Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3416

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
28-04-2021
Zaaknummer
C/10/591726 / HA ZA 20-197
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechten op casco schip. Vervolg op ECLI:NL:RBROT:2019:6894. Niet-ontvankelijkheid van dezelfde vorderingen die eerder op dezelfde gronden tegen dezelfde wederpartij zijn ingesteld en afgewezen wegens belang van goede procesorde. Geen misbruik van procesrecht. Dezelfde vorderingen die tegen de rechtsopvolger onder bijzondere titel van die wederpartij zijn ingesteld zijn wel ontvankelijk. IPR. Op grond van het oordeel in eerdere procedure is uitgangspunt dat verkoper ten tijde van verkoop eigenaar was. Beschikkingsbevoegdheid. Koopovereenkomst geldig. Geen onrechtmatige daad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/591726 / HA ZA 20-197

Vonnis van 21 april 2021

in de zaak van

1. de vennootschap naar Pools recht

PIRS & CO SP. Z O.O.SP.J.,

gevestigd te Gdansk, Polen,

2. de vennootschap naar Pools recht

NAVA PROJECT SP. Z O.O.,

gevestigd te Gdansk, Polen,

eiseressen,

advocaat mr. P.J.A. Nieuwland te Dordrecht,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WPI SHIP BUILDING B.V.,

gevestigd te Ouderkerk aan den IJssel,

gedaagde,

advocaat mr. T. Roos te Capelle aan den IJssel,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SHIPYARD TRICO B.V.,

gevestigd te Ridderkerk,

gedaagde,

advocaat mr. J.W. Bouman te Utrecht.

Partijen zullen hierna Pirs, Nava, WPI en Trico genoemd worden. Tenzij anders vermeld worden Pirs en Nava hierna tezamen als Pirs c.s. aangeduid.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 de dagvaardingen,

 de conclusie van antwoord van WPI met 22 producties,

 de conclusie van antwoord van Trico met 17 producties,

 de bepaling mondelinge behandeling bij brief van de rechtbank van 3 november 2020,

 het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 25 januari 2021 en de daarin vermelde processtukken,

 de reactie van WPI op het proces-verbaal bij brief van 16 februari 2021,

 de reactie van Pirs c.s. op het proces-verbaal bij brief van 19 februari 2021,

 de reactie van WPI op laatstgenoemde brief van Pirs bij brief van 23 februari 2021,

 de reactie van Trico op het proces-verbaal bij brief van 23 februari 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Bij overeenkomst van 28 augustus 2019 heeft Trico het casco voor een nog af te bouwen motortankschip genaamd “ [naam schip] ” (verder: het casco) voor een koopsom van € 1.200.000 exclusief btw aan WPI verkocht. De levering van het casco heeft dezelfde dag plaatsgevonden. Op 30 augustus 2019 is het casco op aanvraag van WPI als schip te boek gesteld door middel van inschrijving in de openbare registers van het kadaster als motortankschip in aanbouw, met brandmerk [brandmerk] , genaamd [naam schip] .

2.2.

Het casco was onderwerp van een door Pirs c.s. en [naam] bij deze rechtbank tegen onder meer Trico aangespannen procedure onder zaak-/rolnummer C/10/554421 HA ZA 18-666 (hierna: zaak 18-666). In die procedure heeft de rechtbank op 28 augustus 2019 eindvonnis gewezen. In dat vonnis is Pirs aangeduid als Pirs & Co en zijn Pirs c.s. en [naam] tezamen aangeduid als Pirs c.s. en zijn hun vorderingen weergegeven als volgt:

“4.1. Pirs c.s. vordert na vermeerdering van eis samengevat:

Shipyard Trico en (…) te veroordelen tot afgifte van het casco van een schip als omschreven in het lichaam van de dagvaarding (vertaald vanuit het Pools) “a hull of a vessel of the original building number [nummer] , changed into NB 1296 CHEMICAL TANKER TYPE C - NB 1296, total length 109,85, maximum [width] = 11.45m”, waarop beslag is gelegd op 25 mei 2018, met alles wat zich op en aan het casco van het schip bevindt, door dit te brengen in de macht van Pirs c.s., door het binnen twee dagen na de betekening van het te wijzen vonnis, op aanwijzing van Pirs c.s., beschikbaar te stellen,

en voorts alle medewerking te verlenen om dit casco van een schip weg te laten slepen, waaronder het toelaten van Pirs c.s. om het casco van het schip te betreden, en al het noodzakelijke te laten doen om het schip klaar te maken voor de reis, onder afgifte van alle documenten, alles op straffe van een dwangsom,

(…)

(…)

aan gedaagde te verbieden om beperkte rechten op het casco te vestigen, dit te verkopen, hierover te beschikken, of anderszins van de hand te doen of te bezwaren, inschrijving te doen in de registers of anderszins, alles op straffe van een dwangsom,

voor recht te verklaren dat Shipyard Trico aansprakelijk is voor de schade zoals deze is geleden door Pirs c.s., (…) en Shipyard Trico te veroordelen aan Pirs c.s. te vergoeden, de door haar geleden schade, nader op te maken bij staat,

(…)”

2.3.

Bij voormeld vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van Pirs c.s. en [naam] afgewezen en de vordering in reconventie van Trico tot opheffing van het conservatoir beslag op het casco toegewezen. Daarbij overwoog de rechtbank – voor zover hier van belang –:

in de hoofdzaak van 18-666 in conventie (…)

5.2.

Alle vorderingen zijn in de kern gebaseerd op een geclaimd eigendomsrecht van Pirs & Co op het casco. Naar Nederlands internationaal privaatrecht (art. 10:127 BW) wordt het goederenrechtelijk regime met betrekking tot het casco beheerst door het recht van de staat op welks grondgebied deze zich bevindt ten tijde van het relevante rechtsfeit. Aangezien het casco zich momenteel in Nederland bevindt, leidt dit tot toepassing van de bewijsvermoedens van artikel 3:109 BW en 3:119 lid 1 BW. Verder geldt dat op de wijze van procederen ten overstaan van de Nederlandse rechter het Nederlands recht van toepassing is.

5.3.

Shipyard Trico moet als de bezitter van het casco worden aangemerkt. Immers, het casco is in haar opdracht naar Machinefabriek Vink gesleept, waar het door Machinefabriek Vink onder zich wordt gehouden ter uitvoering van een opdracht van Georgia Shipping, die daarbij handelt ter uitvoering van een opdracht van Shipyard Trico. Hiermee is gegeven dat Machinefabriek Vink en Georgia Shipping het casco houden voor Shipyard Trico en dat die zich als bezitter van het casco gedraagt.

5.4.

Op grond van het vorenstaande wordt Shipyard Trico vermoed eigenaar van het casco te zijn. (…)

5.5.

De stelling van Pirs c.s. dat dit beginsel niet opgaat omdat Odys op 28 augustus 2015 geen eigenaar van het casco meer was, is door Shipyard Trico betwist en daarom onvoldoende om het wettelijk vermoeden van artikel 3:119 lid 1 BW ter zijde te stellen. Dit alles betekent dat Pirs c.s. op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv voldoende feiten moet stellen waaruit volgt dat Pirs & Co de eigenaar van het casco is en bij voldoende betwisting die feiten zal moeten bewijzen.

5.6.

Pirs c.s. stelt dat Pirs & Co op 5 oktober 2018 de eigendom van het casco heeft verkregen door middel van het op die datum door deurwaarder Pluta verstrekte bevel tot overdracht van de eigendom in het kader van de executie van een pandrecht van Pirs & Co op het casco dat door Nava is gevestigd tot zekerheid van de vordering van Pirs & Co op Nava. Dit door Pirs & Co geclaimde eigendomsrecht kan alleen slagen indien het gestelde pandrecht rechtsgeldig is gevestigd, hetgeen Shipyard Trico betwist.

5.7.

Omdat het casco zich ten tijde van de gestelde vestiging van het pandrecht in Polen bevond moet dit naar Pools recht worden beoordeeld. Die beoordeling dient in deze procedure tegenover de Nederlandse rechter te geschieden nu Pirs c.s. zich daarin op het pandrecht beroept. De door Nava op 26 oktober 2017 ingediende klacht tegen handelingen van de in opdracht van Shipyard Trico optredende deurwaarder op 25 oktober 2017 strekt volgens de stellingen van Pirs c.s. tot opheffing van het door Shipyard Trico gelegd beslag op het casco, zodat die procedure niet hetzelfde onderwerp als de onderhavige procedure heeft en artikel 29 van de Herschikte EEX-Verordening toepassing mist. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de onderhavige procedure aan te houden totdat in die procedure is beslist. Hetzelfde geldt ten aanzien van de procedure die aanhangig is gemaakt met de door Shipyard Trico op 29 januari 2019 ingediende klacht tegen de handelingen van de in opdracht van Pirs & Co optredende deurwaarder op 19 mei 2018. (…)

5.8.-5.10. (…)

5.11.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat in deze procedure niet is aangetoond dat Pirs & Co over een geldig pandrecht beschikken. Daarmee ontvalt de grondslag aan de executie van dat pandrecht, waaronder de bevoegdheid van Pirs & Co om in Nederland executoriaal beslag op het casco te doen leggen. Het antwoord op de vraag of de handelingen van de deurwaarder van Pirs & Co op 19 mei 2018 al dan niet afdoende waren om dat beslag te bewerkstelligen kan dan ook in het midden blijven. Hetzelfde geldt voor het antwoord op de vraag of de openbare veiling van het casco die het kader van die executie in Polen plaatsvond terwijl het casco zich in Nederland bevond rechtsgevolg heeft.

Nu de gestelde eigendomsoverdracht haar oorzaak vindt in de executie van het pandrecht, is in deze procedure evenmin aangetoond dat Pirs & Co eigenaar van het casco is geworden.

5.13.

Alle vorderingen, de vordering die zijn gebaseerd op onrechtmatig handelen van Shipyard Trico en ongerechtvaardigde verrijking daaronder begrepen, stuiten op het vorenstaande af.

in reconventie in de hoofdzaak van 18-666

5.15 (…)

5.16.

Met hetgeen in conventie is overwogen en de afwijzing van de vorderingen in conventie is de ondeugdelijkheid van de rechten waarop het door Pirs c.s. gelegde conservatoir beslag is gebaseerd, gegeven. Verder geldt dat, nu het gestelde eigendomsrecht van Nava en van Pirs & Co niet is komen vast te staan en noch gesteld of bewezen is dat een ander eigenaar van het casco is, Shipyard Trico op grond van artikel 3:109 BW en artikel 3:119 lid 1 BW als de eigenaar van het casco moet worden aangemerkt. (…)”

Pirs c.s. heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

2.4.

Bij beslissing van de griffier van de Regionale Rechtbank te Gdansk van 2 juli 2019 is de in rechtsoverweging 5.7 van voormeld vonnis bedoelde klacht van Trico van 26 oktober 2017 niet-ontvankelijk verklaard. Bij beslissing van de Regionale Rechtbank te Gdansk van 23 januari 2020 is de beslissing van de griffier van die rechtbank van 2 juli 2019 bevestigd.

2.5.

Nava is op 15 november 2019 uit het Poolse handelsregister geschreven. Het daartoe strekkende besluit is op 23 november 2019 onherroepelijk geworden. Zij is opgehouden te bestaan.

3. Het geschil

3.1.

Bij dagvaarding vordert Pirs c.s. – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

in de hoofdzaak

primair:

I. WPI en Trico te veroordelen tot afgifte, primair aan Pirs, subsidiair aan Nava van het casco, met alles wat zich ten tijde van het beslag op en aan het casco van het schip bevond, door dit te brengen in de macht van Pirs c.s., door het binnen twee dagen na de betekening van het te wijzen vonnis, op aanwijzing van Pirs c.s., beschikbaar te stellen, en voorts alle medewerking te verlenen om dit casco van een schip weg te laten slepen, waaronder het toelaten van Pirs c.s. om het casco van het schip te betreden, en al het noodzakelijke te laten doen om het schip klaar te maken voor de reis, onder afgifte van alle documenten, en verder volledige medewerking te verlenen voor de inschrijving van de eigendom van Pirs in het scheepregister, alles op straffe van een dwangsom;

II. te verklaren voor recht dat de inschrijving door WPI in het kadaster waardeloos is, en WPI te bevelen de inschrijving in het kadaster door te halen;

III. te vernietigen de overeenkomst van 28 augustus 2019 tussen Trico en WPI;

subsidiair:

WPI en Trico te verbieden, het casco te verkopen, bezwaren, of anderszins te belasten met rechten van derden, of in gebruik te geven, totdat in het tussen Trico en Pirs aanhangige procedure in hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag is beslist;

meer subsidiair:

te verklaren voor recht dat WPI en Trico onrechtmatig hebben gehandeld jegens Pirs en Nava en beiden te veroordelen tot betaling van de daaruit voortvloeiende schade, nader op te maken bij staat;

in het incident

  1. deze procedure aan te houden, totdat in het hoger beroep tussen Trico en Pirs c.s. is beslist, of subsidiair met een jaar aan te houden;

  2. aan WPI te verbieden om beperkte rechten op het casco te vestigen, dit te verkopen, in gebruik te geven aan derden, te verhuren, of dit zonder toestemming van Pirs te verslepen naar een andere plek, of buiten Nederland te brengen, of anderszins van de hand te doen of te bezwaren, werkzaamheden aan het casco te verrichten of te laten verrichten, anders dan tot behoud van het casco, alles op straffe van een dwangsom;

in de hoofdzaak en het incident

WPI en Trico te veroordelen in de kosten van deze procedure, de beslagkosten en kosten van bewaring daaronder begrepen.

3.2.

WPI voert verweer in de hoofdzaak en in het incident en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van Pirs c.s. in haar vorderingen, althans afwijzing van de vorderingen met veroordeling van Pirs c.s. in de kosten van deze procedure en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

3.3.

Trico voert verweer in de hoofdzaak en in het incident en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van Pirs c.s. in haar vorderingen, althans afwijzing van de vorderingen met veroordeling van Pirs en de advocaat van Nava in de kosten van deze procedure en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

I. De bevoegdheid van de rechtbank en het toepasselijke procesrecht

4.1.

Deze zaak betreft een internationaal geval aangezien Pirs is gevestigd in Polen en partijen voor de rechter in Nederland procederen. Dat brengt mee dat beoordeeld moet worden of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen en dat het toepasselijk recht moet worden bepaald. De vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen dient te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in de Brussel I bis-Vo (Verordening (EU) No. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken). Op grond van artikel 26 lid 1 van deze verordening is deze rechtbank internationaal bevoegd om van deze zaak kennis te nemen. Immers, Trico en WPI zijn verschenen in de procedure en hebben de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en de bevoegdheid van deze rechtbank niet betwist.

4.2.

Op de wijze van procederen ten overstaan van de Nederlandse rechter is het Nederlandse recht van toepassing.

II. De positie van Nava

4.3.

Op de mondelinge behandeling is, na op dit punt door Trico en WPI gevoerd verweer, komen vast te staan dat Nava ten tijde van het aanbrengen van deze procedure had opgehouden te bestaan. Zij was op dat moment reeds uitgeschreven uit het Poolse handelsregister. De raadslieden die voor Nava zijn opgetreden, hebben verklaard dat de vorderingen van Nava als ingetrokken kunnen worden beschouwd. In reactie hierop is namens Trico onder verwijzing naar artikel 245 Rv aanspraak gemaakt op vergoeding van de proceskosten die in zoverre nodeloos door of vanwege Nava zijn veroorzaakt. Daarop hebben de raadslieden die voor Nava zijn opgetreden verklaard dat Trico en WPI bedoelde kosten ook en hoofdzakelijk voor het processuele debat met Pirs hebben moeten maken, zodat voor een separate veroordeling van Nava in de proceskosten geen aanleiding bestaat.

WPI heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.4.

De rechtbank begroot de kosten van het geschil (in de hoofdzaak en in het incident) tussen Nava enerzijds en WPI en Trico anderzijds op nihil omdat niet gesteld of gebleken is dat ter zake van het debat met Nava separate kosten zijn gemaakt door Trico en WPI. Reeds daarom bestaat geen aanleiding voor toepassing van artikel 245 Rv. Hetgeen daarover is aangevoerd, kan onbesproken blijven.

4.5.

Bij de verdere beoordeling zal enkel Pirs als eiseres worden beschouwd.

III. Het verzoek tot aanhouding van de zaak

4.6.

Voor de door Pirs incidenteel onder a verzochte aanhouding van deze zaak, waartegen WPI en Trico zich verzetten, ziet de rechtbank geen aanleiding. Uitgangspunt is dat partijen recht hebben op een voortvarende behandeling van hun geding. Een aanhouding zou dit doorkruisen; er is immers geen enkele reële indicatie over het moment van wijzen van eindarrest door het gerechtshof Den Haag in de aldaar tussen Trico en Pirs aanhangige procedure in hoger beroep.

IV. De ontvankelijkheid van Pirs

4.7.

Trico en WPI hebben ieder betoogd dat Pirs niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat zij met de onderhavige procedure in wezen dezelfde vordering op dezelfde gronden instelt als die waarover reeds tussen haar, Nava en [naam] enerzijds en Trico anderzijds is geprocedeerd in zaak 18-666. Deze rechtbank heeft in die procedure reeds beslist bij vonnis van 28 augustus 2019, tegen welke beslissing hoger beroep is ingesteld dat thans nog aanhangig is bij het gerechtshof Den Haag. Door deze handelwijze handelt Pirs in strijd met de goede procesorde dan wel maakt zij misbruik van procesrecht.

4.8.

In reactie op dit verweer heeft Pirs betoogd dat zij in de eerdere procedure nog geen beroep had kunnen doen op de in Polen op 2 juli 2019 en 23 januari 2020 gewezen beslissingen (zie rechtsoverweging 2.4), die zij pas in de onderhavige procedure heeft kunnen overleggen. Zij maakt aanspraak op erkenning van deze Poolse beslissingen, althans in ieder geval op erkenning van de beslissing van de rechtbank te Gdansk die een bevestiging inhoudt van de beslissing van de griffier. Volgens Pirs heeft de rechtbank, gelet op deze beslissingen, een vonnis gewezen op basis van onvolledige feiten. Ook voert zij aan dat ten dele andere vorderingen en grondslagen zijn aangevoerd tegen Trico, terwijl in de eerdere procedure en het hoger beroep ter zake WPI geen procespartij is.

IV.a. De erkenning van de Poolse beslissingen

4.9.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor erkenning van de door Pirs aangehaalde beslissingen op grond van de Brussel I bis-Vo, reeds omdat Pirs geen certificaten als bedoeld in artikel 53 Brussel Ibis Vo heeft overlegd, zoals vereist door artikel 37 Brussel I bis-Vo. Daarom kan in het midden blijven in hoeverre deze beslissingen kwalificeren als beslissingen in de zin van artikel 2 aanhef en onder a Brussel I bis-Vo die zich lenen voor erkenning. Los daarvan geldt dat onvoldoende is gebleken dat aan de door Pirs ingeroepen beslissingen een verdergaande betekenis kan worden toegekend dan de enkele niet-ontvankelijkverklaring van Trico in haar klacht over het optreden van deurwaarder Pluta.

IV.b. Het geding tegen Trico

4.10.

De rechtbank verwerpt het beroep op misbruik van procesrecht. De in rechtsoverweging 2.4 genoemde stukken konden in het eerdere geding niet worden ingebracht. In juli 2019 was de comparitie van partijen van het geding reeds achter de rug en stond de zaak voor vonnis. In januari 2020 was het vonnis al gewezen. Hoewel in het gewezen vonnis wel rekening is gehouden met de door Trico te Polen geuite klacht over het optreden van deurwaarder Pluta, kon de rechtbank geen rekening houden met de Poolse beslissingen over die klacht. Onder deze omstandigheden is geen sprake van oneigenlijk gebruik van de bevoegdheid van Pirs om mede gelet op deze ‘nieuwe’ stukken jegens Trico een tweede bodemprocedure bij de rechtbank aanhangig te maken.

4.11.

Dit wil echter niet zeggen dat het bestaan van ‘vollediger feiten’ voldoende is om een nieuwe beoordeling van het geschil tussen Pirs en Trico te rechtvaardigen. Uitgangspunt is dat dezelfde vordering niet tweemaal op dezelfde gronden aan de rechtbank dient te worden voorgelegd (vgl. Hoge Raad 27 mei 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4601, rechtbank Rotterdam 23 juni 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BN3594, rechtbank Rotterdam 12 december 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:10120). Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt immers mee dat een rechterlijke uitspraak niet anders dan door het aanwenden van een rechtsmiddel kan worden aangetast.

4.11.1.

De onder 3.1 vermelde vordering sub I en de subsidiaire vordering en meer subsidiaire vordering jegens Trico stemmen overeen met de bij het vonnis van 28 augustus 2019 afgewezen vorderingen die in dat vonnis in rechtsoverweging 4.1 onder het eerste, vierde en vijfde gedachtestreepje zijn weergegeven en zijn in wezen gebaseerd op dezelfde gronden. Nu om de hiervoor beschreven reden geen aanleiding bestaat voor erkenning van de door Pirs bedoelde Poolse beslissingen ziet de rechtbank geen ruimte of aanleiding om voormelde vorderingen tegen Trico nogmaals inhoudelijk in behandeling te nemen. De belangen van een goede procesorde – die mede strekken tot het voorkomen van tegenstrijdige beslissingen en een doelmatige rechtspleging – prevaleren boven het belang van Pirs bij een nieuwe inhoudelijke behandeling van dezelfde vorderingen in deze procedure.

4.11.2.

Dit geldt te meer nu tussen Pirs en Trico de procedure in het hoger beroep tegen het vonnis van 28 augustus 2019 nog loopt en daarin ook de Poolse beslissingen onder de aandacht van het gerechtshof lijken te zijn gebracht. Dit alles maakt dat Pirs niet-ontvankelijk is in haar primaire vordering I jegens Trico en haar subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen jegens Trico.

IV.c. Het geding tegen WPI

4.12.

WPI heeft betoogd dat Pirs ook jegens haar als koper van het casco niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu zij rechtsopvolgster onder bijzondere titel is van Trico. De rechtbank verwerpt deze stelling. Tussen Pirs en WPI is niet eerder geprocedeerd. Er is geen sprake van een geschil tussen dezelfde partijen dat ten tweeden male aan de rechter wordt voorgelegd en het op 28 augustus 2019 gewezen vonnis tussen Pirs en Trico komt geen gezag van gewijsde toe nu het hoger beroep daartegen nog loopt. Er is geen sprake van misbruik van procesrecht jegens WPI, noch is er een andere reden om Pirs niet-ontvankelijk te verklaren jegens WPI.

V. Toepasselijk materieel recht

4.13.

Op grond van het navolgende is op de vorderingen van Pirs jegens WPI en de resterende vorderingen jegens Trico het Nederlands recht van toepassing.

4.13.1.

Naar Nederlands internationaal privaatrecht (artikel 10:127 lid 1 BW) wordt het goederenrechtelijk regime met betrekking tot een zaak, niet zijnde een teboekstaand schip of luchtvaartuig, beheerst door het recht van de staat op welks grondgebied deze zich bevindt ten tijde van het relevante rechtsfeit. Ten tijde van de verkoop en levering door Trico aan WPI op 28 augustus 2019 was het casco niet als schip te boek gesteld en bevond het zich in Nederland. Op basis van artikel 10:127 lid 1 BW is dan ook Nederlands recht van toepassing op de vraag of er is voldaan aan de vereisten voor een rechtsgeldige eigendomsoverdracht door Trico aan WPI.

4.13.2.

Voor de (geldigheid van de) koopovereenkomst tussen Trico en WPI geldt dat deze overeenkomst wordt beheerst door Nederlands recht. Tussen partijen is immers niet in geschil dat dit recht op de koopovereenkomst van toepassing is verklaard.

4.13.3.

Het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad is ingevolge artikel 4 van Verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II-Vo) het recht van het land waar de schade zich voordoet. Handlungsort en Erfolgsort ten aanzien van het door Pirs gestelde onrechtmatig handelen – illusoir maken van haar aanspraken, althans het onmogelijk maken van uitoefening van Pirs eigendomsrecht bij een andersluidende beslissing in het hoger beroep van het vonnis van 28 augustus 2019 – doen zich in Nederland voor. Dit betekent dat ook de vordering van Pirs, voor zover deze is gebaseerd op (dreigend) onrechtmatig handelen door Trico en WPI, zal worden beoordeeld op basis van Nederlands recht.

VI. De overdracht van het casco

4.14.

Pirs legt aan haar vorderingen jegens WPI ten grondslag dat zij op 5 oktober 2018 naar Pools recht in het kader van de executie van het door haar daarop gevestigde pandrecht eigenaar van het casco is geworden. Zij stelt dat van een rechtsgeldige eigendomsoverdracht van het casco door Trico aan WPI geen sprake is omdat Trico nimmer eigenaar van het casco is geworden en daarom op 28 augustus 2019 beschikkingsonbevoegd was. Zij vindt dat WPI bij het sluiten van de koopovereenkomst niet te goeder trouw was omdat zij op zijn minst twijfels diende te hebben over de beschikkingsbevoegdheid van Trico. Voor zover WPI wel te goeder trouw zou zijn doet Pirs een beroep op artikel 3:86 lid 3 BW en stelt zij dat zij het casco door diefstal op 19 mei 2018 is verloren.

4.15.

WPI betwist dat Trico niet beschikkingsbevoegd was en verwijst daartoe naar rechtsoverweging 5.16 van het vonnis van deze rechtbank van 28 augustus 2019. Omdat WPI op dat vonnis mocht afgaan is zij te goeder trouw indien blijkt dat Trico niet beschikkingsbevoegd was. Tot slot betwist WPI dat er sprake is van diefstal door Trico of onvrijwillig bezitsverlies door Pirs en voert zij daartoe aan dat niet is aangetoond dat Pirs de rechthebbende is geworden.

4.16.

De rechtbank stelt voorop dat voor de overdracht van een goed wordt vereist: levering krachtens geldige titel, verricht door hem die bevoegd is over het goed te beschikken (artikel 3:84 lid 1 BW). Niet in geschil is dat Trico het casco aan WPI heeft geleverd. De andere twee voorwaarden voor overdracht zijn wel in geschil.

VI.a. Beschikkingsbevoegdheid over het casco

4.17.

In geschil is of Trico bevoegd was tot verkoop en levering van het casco. Deze vraag is beantwoord in rechtsoverweging 5.16 van het op 28 augustus 2019 gewezen vonnis, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat Trico als de eigenaar van het casco moet worden aangemerkt. Op basis van dit oordeel geldt dan ook dat Trico beschikkingsbevoegd was ten aanzien van het casco ten tijde van de verkoop en levering daarvan aan WPI. De rechtszekerheid vereist dat een vonnis, en de daarin gegeven oordelen, tot uitgangspunt kunnen worden genomen door de partijen over wiens zaak is beslist door de rechtbank.

VI.b. Geldigheid van de koopovereenkomst

4.18.

Voorts is de geldigheid van de koopovereenkomst in geschil. Pirs heeft gevorderd dat de koopovereenkomst tussen Trico en WPI wordt vernietigd, maar de rechtbank wijst die vordering af. Immers, de actio pauliana (artikel 3:45 BW) waarop Pirs die vordering baseert is een middel waarmee een schuldeiser kan opkomen tegen onverplichte rechtshandelingen van zijn schuldenaar. Zoals hiervoor is overwogen heeft op grond van het op 28 augustus 2019 gewezen vonnis als uitgangspunt te gelden dat op dat moment Trico en dus niet Pirs eigenaar van het casco was. Pirs heeft geen andere gronden gesteld waarom zij als schuldeiser van Trico zou gelden. Hieruit volgt dat haar geen vordering tot vernietiging van de koopovereenkomst tussen Trico en WPI op grond van de actio pauliana toekomt.

VI.c. Goede trouw en beroep op bescherming tegen diefstal

4.19.

Trico was beschikkingsbevoegd, er was een geldige titel en er is geleverd. Daarmee is de eigendomsoverdracht voltooid op reguliere wijze. Goede trouw van WPI behoeft dus niet te worden onderzocht, omdat die simpelweg niet nodig is voor overdacht.

4.20.

Een beroep op artikel 3:86 lid 3 BW komt slechts toe aan de eigenaar die door diefstal het bezit is verloren, maar de rechtbank heeft in zaak 18-666 het betoog dat Pirs eigenaar was al verworpen en houdt aan dat oordeel in deze zaak vast.

VII. Conclusie in de hoofdzaak

VII.a. In het geding tegen Trico.

4.21.

Pirs is niet-ontvankelijk in de primaire vordering I, de subsidiaire vordering en de meer subsidiaire vordering (rechtsoverwegingen 4.11 tot en met 4.11.2). De primaire vordering III wordt afgewezen (rechtsoverwegingen 4.19 en 4.20). De daarop gebaseerde primaire vordering II deelt dat lot.

VII.b. In het geding tegen WPI

4.22.

Alle vorderingen jegens WPI stuiten op het vorenstaande af omdat deze, de meer subsidiaire en op onrechtmatige daad gegronde vordering daaronder begrepen, in wezen zijn gebaseerd op het Pirs gepretendeerde eigendomsrecht, dat in rechte niet wordt aanvaard.

VIII. Conclusie in het incident

4.23.

De incidentele vordering a wordt afgewezen (rechtsoverweging 4.6). Bij het verzoek tot treffen van voorlopige voorzieningen bestaat geen belang, omdat een dergelijke voorziening slechts kan worden getroffen gedurende het geding, dat echter met dit vonnis eindigt.

IX. Proceskosten en uitvoerbaarheid bij voorraad

4.24.

Pirs zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van WPI en Trico worden voor ieder van hen begroot op:

  • -

    griffierecht € 656,00

  • -

    salaris advocaat € 7.998,00 (2 punten × tarief VIII à € 3.999,00 per punt)

Totaal € 8.654,00.

4.25.

De door WPI en Trico gevorderde nakosten en de door hen gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en over de nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld. Ook zullen de beslissingen over de proces- en nakosten ten gunste van WPI en Trico overeenkomstig hun daartoe strekkende vorderingen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

beschouwt de vorderingen van Nava als ingetrokken,

5.2.

verklaart Pirs niet-ontvankelijk in haar in haar primaire vordering I jegens Trico en haar subsidiaire vordering en meer subsidiaire vordering jegens Trico,

5.3.

verklaart Pirs niet-ontvankelijk in haar incidentele vordering b,

5.4.

wijst de overige vorderingen in de hoofdzaak en in het incident af,

5.5.

veroordeelt Pirs in de proceskosten, aan de zijde van WPI tot op heden begroot op € 8.654,00, met bepaling dat indien deze kosten aan de zijde van WPI niet binnen twee weken na dagtekening van dit vonnis zullen zijn voldaan Pirs daarover vanaf de vijftiende dag de wettelijke rente verschuldigd is,

5.6.

veroordeelt Pirs in de proceskosten, aan de zijde van Trico tot op heden begroot op € 8.654,00 met bepaling dat indien deze kosten aan de zijde van Trico niet binnen twee weken na dagtekening van dit vonnis zullen zijn voldaan Pirs daarover vanaf de vijftiende dag de wettelijke rente verschuldigd is,

5.7.

veroordeelt Pirs in de na dit vonnis aan de zijde van WPI vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Pirs niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.8.

veroordeelt Pirs in de na dit vonnis aan de zijde van Trico vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Pirs niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.9.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de beslissingen onder 5.5 tot en met 5.8 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J. van den Bos, mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan en mr. M. Witkamp. Het is ondertekend door de rolrechter en op 21 april 2021 uitgesproken in het openbaar.

2515/2054/1885/1407