Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3396

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
19-04-2021
Zaaknummer
9061224 / VV EXPL 21-93
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Niet aannemelijk is dat werknemer de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Werknemer heeft recht op loondoorbetaling tijdens ziekte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0515
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9061224 / VV EXPL 21-93

uitspraak: 7 april 2021

vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser],

eiser,

gemachtigde: mr. J.C. Koster, te Delft,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Globe Designfurniture B.V.,

gevestigd te Vlaardingen,

gedaagde,

gemachtigde: mr. M.A.M. Timmermans, te Amsterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘[eiser]’ respectievelijk ‘Globe’.

1. Het verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

  • -

    de dagvaarding, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de brief van 23 maart 2021 met de ten behoeve van de mondelinge behandeling toegezonden producties van [eiser];

  • -

    de brief van 23 maart 2021 met de ten behoeve van de mondelinge behandeling toegezonden producties van Globe.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 maart 2021. Daarbij is [eiser] in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en tolk [naam 1]. Namens Globe is de gemachtigde van Globe verschenen.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

In het kader van de onderhavige procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1.

[eiser] is met ingang van 21 november 2016 in dienst getreden van Globe op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in de functie van productiemedewerker.

2.2.

Het overeengekomen brutoloon bedraagt € 1.680 (excl. vakantiegeld) per maand.

3. De vordering

3.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, Globe:

  1. te veroordelen tot betaling van het salaris (bij ziekte) van € 1.680,00 per maand + het vakantiegeld van 8% over de periode van 1 oktober 2020 tot het moment van rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst met de daarbij behorende wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW tot een maximum van 25%;

  2. te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten gelijk aan de eigen bijdrage van de toevoeging van € 152,00;

  3. te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan het moment van algehele voldoening;

met veroordeling van Globe in de proceskosten.

3.2.

Aan de vordering heeft [eiser] – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd.

[eiser] heeft zich op 9 september 2020 bij Globe ziekgemeld. Ingevolge artikel 7:629 BW heeft [eiser] vanaf dat moment recht op doorbetaling van het loon tijdens ziekte. Van opzegging van de arbeidsovereenkomst is geen sprake. Ondanks herhaalde aanmaning is Globe in gebreke gebleven het loon vanaf de maand oktober 2020 tot heden aan [eiser] te betalen. De laatste salarisbetaling heeft plaatsgevonden op 23 november 2021 over de maanden juli en september 2020. Doordat Globe het salaris niet (tijdig) aan [eiser] heeft betaald, maakt [eiser] tevens aanspraak op de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van maximaal 25% en de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW. Nu [eiser] al vanaf oktober 2020 geen salaris meer heeft ontvangen en evenmin aanspraak kan maken op een WW-uitkering, heeft [eiser] een spoedeisend belang bij zijn vordering.

4. Het verweer

4.1.

Het verweer van Globe strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

4.2.

Daartoe heeft Globe – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende aangevoerd.

4.3.

[eiser] heeft geen spoedeisend belang bij zijn vordering en dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard. [eiser] is al sinds 1 september 2020 bij Globe uit dienst en heeft zich ook niet meer gemeld bij Globe. Pas op 8 januari 2021 heeft de gemachtigde van [eiser] verzocht om betaling van het salaris. [eiser] heeft derhalve té lang stilgezeten.

4.4.

Voor het geval wordt geoordeeld dat [eiser] wel een spoedeisend belang heeft, dan dient de vordering te worden afgewezen. Bij brief van 24 juli 2020 heeft [eiser] de arbeidsovereenkomst tussen partijen, met inachtneming van de opzegtermijn van één maand, opgezegd. Het dienstverband van [eiser] bij Globe is derhalve per 1 september 2020 geëindigd. Nu [eiser] per 1 september 2020 uit dienst is en zich ook niet heeft ziekgemeld, heeft hij ook geen recht meer heeft op betaling van het salaris vanaf dat moment.

4.5.

Indien de vordering tot betaling van het salaris wordt toegewezen, dan dienen de wettelijke verhoging en de wettelijke rente te worden afgewezen. Het niet handelen van [eiser] door helemaal niets te laten horen en pas bijna zes maanden later een vordering in te dienen, kan niet worden beloond met wettelijke verhoging en rente. Tevens dient een bedrag van € 1.019,76 netto in mindering te worden gebracht op het gevorderde loon, zijnde het bedrag van € 145,68 dat Globe zeven maanden te veel (onverschuldigd) aan [eiser] heeft betaald.

5. De beoordeling

5.1.

Voldoende is gebleken dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevorderde voorziening. Daarbij heeft te gelden dat een loonvordering naar haar aard een spoedeisend karakter draagt. Daarnaast is nog van belang dat zelfs als [eiser] (te) lang zou hebben stilgezeten (wat door Globe is gesteld maar door [eiser] is betwist) deze omstandigheid nog niet het oordeel rechtvaardigt dat er geen spoedeisend belang (meer) is bij de gevraagde voorziening is. [eiser] is dan ook ontvankelijk in zijn vordering.

5.2.

In dit kort geding dient, mede op basis van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

Opzegging arbeidsovereenkomst

5.3.

Tussen partijen is in geschil of de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 september 2020 is geëindigd door opzegging van [eiser].

5.4.

Globe heeft zich op het standpunt gesteld dat [eiser] bij brief van 24 juli 2020 zijn ontslag heeft ingediend. In deze brief staat:

“Geachte [naam 2],

Met deze brief bied ik u mijn ontslag aan.

Ik wil een andere baan die betere perspectieven biedt.

Daarom zeg ik onze arbeidsovereenkomst, met inachtneming van de opzegtermijn van een maand, op per direct.

Ik wil u bedanken voor de goede en correcte samenwerking waarvan ik de afgelopen maanden heb mogen genieten en wens u en het bedrijf het beste toe.

Indien u prijs stelt op een gesprek betreffende mijn ontslag dan stel ik mij hiervoor uiteraard beschikbaar.

Hoogachtend,

[eiser]”

Volgens Globe heeft [naam 2] (hierna: [naam 2]) voornoemde brief een dag na dagtekening aangetroffen op zijn bureau. Voor [naam 2] kwam deze brief niet als een verassing. In de weken voorafgaand aan deze brief heeft [naam 2] het personeel laten weten dat het bedrijf, anders dan andere jaren, vanwege de coronaperiode in augustus niet zou sluiten. Tussen [naam 2] en [eiser] is een discussie ontstaan, omdat [eiser] per se naar Turkije wilde in augustus, terwijl op dat moment een code rood advies voor Turkije gold. [naam 2] heeft toen aan [eiser] medegedeeld dat als hij toch naar Turkije wilde gaan, hij dan maar ontslag moest nemen, aldus Globe.

5.5.

[eiser] heeft betwist dat hij de brief van 24 juli 2020 heeft geschreven en aan Globe heeft gegeven. [eiser] had geen enkele reden om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Van een discussie over zijn vakantie naar Turkije was evenmin sprake. [naam 2] heeft [eiser] nog zelfs gevraagd om een medicijn uit Turkije mee te nemen en heeft na terugkomst van [eiser] uit Turkije een coronatest voor [eiser] aangevraagd. Nadien is [eiser] weer op 31 augustus 2020 bij Globe gaan werken, aldus [eiser].

5.6.

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet geëindigd. Daartoe wordt als volgt overwogen.

5.6.1.

Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een rechtsgeldige opzegging door de werknemer, moet vooropgesteld worden dat voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring is vereist, die erop is gericht om de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Deze volgens vaste rechtspraak geldende strenge maatstaf ter beantwoording van de vraag of een werknemer zijn dienstbetrekking vrijwillig heeft willen beëindigen, dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem kan hebben, zoals het mogelijk verlies van ontslagbescherming en aanspraken op grond van de sociale zekerheidswetgeving. In verband met die gevolgen zal de werkgever niet spoedig mogen aannemen dat een verklaring van de werknemer gericht is op vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking (zie HR 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8387).

5.6.2.

Vast staat dat [eiser] de brief van 24 juli 2020 in ieder geval niet persoonlijk aan [naam 2] heeft overhandigd. [naam 2] heeft de brief immers op zijn bureau aangetroffen. Juist nu [eiser] de brief niet zelf aan [naam 2] heeft overhandigd, geldt dat [naam 2], althans Globe, zich er met redelijke zorgvuldigheid van moet hebben vergewist dat [eiser] de brief zelf heeft geschreven en [eiser] ook daadwerkelijk op dat moment een einde van zijn dienstverband beoogde per 1 september 2020 en [eiser] de mogelijke consequenties van deze beslissing voor zijn rechtspositie overzag. Dat heeft Globe niet gedaan.

5.6.3.

Bovendien is niet gebleken dat [eiser] een reden had om zijn arbeidsovereenkomst te beëindigen. Niet aannemelijk is dat [eiser] – na bijna vier jaar dienstverband bij Globe – zijn ontslag heeft willen indienen, omdat hij, tegen de regels van Globe in, op vakantie naar Turkije wilde gaan. Immers verliest [eiser] daarmee zijn recht op loon en maakt hij evenmin aanspraak op een WW-uitkering, terwijl hij als werknemer recht heeft om zijn vakantiedagen op te nemen en de werkgever geen zeggenschap heeft over de vakantiebestemming van zijn werknemer. Dit is ter zitting ook namens Globe erkend. Het getuigt dan niet van goed werkgeverschap om de werknemer onder deze omstandigheden tot het nemen van ontslag te dwingen. Niet gesteld of gebleken is overigens ook dat [eiser] uitzicht had op een nieuwe baan. Bovendien laat de inhoud van de brief van 24 juli 2020, waarin [eiser] zou aangeven dat hij een andere baan wil die betere perspectieven biedt, zich niet verenigen met de stelling van Globe dat tussen [naam 2] en [eiser] kort daarvoor een discussie was ontstaan over het al dan niet op vakantie gaan naar Turkije én [naam 2] tegen hem zou hebben gezegd dat als hij toch wilde gaan hij maar ontslag moest nemen.

5.6.4.

Voorts heeft [eiser] ter zitting gesteld dat hij na terugkomst uit Turkije contact heeft gehad met [naam 2] en dat [naam 2] zelf een afspraak voor [eiser] heeft gemaakt om een coronatest af te nemen. Dit is door Globe niet, althans onvoldoende, weersproken. Indien Globe er daadwerkelijk van uitgegaan zou zijn dat de arbeidsovereenkomst per 1 september 2020 zou zijn geëindigd, valt niet in te zien waarom [naam 2] een afspraak voor een coronatest voor [eiser] zou maken.

5.7.

Gelet op voornoemde omstandigheden acht de kantonrechter het voorshands onvoldoende aannemelijk dat [eiser] de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 september 2020 rechtsgeldig heeft beëindigd middels de brief van 24 juli 2020. Dit betekent dan ook dat ervan moet worden uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst thans nog voortduurt.

Loondoorbetaling bij ziekte

5.8.

Vast staat dat [eiser] in ieder geval vanaf 9 september 2020 geen werkzaamheden meer heeft verricht voor Globe. Volgens [eiser] was hij vanaf dat moment ziek en heeft hij dit ook aan [naam 2] gemeld. Globe heeft de ziekmelding van [eiser] op 9 september 2020 betwist, maar heeft niet, althans onvoldoende, weersproken dat [eiser] niet in staat was zijn werkzaamheden te verrichten wegens ziekte. Daarnaast heeft [eiser] een “overzicht medisch journaal” overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat er sprake is van medische klachten en heeft hij ter zitting, onbetwist, gesteld dat hij nog steeds arbeidsongeschikt is en in april een herniaoperatie moet ondergaan. Vooralsnog moet er dan ook van worden uitgegaan dat [eiser] wegens ziekte ongeschikt was en is om zijn arbeid te verrichten.

5.9.

Ingevolge artikel 7:629 lid 1 BW heeft een arbeidsongeschikte werknemer in beginsel recht op doorbetaling van zijn loon. Dit recht vervalt als sprake is van een onder artikel 7:629 lid 3 BW genoemde uitzonderingsgrond, bijvoorbeeld als de werknemer zonder deugdelijke grond, passend geachte arbeid niet verricht of weigert mee te werken aan redelijke voorschriften of maatregelen die erop gericht zijn hem in staat te stellen passende arbeid te verrichten. Daarvan is in de onderhavige geval geen sprake.

5.10.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser] recht heeft op doorbetaling van het loon. Vast staat dat Globe vanaf 1 oktober 2020 tot heden geen loon en vakantiegeld meer aan [eiser] heeft betaald, zodat de vordering in die zin kan worden toegewezen. Voor een terugbetaling van het maandsalaris dat Globe over de maand september 2020 aan [eiser] heeft betaald, bestaat onder deze omstandigheden geen grond.

Wel heeft Globe nog gesteld dat zij een bedrag van € 1.019,76 netto onverschuldigd aan [eiser] heeft betaald en dit bedrag in mindering moet worden gebracht. Dit is zeven keer het bedrag € 145,68 omdat Globe het salaris van [eiser] maandelijks onverplicht ophoogde naar € 1.750,00 en dus zeven maanden te veel heeft betaald, aldus Globe. [eiser] heeft vervolgens niet betwist dat hij hierop geen recht had. De vordering van [eiser] zal dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat het bruto-equivalent van voornoemd bedrag daarop in mindering strekt.

Wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW

5.11.

Uit het voorgaande volgt dat Globe het (volledige) loon niet tijdig aan [eiser] heeft betaald. Derhalve wijst de kantonrechter de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW toe. De omstandigheid dat de wettelijke verhoging is bedoeld als prikkel voor de werkgever om het loon tijdig te betalen en Globe een deel van het loon niet heeft betaald omdat zij (achteraf bezien ten onrechte) van mening was dat zij daartoe niet gehouden was mede in acht nemend, wijst de kantonrechter de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW toe van 25% van het verschuldigde loon.

Wettelijke rente ex artikel 6:119 BW

5.12.

Nu Globe niet tijdig aan haar loonbetalingsverplichtingen heeft voldaan is zij tevens de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW verschuldigd geworden, een en ander op de wijze als onder de beslissing vermeld.

Kosten eigen bijdrage

5.13.

De door [eiser] betaalde eigen bijdrage voor de verleende toevoeging, waarvan deze betaling heeft gevorderd, wordt geacht in het toe te wijzen bedrag aan proceskosten te zijn begrepen en komt derhalve niet voor afzonderlijke toewijzing in aanmerking.

Proceskosten

5.14.

Als de in het ongelijk gestelde partij dient Globe verwezen te worden in de kosten van het geding. Nu [eiser] procedeert op basis van een toevoeging blijven de verschotten beperkt tot het verschuldigde griffierecht.

6. De beslissing

De kantonrechter,

rechtdoende in kort geding:

veroordeelt Globe tot betaling aan [eiser] van het (achterstallig) loon van € 1.680,00 bruto per maand, te vermeerderen met het vakantiegeld van 8%, minus het bruto-equivalent van € 1.019,76 netto over de periode van 1 oktober 2020 tot het moment van rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 25% en te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over het salaris tot en met februari 2020 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening en over het salaris vanaf maart 2020 vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van voldoening;

veroordeelt Globe in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 85,00 aan verschotten en € 747,00 aan salaris voor de gemachtigde, van welke bedragen het totaal rechtstreeks aan die gemachtigde dient te worden voldaan;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Verkerk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

37555