaling van arbeid binnen het huwelijk, biedt de wet geen directe grond voor een vergoeding. Naar vaste rechtspraak (HR 11 april 1986, NJ 1986, 622) kan alleen grond bestaan voor vergoeding van de door de echtgenoot verrichte arbeid, indien de echtgenoot aantoont dat hij zijn werkkracht elders tegen betaling had willen en kunnen aanwenden. De man heeft dit niet gesteld, zodat de rechtbank van oordeel is dat deze gronden evenmin kans van slagen hebben.
Ten slotte voert de man aan dat hem op grond van de redelijkheid en billijkheid een vergoeding moet worden toegekend voor de door hem verrichte arbeid. De rechtbank overweegt dat echtgenoten elkaar op grond van artikel 1:81 BW getrouwheid, hulp en bijstand zijn verschuldigd. Zij zijn verplicht elkaar het nodige te verschaffen. De vrouw heeft hierop ook vertrouwd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door de man verrichte arbeid in dit kader moet worden gezien, waarbij geen plaats is voor het betalen van een vergoeding.
De rechtbank zal het verzoek van de man, voor zover dit ziet op de kosten van door hem verrichte arbeid, dan ook afwijzen.

Het materiaal

2.4.15.

De man voert aan dat hij een bedrag van € 551,50 heeft besteed aan materiaal voor het renoveren van de woning van de vrouw. Op grond van artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden zijn de echtgenoten verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot. Voor zover de man zijn vermogen heeft aangewend ter investering in het vermogen van de vrouw, kan hij aanspraak maken op vergoeding daarvan. Echter, gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw van de hoogte van het bedrag, is de rechtbank van oordeel dat de man dit bedrag onvoldoende heeft onderbouwd met bewijsstukken. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw, volstaat alleen een overzicht van de kosten niet. De rechtbank zal dan ook dit onderdeel van het verzoek afwijzen.

Vergoedingsrecht van de vrouw van een bedrag van € 38.400

2.4.16.

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man aan haar een bedrag van € 38.400,- verschuldigd is wegens door haar verrichte administratieve werkzaamheden in de onderneming van de man.

2.4.17.

De man voert hiertegen gemotiveerd verweer.

2.4.18.

De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij de werkzaamheden in de onderneming van de man in opdracht van hem heeft verricht. De man betwist dit gemotiveerd en stelt dat de vrouw hem in het kader van hun huwelijk vrijwillig en op eigen initiatief wilde helpen. Over betaling voor deze werkzaamheden is nooit tussen partijen gesproken. Ook na de gemotiveerde betwisting door de man, heeft de vrouw op geen enkele wijze nader onderbouwd dat sprake was van een overeenkomst tot opdracht. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook afwijzen.

2.5.

Proceskosten

2.5.1.

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op 26 augustus 2016 te Dordrecht;

3.2.

verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het primaire verzoek van de man tot toebedeling van de in Frankrijk gelegen woning aan hem;

3.3.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Wieman-Bart, voorzitter, mr. A. Buizer en mr. P.R. de Geus, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.J.I. Mullenders op 15 april 2021.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.