Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3503

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-04-2021
Datum publicatie
26-04-2021
Zaaknummer
8578352 CV EXPL 20-19614
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

(oneigenlijke) dwaling art 6:228 BW, art 3:33 – 35 BW; terughoudendheid wilsgebrek gelet op aard vaststellingsovereenkomst; verschuldigdheid en hoogte onderliggende facturen niet betwist; late rekening en verantwoording geen wp of od; art 705 lid 2 Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8578352 CV EXPL 20-19614

uitspraak: 16 april 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de coöperatie BarentsKrans Coöperatief U.A.,

gevestigd te Den Haag,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. W.M. Schonewille,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf A] ,

gevestigd te [vestigingsplaats A] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf B] ,

gevestigd te [vestigingsplaats B] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf C] ,

gevestigd te [vestigingsplaats C] ,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf D] ,

gevestigd te [vestigingsplaats D] ,

5. [persoon D1]

wonende te [woonplaats D1] ,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf E] ,

gevestigd te [vestigingsplaats E] ,

7. [persoon E1],

wonende te [woonplaats E1] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

gemachtigden: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer en mr. [naam persoon] .

Partijen worden hierna ‘BarentsKrans’ en ‘ [bedrijf A] c.s.’ genoemd.

Verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. het exploot van dagvaarding van 2 juni 2020, met producties;

  2. de conclusie van antwoord, tevens houdende conclusie van eis in reconventie, met producties;

  3. de conclusie van antwoord in reconventie;

  4. het vonnis van deze rechtbank van 21 september 2020 waarbij een mondelinge behandeling is gelast;

  5. de aantekening dat de mondelinge behandeling op 19 november 2020 is gehouden;

  6. de akte overlegging producties namens BarentsKrans, met producties;

  7. het vonnis van deze rechtbank van 1 december 2020 waarbij een mondelinge behandeling is gelast;

  8. de antwoordakte namens [bedrijf A] c.s., met producties;

  9. de akte overlegging producties namens BarentsKrans, met producties;

  10. de antwoordakte namens [bedrijf A] c.s..

Omschrijving van het geschil

1. De feiten

1.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen het volgende vast.

1.2

BarentsKrans heeft voor gedaagde sub 1 in opdracht werkzaamheden verricht.

1.3

Op 12 december 2019 heeft BarentsKrans [bedrijf A] c.s. gedagvaard. In de dagvaarding wordt gevorderd betaling van een bedrag van € 83.139,36, bestaande uit een (resterende) hoofdsom van € 72.679,03, een bedrag van € 3.193,30 aan verschenen rente en een bedrag van € 7.267,03 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 83.139,36 vanaf 5 december 2019 tot aan de dag der algehele voldoening en proceskosten. De (resterende) hoofdsom ziet op de openstaande facturen 2499061 ad € 17.740,41, 2500879 ad € 3.938,55, 2501580 ad € 16.783,30, 2502205 ad

€ 17.247,04, 2505325 ad € 5.183,64, 2505326 ad € 5.721,48, 2505327 ad € 2.191,61, 2505465 ad € 2.795,10, 2506720 ad € 965,58 en 2508726 ad € 10.722,11.

1.4

Partijen zijn op 5 januari 2020 het volgende overeengekomen:

“1. [bedrijf A] c.s. erkennen per vijf december tweeduizend negentien schuldig te zijn, de bedragen zoals opgenomen in de op 12 december 2019 uitgebrachte dagvaarding, alsmede de door BarentsKrans nadien gemaakte beslag- en explootkosten; het exploot met bijlagen van Vurich Gerechtsdeurwaarders de dato drie januari tweeduizend twintig zal aan deze akte worden gehecht;

2. In mindering daarop heeft BarentsKrans in afwikkeling van het op éénendertig december tweeduizend negentien gelegde beslag een bedrag van vijftigduizend euro (€ 50.000,00) ontvangen van [bedrijf A] c.s.;

3. Vanaf vijftien februari tweeduizend twintig zal vier maanden lang maandelijks (derhalve op vijftien februari tweeduizend twintig, vijftien maart tweeduizend twintig, vijftien april tweeduizend twintig en vijftien mei tweeduizend twintig) een bedrag van tienduizend euro

(€ 10.000,00) worden voldaan.

Inmiddels zijn de termijnen van februari en maart van tienduizend euro (€ 10.000,00) elk ook door [bedrijf A] aan BarentsKrans voldaan;

4. Na voldoening van het laatste bedrag zal BarentsKrans een totaalafrekening maken: een eventueel te veel betaald bedrag zal zo spoedig mogelijk worden terugbetaald aan [bedrijf A] c.s.. Mocht een hoger bedrag verschuldigd zijn dan zullen [bedrijf A] c.s. dat onverwijld aan BarentsKrans voldoen;

5. Indien [bedrijf A] c.s. zich stipt en tijdig aan deze betalingsregeling houdt, zal BarentsKrans met terugwerkende kracht een herberekening van de rente maken, waarbij de (lagere) wettelijke rente wordt toegepast en niet de wettelijke handelsrente, zoals deze verschuldigd is. Het verschil tussen beide berekeningen zal alsdan deel uitmaken van de eindafrekening, zulks tegen finale kwijting over en weer;

6. De kosten van deze akte zijn voor rekening van [bedrijf A] c.s.”

1.5

De termijnen van 15 februari en 15 maart 2020 zijn voldaan.

2. De vordering, de grondslag en het verweer

in conventie

2.1

BarentsKrans vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [bedrijf A] c.s. hoofdelijk te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 20.000,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 10.000,- vanaf 15 april 2020 en over € 10.000,- vanaf 15 mei 2020, tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [bedrijf A] c.s. in de proceskosten, waaronder beslagkosten.

2.2

BarentsKrans legt nakoming van de vaststellingsovereenkomst als bedoeld onder 1.4 aan de vordering ten grondslag.

2.3

[bedrijf A] c.s. betwisten de vordering en voeren daartoe – verkort weergegeven – het volgende aan. [bedrijf A] c.s. hebben (oneigenlijk) gedwaald ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst zodat deze vernietigbaar is dan wel was de verklaring van [bedrijf A] c.s. niet gericht op het rechtsgevolg tot erkenning van hetgeen BarentsKrans vorderde.

in reconventie:

2.4

[bedrijf A] c.s. vorderen:

  • -

    een verklaring voor recht dat BarentsKrans onrechtmatig heeft gehandeld c.q. ernstig tekort is geschoten in de door aangegane verplichtingen en deswege gehouden is de door [bedrijf A] c.s. geleden schade te vergoeden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

  • -

    te gelasten dat BarentsKrans rekening en verantwoording aflegt over haar declaraties en de door [bedrijf A] c.s. gedane voorschotbetalingen en de verrekening daarvan met haar declaraties;

  • -

    te bepalen dat het door [bedrijf A] c.s. te veel betaalde als onverschuldigd danwel op grond van ongegronde verrijking dient te worden terugbetaald, met het verzoek een daartoe strekkend betalingsbevel af te geven;

  • -

    te bevelen dat de door BarentsKrans gelegde conservatoire beslagen met onmiddellijke ingang dienen te worden opgeheven;

  • -

    proceskostenveroordeling.

2.5

[bedrijf A] c.s. leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat zij meer hebben betaald aan BarentsKrans dan zij verschuldigd zijn. Hoeveel teveel is betaald blijft onduidelijk nu BarentsKrans, ondanks herhaalde verzoeken daartoe, weigert een specificatie te overleggen.

2.6

BarentsKrans betwist de vorderingen en voert daartoe aan dat zij niet onrechtmatig hebben gehandeld, alle facturen zijn verzonden aan gedaagde sub 1) en alle betalingen zijn verwerkt.

Beoordeling van het geschil

3.1

Vanwege de verwevenheid van de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze gezamenlijk worden behandeld en beoordeeld.

3.2

Het meest verstrekkende verweer is dat de vaststellingsovereenkomst dient te worden vernietigd dan wel dat deze niet tot stand is gekomen en [bedrijf A] c.s. voeren daartoe het volgende aan. Destijds is de administratieve kracht van gedaagde sub 1) weggevallen. Midden in de hoogtijdagen van de vuurwerkverkoop waar de bedrijfsvoering van gedaagde sub 1) op ziet, is door BarentsKrans beslag gelegd waardoor gedaagde sub 1) niet over de benodigde liquiditeiten kon beschikken voor de wederinkoop waardoor haar hele handel in een klap stil kwam te liggen. Dit veroorzaakte veel paniek bij [bedrijf A] c.s. die een faillissement op zich af zagen komen. Onder deze druk voelden zij zich genoodzaakt akkoord te gaan met een regeling, in de veronderstelling verkerend dat al haar betalingen waren verwerkt door BarentsKrans en conform de mededeling van BarentsKrans dat er nog facturen open stonden. Achteraf is gebleken dat er meer betaald is dan verschuldigd was, aldus [bedrijf A] c.s.

Door BarentsKrans is betwist dat er een verkeerde voorstelling van zaken is gegeven. In de onder 1.3 genoemde dagvaarding werd betaling van de facturen die verstuurd zijn in de periode van 27 augustus 2018 tot en met 20 november 2019 gevorderd. Al deze facturen van het advocatendossier zijn steeds met bijbehorende urenspecificatie verstuurd aan gedaagde

sub 1). Eerder zijn in dit dossier drie facturen verstuurd: op 15 mei 2018 factuur 2497000 ad

€ 29.113,51, op 21 juni 2018 factuur 2497952 ad € 58.639,15 en op 17 juli 2018 factuur 2498614 ad € 11.523,57. Deze laatste drie facturen zijn per e-mail verstuurd aan gedaagde sub 7). Na correspondentie via e-mail en Whatsapp-berichten is een betalingsregeling getroffen en zijn deelbetalingen gedaan onder vermelding van de respectievelijke factuurnummers, de laatste deelbetaling dateert van 20 september 2019. Daarnaast zijn in het notarissendossier twee facturen ad € 6.050,- en € 908,78 verstuurd. Omdat deze vijf facturen volledig betaald waren vóór het uitbrengen van de dagvaarding op 12 december 2019 worden zij daarin niet vermeld, net als de betalingen die zien op deze vijf facturen, aldus BarentsKrans.

3.3

Artikel 6:228 BW bepaalt dat een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar is:

a. indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten;

b. indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten;

c. indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden.

Door het niet vermelden van de drie (of vijf) eerder verstuurde en betaalde facturen door BarentsKrans in haar dagvaarding van 12 december 2019 is wellicht niet volledig inzicht gegeven in de gang van zaken maar er is geen onjuiste voorstelling van zaken gegeven Dat [bedrijf A] c.s. daarnaast niet (meer) wisten dat er eerder facturen zijn verstuurd en betaald en ook niet helder voor ogen hadden wat ze precies hadden betaald, maakt niet dat BarentsKrans een inlichtingplicht heeft verzaakt. Gelet op de in het onderhavige dossier overgelegde correspondentie met betrekking tot de drie facturen en het vermelden van die betreffende factuurnummers bij de betalingen mocht BarentsKrans er indertijd van uitgaan dat een en ander bekend was bij [bedrijf A] c.s.. Het ontbreken van informatie door het wegvallen van een administratieve kracht of het voeren van een gebrekkige boekhouding maakt niet dat BarentsKrans had moeten weten dat zij [bedrijf A] c.s. hieromtrent had moeten inlichten. Het beroep op dwaling wordt verworpen.

3.4

Ook het beroep op artikel 3:33 – 35 BW slaagt niet. Dit artikel bepaalt dat een rechtshandeling een op een rechtsgevolg gerichte wil vereist die zich door een verklaring heeft geopenbaard. Nog afgezien van het feit dat er terughoudendheid moet worden betracht bij het honoreren van een beroep op een wilsgebrek nu de aard van de vaststellings-overeenkomst in de zin van artikel 7:900 BW er toe strekt een einde te maken aan geschillen tussen partijen, geldt hier dat uit de overgelegde correspondentie volgt dat de gemachtigden van partijen over en weer hebben gemaild over de inhoud van de vaststellingsovereenkomst op 3 en 6 januari 2020. Dit is na de jaarwisseling en dus na de verkoopperiode van vuurwerk. Ook al zou het conservatoir beslag voor spanningen gezorgd hebben, niet valt in te zien dat hier geen sprake is van een op een rechtsgevolg gerichte wil. Dat [bedrijf A] c.s. achteraf in hun boekhouding hun betalingen niet kloppend kregen met de door haar getraceerde facturen maakt dit niet anders.

3.5

Partijen zijn dus gebonden aan de vaststellingsovereenkomst. Conform deze overeenkomst is [bedrijf A] c.s. de bij dagvaarding van 12 december 2019 gevorderde bedragen verschuldigd, te weten € 83.139,36 (zie 1.3) en € 3.972,34 aan (niet betwiste) beslagkosten. Daar komt een bedrag van € 111,44 aan dagvaardingskosten bij.

Ten overvloede wordt overwogen dat op basis van de inhoud van de dagvaarding van

12 december 2019 de gevorderde rente over rente en de gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zouden worden afgewezen.

3.6

De verschuldigdheid en de hoogte van de onderliggende facturen worden in deze procedure niet betwist door [bedrijf A] c.s. zodat zij conform de vaststellingsovereenkomst de laatste twee termijnbetalingen van € 10.000,- elk nog moeten voldoen. Voor zover [bedrijf A] c.s. in hun laatste antwoordakte van 16 februari 2021 menen te vorderen dat wordt bepaald wat rechtens is tussen partijen ten aanzien van hetgeen is gedeclareerd en betaald, wordt als volgt overwogen. [bedrijf A] c.s. hebben in deze procedure het standpunt ingenomen (ook in laatstgenoemde akte) dat als uitgangspunt wordt genomen de juistheid van de declaraties voor het berekenen van het totaal verschuldigde. Onbegrijpelijk en tegenstrijdig hiermee is dan de ineens geformuleerde eis dat de hoogte van de declaraties onredelijk zou zijn. Nu [bedrijf A] c.s. deze vermeende vordering niet hebben onderbouwd wordt deze als onvoldoende gemotiveerd afgewezen. Dat [bedrijf A] c.s. steeds hun rechten daartoe hebben voorbehouden maakt dit oordeel in deze procedure niet anders.

3.7

BarentsKrans heeft met productie 8 bij akte van 19 november 2020, te weten een specificatie van alle facturen en betalingen van het advocatendossier, rekening en verantwoording afgelegd. Alle door [bedrijf A] c.s. gestelde betalingen (inclusief een door

mr. Gerritsen overgemaakt voorschot ad € 10.000,- volgens hem in mei 2018 maar afgeboekt op 28 mei 2019) zijn verwerkt in deze specificatie, behalve de gestelde betaling van € 10.000,- op 17 april 2018. Deze betaling staat weliswaar opgenomen in het door [bedrijf A] c.s. verstrekte overzicht van betalingen maar zonder vermelding van een rekeningnummer of betalingskenmerk. De enkele vermelde omschrijving ‘via [naam persoon] ’ is onvoldoende om aan te tonen dat dit een daadwerkelijke overboeking aan BarentsKrans betreft zodat zij terecht dit bedrag niet in mindering heeft gebracht. Voor zover [bedrijf A] c.s. in hun laatste antwoordakte van 16 februari nog vorderen dat BarentsKrans moet herleiden waar deze betaling is gebleven geldt dat nu genoemde Gerritsen de advocaat van [bedrijf A] c.s. is het op hun weg ligt dit na te vragen bij de eigen gemachtigde.

Voor zover [bedrijf A] c.s. menen dat het voorschot van mei 2018 € 1.837,28 meer bedroeg dan de € 10.000,- die is afgeboekt had het op hun weg gelegen dit met een bankafschrift te onderbouwen wat zij niet gedaan hebben. Er wordt dan ook uitgegaan van de door BarentsKrans overgelegde specificatie. De gevorderde hoofdsom van € 20.000,- zal dan ook worden toegewezen.

Nu niet is gebleken dat er te veel is betaald door [bedrijf A] c.s., sterker nog, er staat nog een bedrag open, hoeft er door BarentsKrans niets te worden terugbetaald.

3.8

Dat door BarentsKrans op verzoek van [bedrijf A] c.s. niet eerder dan in deze procedure de drie eerdere facturen 2497000, 2497952 en 2498614 verstrekt siert haar niet. Zeker nu er steeds “ronde bedragen” werden overgemaakt is het voorstelbaar dat [bedrijf A] c.s. op zeker moment het overzicht kwijtgeraakt is. BarentsKrans had er goed aan gedaan eerder rekening en verantwoording jegens haar voormalige cliënten af te leggen, maar dit maakt niet dat er door haar wanprestatie is gepleegd of onrechtmatig is gehandeld. Daarnaast hebben [bedrijf A] c.s. BarentsKrans opdracht verstrekt werkzaamheden voor haar te verrichten. Dat BarentsKrans op een gegeven moment niet meer akkoord gaat met uitstel van betaling of deelbetalingen is haar goed recht. Anders dan door [bedrijf A] c.s. aangevoerd levert ook dit geen wanprestatie of onrechtmatig handelen op. De in reconventie gevorderde verklaring voor recht dat BarentsKrans onrechtmatig heeft gehandeld c.q. ernstig tekort is geschoten in de door aangegane verplichtingen wordt dan ook afgewezen.

3.9

Nu de vaststellingsovereenkomst niet is nagekomen zal over het totaal verschuldigde wettelijke handelsrente berekend worden conform deze overeenkomst. Het verwijt van [bedrijf A] c.s. dat er steeds een ander (hoger) bedrag gevorderd wordt, is dan ook in de doorlopende rente gelegen.

3.10

Artikel 705 lid 2 Rv bepaalt dat opheffing van een conservatoir beslag onder meer wordt uitgesproken bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld. De beoordeling of er reden is voor opheffing kan niet los geschieden van een afweging van de wederzijdse belangen. Van belang kan daarbij zijn de inschatting van enerzijds het risico dat de beslaglegger geen verhaal heeft indien hij over een deugdelijke vordering blijkt te beschikken en anderzijds het risico dat geen verhaal mogelijk zal zijn voor door een onterecht gelegd beslag bij de beslagene ontstane schade.

3.11

Door [bedrijf A] c.s. is slechts aangevoerd dat het op 31 december 2019 gelegde beslag onder de bank onrechtmatig is nu er geen vordering bestaat van BarentsKrans. Nu hierboven anders is geoordeeld wordt er geen grond gezien voor het opheffen van het conservatoire bankbeslag.

3.12

[bedrijf A] c.s. worden als de in het ongelijk gestelde partij in conventie en in reconventie in de proceskosten veroordeeld, tot aan deze uitspraak aan de zijde van BarentsKrans bepaald op € 105,09 aan dagvaardingskosten, € 996,- aan vast recht en

€ 1.305,50 aan salaris voor de gemachtigde (3 ½ punt).

De gevorderde beslagkosten worden afgewezen nu deze niet in een bedrag gespecificeerd zijn en niet onderbouwd zijn.

Beslissing

De kantonrechter:

in conventie

veroordeelt [bedrijf A] c.s. hoofdelijk – des de een betalende de ander zal zijn bevrijd – om aan BarentsKrans tegen kwijting te betalen € 20.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW over € 10.000,- vanaf 15 april 2020 en over € 10.000,- vanaf 15 mei 2020, tot de dag der algehele voldoening;

wijst af het anders of meer gevorderde;

in reconventie

wijst af de vorderingen van [bedrijf A] c.s.;

in conventie en in reconventie

veroordeelt [bedrijf A] c.s. in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van BarentsKrans vastgesteld op € 1.101,09 aan verschotten en € 1.305,50 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

745