Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3397

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-04-2021
Datum publicatie
20-04-2021
Zaaknummer
8799066 / CV EXPL 20-34900
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voortzetting huurovereenkomst na overlijden huurder. Geen sprake van duurzame gemeenschappelijke huishouding. Ruimere ontruimingstermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&E HW 2021/9, UDH:S&E HW/50511 met annotatie van Roel Benneker
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8799066 / CV EXPL 20-34900

uitspraak: 9 april 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[naam persoon A] ,

wonende te [woonplaats A] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. N. Slingerland, te Capelle aan den IJssel,

tegen

de stichting

Stichting Walang,

gevestigd te Lelystad,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. M.O. Saeed, te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [naam persoon A] ’ respectievelijk ‘Walang’.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 8 september 2020, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 17 december 2020, waarin de kantonrechter een mondelinge behandeling heeft bepaald;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie;

  • -

    de e-mails van 8 februari en 15 februari 2021 met de ten behoeve van de mondelinge behandeling toegezonden aanvullende producties van [naam persoon A] ;

  • -

    de e-mail van 1 maart 2021 van [naam persoon A] , met producties;

  • -

    de e-mail van 10 maart 2021 van Walang.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 februari 2021. Daarbij is
[naam persoon A] in persoon verschenen, vergezeld door mevr. [naam persoon B] (sociaal begeleidster ASVZ), bijgestaan door haar gemachtigde. Namens Walang is verschenen

dhr. [naam persoon C] , bijgestaan door de gemachtigde van Walang. Van hetgeen ter zitting is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

Tussen Walang als verhuurster en mevr. [naam moeder persoon A] (hierna: [naam moeder persoon A] ) als huurster bestaat sinds 2007 een huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan de [adres] , in de zogenoemde Molukkenbuurt, te Capelle aan den IJssel (hierna: de woning). Voordien stond de huurovereenkomst op naam van de man van [naam moeder persoon A]

2.2.

Op 5 september 2014 is [naam persoon A] samen met haar thans minderjarige dochter en thans meerderjarige zoon bij haar moeder, [naam moeder persoon A] , in de woning gaan wonen. Kort na september 2014 is ook de thans 52-jarige broer van [naam persoon A] in de woning gaan wonen.

2.3.

Op 3 mei 2020 is [naam moeder persoon A] overleden.

2.4.

Bij e-mail van 11 mei 2020 heeft [naam persoon A] Walang verzocht de huurovereenkomst te mogen voortzetten. Het verzoek is door Walang afgewezen.

3. Het geschil in conventie

3.1.

[naam persoon A] heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat [naam persoon A] , met inbegrip van haar thans inwonende kinderen en broer, gerechtigd is, sinds de overlijdensdatum van haar moeder, te weten 3 mei 2020, de huurovereenkomst van de woning voor onbepaalde tijd, en onder dezelfde condities zoals die golden tussen [naam moeder persoon A] en Walang, met [naam persoon A] voort te zetten, met veroordeling van Walang in de proceskosten alsmede de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Aan die vordering heeft [naam persoon A] – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – ten grondslag gelegd dat zij op grond van artikel 7:268 lid 2 BW het recht heeft de huurovereenkomst voort te zetten na het overlijden van haar moeder. [naam persoon A] heeft sinds september 2014 haar hoofdverblijf in de woning en heeft met haar moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding gevoerd, aldus [naam persoon A] .

3.3.

Het verweer van Walang strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van [naam persoon A] in haar vordering, althans om de vordering van [naam persoon A] af te wijzen, met veroordeling van [naam persoon A] in de proceskosten alsmede de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en de buitengerechtelijke kosten.

Daartoe heeft Walang – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende aangevoerd. [naam persoon A] heeft geen duurzame gemeenschappelijke huishouding met haar moeder gevoerd. Walang wijst in dat verband op de verzwaarde stelplicht van [naam persoon A] . Nergens uit blijkt dat [naam persoon A] en haar moeder een gemeenschappelijke bijdrage leverden aan het huishouden. Dit kon ook niet, omdat het vermogen van haar moeder werd beheerd door de bewindvoerder. Voorts is geen sprake van wederkerigheid in de relatie tussen [naam persoon A] en haar moeder. De verzorgende rol van [naam persoon A] duidt op eenzijdigheid van de onderlinge relatie.

Bovendien ontbreekt het duurzame karakter. Het ligt in de lijn der verwachting dat [naam persoon A] na verloop van tijd het huis uit gaat. Immers is [naam persoon A] bij haar moeder ingetrokken om voor haar moeder te zorgen. Gezien de gezondheidstoestand van haar moeder, was van meet af aan al sprake van een aflopende samenlevingssituatie. Ook was [naam persoon A] nog tijdens het leven van haar moeder op zoek naar een andere woning.

Daarnaast biedt [naam persoon A] onvoldoende financiële waarborg voor een behoorlijke nakoming van de huur. Per 17 december 2020 bestaat er een achterstand van € 2.476,50. Deze achterstand heeft betrekking op de maanden juni 2020 en september tot en met december 2020 en is derhalve door [naam persoon A] ontstaan.

Walang heeft er belang bij haar woning volgens het woningverdeelsysteem aan woningzoekende te verdelen. Daarnaast wordt Walang benadeeld doordat zij bij voortzetting van de huurovereenkomst geen hogere huurprijs kan vragen, terwijl zij bij een nieuwe huurder de woning voor minimaal € 200,00 per maand meer kan verhuren.

3.4.

Op de (overige) stellingen van partijen wordt – voor zover thans van belang – onder de beoordeling nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1.

Walang heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat [naam persoon A] zonder recht of titel in de woning verblijft;

II. [naam persoon A] te veroordelen om de woning binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een zodanige andere in goede justitie te bepalen termijn, volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden onder overgave van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van Walang te stellen;

III. Walang te machtigen de ontruiming desnoods zelf te doen bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van justitie en politie en op kosten van [naam persoon A] ;

IV. [naam persoon A] te veroordelen tot betaling van de thans uitstaande betaalachterstand van € 2.476,50 binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW;

V. [naam persoon A] te veroordelen tot betaling van een bedrag ter hoogte van een bedrag van € 499,93 per maand, voor ieder maand of gedeelte daarvan dat [naam persoon A] in gebreke blijft de woning te ontruimen en ontruimd te houden;

VI. te verklaren dat dit vonnis op grond van artikel 557a Rv binnen de genoemde termijn van één jaar ook ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder, die ten tijde van de tenuitvoerlegging zich daar bevindt of daar binnentreedt en telkens wanneer zich dat voordoet;

VII. [naam persoon A] te veroordelen in de proceskosten alsmede de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;

VIII. [naam persoon A] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten.

4.2.

Aan die vordering heeft Walang, naast hetgeen zij in conventie heeft aangevoerd – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag. Er is geen sprake van een huurovereenkomst tussen Walang en [naam persoon A] . [naam persoon A] voldoet niet aan de vereisten ex artikel 7:267 lid 3 onder a BW en artikel 7:268 lid 3 onder a en/of c BW, zodat [naam persoon A] zonder recht of titel in de woning verblijft.

4.3.

[naam persoon A] heeft verweer gevoerd, overeenkomstig hetgeen zij heeft gesteld in conventie. De kantonrechter verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 3.2.

4.4.

Op de (overige) stellingen van partijen wordt – voor zover thans van belang – hierna nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie en reconventie

5.1.

De vorderingen in conventie en in reconventie lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Voortzetting huurovereenkomst

5.2.

Artikel 7:268 lid 2 BW strekt ertoe aan de ‘samenwoner’ die geen medehuurder is bescherming te verlenen voor het geval de huurovereenkomst door het overlijden van de huurder eindigt. De ‘samenwoner’ die met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad, heeft ingevolge genoemde bepaling de mogelijkheid binnen zes maanden na het overlijden van de huurder te vorderen dat de huur door hem wordt voortgezet. Artikel 7:268 lid 2 BW bepaalt dat degene die de vordering instelt haar hoofdverblijf in het gehuurde moet hebben en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding moet hebben gehad.

5.3.

Uit hoofde van artikel 7:268 lid 3 BW geldt dat de kantonrechter de vordering tot voortzetting van de huur als bedoeld in artikel 7:268 lid 2 BW in ieder geval moet afwijzen:

a) indien eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan de vereisten van lid 2 voldoet;

b) indien eiser vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur;

c) indien het woonruimte betreft waarop hoofdstuk II van de Huisvestingswet van toepassing is, indien eiser niet een in die wet bedoelde huisvestingsvergunning overlegt.

5.4.

In de onderhavige zaak is het de vraag of [naam persoon A] voldoet aan de voorwaarden van artikel 7:268 leden 2 en 3 BW om de huurovereenkomst voort te mogen zetten na het overlijden van haar moeder.

5.4.1.

Gesteld noch gebleken is dat [naam persoon A] de onderhavige vordering niet tijdig, te weten binnen de termijn van zes maanden na het overlijden van haar moeder, heeft ingesteld, zodat zij in zoverre ontvankelijk is in haar vordering in conventie. Voorts is gesteld noch gebleken dat sprake is van woonruimte waarvoor een huisvestingsvergunning nodig is. Hiermee is aan het hierboven onder c) genoemde vereiste voldaan. Als onweersproken staat voorts vast dat [naam persoon A] haar hoofdverblijf in de woning van haar moeder had.

5.4.2.

Of sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding wordt bepaald door objectieve factoren, zoals de feitelijke duur die de gemeenschappelijke huishouding heeft gekend, en subjectieve factoren, zoals de bedoeling van de betrokkenen. Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd. De gemeenschappelijke huishouding tussen ouders en kinderen wordt in beginsel niet als duurzaam beschouwd, behoudens bijzondere omstandigheden, omdat het de bedoeling is dat kinderen vroeg of laat op zichzelf gaan wonen. Het feit dat een kind na zelfstandig te hebben gewoond weer intrekt bij (één van) zijn ouders kan, afhankelijk van de overige omstandigheden van het geval, maken dat hierover iets genuanceerder moet worden gedacht. De stelplicht en bewijslast van de (bijzondere) omstandigheden rusten op [naam persoon A] , die zich immers op de rechtsgevolgen daarvan beroept. Bij dit alles speelt mee dat zij ten aanzien van de gemeenschappelijkheid van de huishouding een verzwaarde stelplicht heeft.

5.5.

[naam persoon A] heeft verklaard dat zij bij haar moeder is gaan wonen, zodat zij haar dagelijks intensieve (mantel)zorg kon verlenen. Volgens [naam persoon A] heeft zij haar moeder de afgelopen vijfeneenhalf jaar iedere dag geholpen bij het wassen en aankleden en heeft zij de volledige zorg gedragen voor het huishouden. Een en ander impliceert echter, dat indien en zodra [naam persoon A] niet langer voor haar moeder hoeft te zorgen, daarmee ook niet langer een reden voor [naam persoon A] zou bestaan om verder met haar moeder samen te wonen. Dat laat zich niet rijmen met het voeren van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en bevestigt dat de samenwoning tussen [naam persoon A] en haar moeder als een tijdelijke was bedoeld. De verwachting was dan ook dat [naam persoon A] uiteindelijk opnieuw zou ‘uitvliegen’ en op zoek zou gaan naar een eigen woonruimte. Voorts heeft [naam persoon A] ter zitting verklaard dat haar woonpas was verlopen, doordat zij door het overlijden van haar moeder vergeten was deze te verlengen. Ook het hebben van een woonpas impliceert dat [naam persoon A] de bedoeling had om uiteindelijk een eigen woning te zoeken. Aldus is de kantonrechter van oordeel dat [naam persoon A] de duurzaamheid van de gemeenschappelijke huishouding (als deze er al zou zijn) onvoldoende heeft onderbouwd. Bijzondere omstandigheden zijn gesteld noch gebleken.

5.6.

Bovendien is de kantonrechter van oordeel dat niet gebleken is van enige wederkerigheid in de relatie tussen [naam persoon A] en haar moeder. Uit de stellingen van [naam persoon A] blijkt dat sprake was een eenzijdige zorg, hetgeen zich ook niet laat verenigen met een gemeenschappelijke huishouding.

5.7.

Daarnaast is ook niet gebleken dat [naam persoon A] en haar moeder een gemeenschappelijke huishouding in financiële zin hebben gehad. [naam persoon A] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij maandelijks een (vast) bedrag aan haar moeder of ten behoeve van het huishouden betaalde als bijdrage ter zake van kost en inwoning, waaruit volgt dat zij in elk geval gezamenlijk voorzagen in de kosten van huisvesting en levensonderhoud. [naam persoon A] heeft weliswaar een aantal bankschriften overgelegd over de jaren 2018 tot en met 2020, maar daaruit kan ook niet zonder meer worden afgeleid dat de afschrijvingen zijn gedaan in het kader van het gezamenlijk voorzien in de kosten van levensonderhoud.

5.8.

Gelet op het bovenstaande kan niet anders dan worden geconcludeerd dat [naam persoon A] niet aan de vereisten voor voortzetting van de huur conform artikel 7:268 lid 2 en 3 BW voldoet, zodat de vordering tot voortzetting van de huur niet kan worden toegewezen. Hetgeen partijen voorts nog hebben aangevoerd kan, als verder niet van belang, onbesproken blijven. Nu [naam persoon A] niet heeft voldaan aan de op haar rustende (verzwaarde) stelplicht komt de kantonrechter niet aan bewijslevering toe. De vordering zal worden afgewezen.

5.9.

Nu de vordering in conventie zal worden afgewezen, betekent dit dat [naam persoon A] zonder recht of titel in de woning verblijft. De vordering in reconventie tot ontruiming zal daarom worden toegewezen. Gelet op de omstandigheid dat [naam persoon A] met haar kinderen in de woning verblijft en Walang ter zitting heeft aangegeven akkoord te gaan met een langere ontruimingstermijn, zal de ontruimingstermijn worden gesteld op drie maanden na betekening van dit vonnis, zodat [naam persoon A] in de gelegenheid is om een andere woning te zoeken. De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen. Immers op grond van de artikelen 556 lid 1 en 557 Rv is de deurwaarder, zonder rechterlijke tussenkomst, bevoegd de hulp van de sterke arm van politie in te roepen, waarbij de kosten van de ontruiming ingevolge het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders voor rekening van in dit geval [naam persoon A] komen.

Betalingsachterstand

5.10.

[naam persoon A] heeft ter zitting erkend dat zij een betalingsachterstand heeft laten ontstaan. Bij e-mail van 1 maart 2021 heeft [naam persoon A] verklaard dat zij de huurpenningen c.q. gebruikersvergoeding voor de maanden september 2020 tot en met januari 2021 inmiddels heeft betaald en thans een betalingsachterstand van twee maanden resteert (juni 2020 en februari 2021). De huur c.q. gebruikersvergoeding voor de maand maart 2021 heeft zij ook voldaan, aldus [naam persoon A] . Bij e-mail van 10 maart 2021 heeft Walang de betalingen van [naam persoon A] erkend. Volgens Walang is de betaling voor de maand maart 2021 afgeboekt op de maand februari 2021, zodat de maanden juni 2020 en maart 2021 thans onbetaald zijn gelaten.

5.11.

Gelet op het voorgaande wordt ervan uitgegaan dat thans sprake is van een betalingsachterstand van twee maanden huur c.q. gebruikersvergoeding (juni 2020 en maart 2021), te weten € 999,86 (2 x € 499,93) berekend tot en met de maand maart 2021. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen.

Buitengerechtelijke kosten

5.12.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten van Walang zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport BGK-integraal - worden afgewezen. Walang heeft immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Bovendien heeft Walang enkel vergoeding van de buitengerechtelijke kosten gevorderd, maar heeft daarbij geen concreet bedrag genoemd.

Proceskosten

5.13.

[naam persoon A] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van Walang vastgesteld op € 374,00 aan salaris voor de gemachtigde. Gelet op de nauwe verwevenheid tussen de vordering in conventie en in reconventie ziet de kantonrechter aanleiding om een gehalveerd tarief in conventie en een gehalveerd tarief in reconventie toe te kennen. De apart gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld.

6. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

wijst de vordering af;

in reconventie

verklaart voor recht dat [naam persoon A] zonder recht of titel in de woning verblijft;

veroordeelt [naam persoon A] om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis de woning te ontruimen en te verlaten met alle personen en zaken die zich vanwege [naam persoon A] daar bevinden en de woning onder overgave van de sleutels ter beschikking van Walang te stellen;

bepaalt dat de veroordeling tot ontruiming binnen de in artikel 557a lid 3 Rv genoemde termijn van een jaar ook ten uitvoer zal kunnen worden gelegd tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging daar bevindt of daar binnentreedt en telkens wanneer dat zich voordoet;

veroordeelt [naam persoon A] om aan Walang binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis tegen kwijting te betalen € 999,86 terzake de betalingsachterstand berekend tot en met de maand maart 2021, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het saldo dat aan hoofdsom, exclusief kosten, telkens, na elke credit- en debetmutatie, heeft uitgestaan, tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [naam persoon A] om aan Walang tegen kwijting te betalen € 499,93 voor iedere maand te rekenen vanaf april 2021 tot de ontruiming van de woning, een gedeelte van een maand pro rata te berekenen;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in conventie en in reconventie

veroordeelt [naam persoon A] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Walang vastgesteld op € 374,00 aan salaris voor de gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening, en indien [naam persoon A] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op begroot op € 93,50 aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening. Indien van toepassing dienen deze bedragen te worden vermeerderd met btw. Ook is [naam persoon A] de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over al deze bedragen verschuldigd vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.I. Mentink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

37555