Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3375

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
16-04-2021
Zaaknummer
10/754550-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak verlengde invoer harddrugs (primair). Veroordeling in verband met overtreding artikel 10a Opiumwet (subsidiair).

Oordeel dat de verdachte en zijn medeverdachten wetenschap hadden van aanwezigheid verdovende middelen in de container en dat zij op het ECT Delta-terrein aanwezig waren als uithalers, met als uiteindelijke doel dat de sporttassen met cocaïne uit de betreffende container zouden worden gehaald. Alternatief scenario dat zij daar waren om iPhones te stelen onaannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/754550-20

Datum uitspraak: 7 april 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Grave,

raadsvrouw mr. S. Koster, advocaat te Amsterdam, voor wie is verschenen mr. G.S.J. van Gestel, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24 maart 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Kort gezegd wordt de verdachte primair verweten dat hij samen met anderen ruim 105 kilogram cocaïne in Nederland heeft ingevoerd en subsidiair dat hij daartoe samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M.J. Blotwijk heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde een locatieverbod voor de Maasvlakte te Rotterdam en alle zeehavens in Nederland met een containerterminal.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Feiten en omstandigheden

Op grond van de bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

In de avond van 9 december 2020 zijn de verdachte en zijn medeverdachte [naam medeverdachte 1] in de auto van de verdachte naar de Vuurplaat in Rotterdam gereden. Daar zijn zij overgestapt in een andere auto, samen met nog twee personen, waaronder de medeverdachte [naam medeverdachte 2] . Vanuit Rotterdam-Zuid rijdt de auto met de verdachte, [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] en een onbekend gebleven vierde persoon naar de Maasvlakte in Rotterdam, waar zij rond 22:15 uur aankomen.

Aldaar zijn de verdachte, [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] over het hek van de ECT Delta Terminal geklommen. Omstreeks 22:30 uur worden [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] aangehouden in het containerstack in stacklaan 300, ter hoogte van indicatienummer 47. Enkele minuten later wordt ook de verdachte aangehouden nadat hij uit het stack was gerend en weer over het hek was geklommen.

Ten tijde van zijn aanhouding was [naam medeverdachte 1] in het bezit van een iPhone met daarin een simkaart met telefoonnummer [gsm-nummer 1] . Tussen 22:03 uur en 22:25 uur ontvangt deze iPhone een aantal berichten via Whatsapp van een onbekend gebleven gebruiker van het nummer [gsm-nummer 2] . De berichten houden aanwijzingen en instructies in over het snel en ongezien over een hek springen en op zoek gaan naar “bakken”, waarbij een foto is meegestuurd met daarop een container.

Rond 23:15 uur start de politie een onderzoek op het ECT-terrein en vindt vervolgens tussen de containers in stack 300, ter hoogte van indicatienummer 47, een betonschaar en een telefoon van het merk Alcatel met daarin een simkaart met telefoonnummer [gsm-nummer 3] . Bij het aantreffen van de Alcatel-telefoon ziet de politie op het beginscherm een sms-bericht met de tekst “ [naam tekst] ”, afkomstig van het telefoonnummer [gsm-nummer 4] .

Het nummer [containernummer] behoort bij een container die op 9 december 2020 ligt op het schip “ [naam vaartuig] ”. De container is met blikken pepers geladen in Callao, Peru en ligt in de Rotterdams haven klaar om op 10 december 2020 om 8.00u gelost te worden. Na onderzoek in deze container worden tussen de dozen met blikken pepers vier sporttassen gevonden, met daarin 106 pakketten met in totaal 105,83 kg cocaïne.

Onderzoeksbevindingen Alcatel met telefoonnummer [gsm-nummer 3]

Dit betreft een prepaid en niet op naam gesteld telefoonnummer, dat op 9 december 2020 om 18:44 uur voor het eerst wordt geactiveerd. Tot 18.47 uur ontvangt dit nummer enkele serviceberichten van de provider. Daarbij wordt een zendmast gelegen aan de [naam locatie] te Rotterdam aangestraald.

Als enige contact is in de Alcatel-telefoon het nummer [gsm-nummer 4] opgeslagen onder de naam “A”. Behalve met servicenummers heeft nummer [gsm-nummer 3] uitsluitend contact gehad met nummer [gsm-nummer 4] . Dit laatstgenoemde nummer stuurt om 20.50 uur het eerdergenoemde sms-bericht met de tekst “ [naam tekst] ”.

Tussen 20:51 uur en 21:26 uur straalt het Alcatel-telefoonnummer enkele malen een zendmast aan het [adres] te Rotterdam aan. Om 22:19 uur en 22:31 uur worden uitgaande gesprekken met dit telefoonnummer gevoerd, waarbij een zendmast op de Maasvlakte te Rotterdam ( Europaweg 875 ) wordt aangestraald.

Onderzoeksbevindingen iPhone met telefoonnummer [gsm-nummer 1]

De iPhone die [naam medeverdachte 1] bij zijn aanhouding in bezit had straalt om 21:42 uur de eerdergenoemde zendmast aan het [adres] aan.

Tussen 22:03 uur en 22:25 uur ontvangt de telefoon van [naam medeverdachte 1] een aantal berichten via Whatsapp van de onbekend gebleven gebruiker van het nummer [gsm-nummer 2] . Om 22:03 uur straalt de telefoon van [naam medeverdachte 1] daarbij een zendmast aan ter hoogte van de afrit Brielle langs de N15.

4.2.2.

Standpunt verdediging

De verdachte dient van het subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken. Bij de verdachte ontbreekt het opzet – ook in voorwaardelijke zin – op de voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne, zoals ten laste is gelegd. De betonschaar en de Alcatel telefoon met daarop een SMS-bericht dat direct verwijst naar de container met daarin de cocaïne, zijn niet in het bezit van de verdachte aangetroffen en behoren niet aan hem en zijn medeverdachten toe. De wijze van aantreffen levert daarvoor geen overtuigend bewijs. Dat de door de Alcatel telefoon en de iPhone van de medeverdachte [naam medeverdachte 1] aangestraalde zendmasten zich – hemelsbreed – in elkaars nabijheid bevinden, is dat evenmin. De Alcatel telefoon en de betonschaar behoren klaarblijkelijk toe aan een onbekend gebleven (vierde) persoon. De verdachte was weliswaar samen met de medeverdachten – onbevoegd – aanwezig op het terrein van ECT Delta maar zocht niet naar de desbetreffende container waarin naar later blijkt de 105 kilo cocaïne zijn aangetroffen. Die container bevond zich immers nog niet op het terrein van de containerterminal in het stack waar de verdachte en zijn medeverdachten waren aangehouden maar op een schip uit Peru. De container zou pas de volgende ochtend worden gelost. De instructies die op de iPhone telefoon van de medeverdachte [naam medeverdachte 1] zijn aangetroffen, hebben dan ook geen betrekking op het vinden van die container. Andere bewijsmiddelen in het dossier waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde blijkt, zijn niet in het dossier aanwezig, zodat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen.

4.2.3.

Beoordeling

Het is een feit van algemene bekendheid dat in de Rotterdamse haven op grote schaal verdovende middelen per container worden binnengebracht vanuit voornamelijk Zuid-Amerika, verstopt tussen legale goederen. Voor het uit de containers halen van de verdovende middelen worden veelal zogenaamde “uithalers” benaderd door de criminele organisatie. Deze verschaffen zich wederrechtelijk de toegang tot de containerterminals en worden, al dan niet met behulp van corrupte douaniers of andere medewerkers op het terrein, vanuit de organisatie via zogenaamde “organisatietelefoons” aangestuurd met instructies over o.a. de locatie van de betrokken container. Op het terrein van ECT Delta worden met grote regelmaat dergelijke uithalers aangehouden.

Uit de feiten zoals hierboven weergegeven, in onderling verband beschouwd, kan naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie worden getrokken dan dat de verdachte en zijn medeverdachten op het ECT Delta-terrein aanwezig waren als uithalers, met als uiteindelijke doel dat de sporttassen met cocaïne uit de betreffende container zouden worden gehaald.

De verdachten zijn gezamenlijk vanuit Rotterdam per auto vertrokken en hebben zich samen op het ECT Delta-terrein begeven. Tijdens de autorit naar de Maasvlakte werden instructies gestuurd naar het telefoonnummer van [naam medeverdachte 1] om over een hek te klimmen en op zoek te gaan naar een container. Ook was voorafgaand aan deze autorit op de Alcatel telefoon een bericht met het nummer van de container met cocaïne binnengekomen. Gezien de inhoud van dit bericht, de verder op deze telefoon gevonden communicatie, het tijdstip waarop de telefoon geactiveerd is, de met deze telefoon aangestraalde zendmasten en de locatie waar deze telefoon uiteindelijk in beslag genomen is, was dit bericht uitsluitend bestemd voor de personen die de cocaïne uit deze container zouden halen. Uit de zendmastlocaties en de tijdstippen waarop de telefoon deze zendmasten heeft aangestraald, heeft deze telefoon dezelfde route gevolgd als de verdachten. Gelet hierop acht de rechtbank het aannemelijk dat de verdachte en zijn medeverdachten deze telefoon vanaf hun vertrek vanuit Rotterdam-Zuid tot aan hun arrestatie in bezit hebben gehad. Deze aanname wordt in hoge mate versterkt door het feit dat deze telefoon is gevonden in de directe omgeving van de plek waar [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] zijn aangehouden, namelijk in stacklaan 300, ter hoogte van indicatienummer 47.

Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband beschouwd, èn gelet op de straatwaarde van de aangetroffen cocaïne en het belang dat de organisatie heeft bij een geslaagde actie door de verdachte en zijn medeverdachten, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte en zijn medeverdachten ook wetenschap hadden van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de container. De verklaring van de verdachte, dat hij daar was omdat hij dacht een hoeveelheid iPhones te gaan stelen, acht de rechtbank ongeloofwaardig.

De verdachte en zijn medeverdachten waren immers op het terrein aanwezig zonder dat zij tassen of andere voorwerpen bij zich hadden om de iPhones in mee te nemen en evenmin is gebleken van concrete afspraken over hoe deze iPhones vanaf het terrein verder zouden worden vervoerd. Nu uit het dossier ook overigens geen aanknopingspunten bevat voor het scenario dat de verdachte op het terrein was voor de diefstal van iPhones, schuift de rechtbank dit scenario als onaannemelijk terzijde.

4.2.4.

Conclusie

De verdachte heeft samen met anderen voorbereidende handelingen verricht die hadden moeten leiden tot het uit de container halen van ruim 105 kilo cocaïne. Het subsidiair ten laste gelegde wordt bewezen verklaard.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij

op 09 december 2020 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijde lid van artikel 10 van de Opiumwet te weten het opzettelijk vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen

van ongeveer 105,83 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en anderen gelegenheid en middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft verschaft, en

- voorwerpen en/vervoermiddelen voorhanden heeft gehad,

waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit hebbende/is verdachte en zijn, verdachtes, mededaders

- met één of meer mededaders ontmoetingen gehad en/of telefonisch en/of via Whatsapp en/of SMS contacten onderhouden en informatie uitgewisseld en afspraken gemaakt over het invoeren en/of uithalen van die cocaïne, en

- over het hek van het ECT Delta terrein aan de Europaweg geklommen en zich aldus onbevoegdde toegang tot dat terrein verschaft, en

- een betonschaar enéén of meer (organisatie)telefoons voorhanden gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van om een feit bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met anderen voorbereidingshandelingen verricht voor de invoer van ruim 105 kg cocaïne via de haven van Rotterdam. Gezien de aangetroffen hoeveelheid cocaïne, moet deze bestemd zijn geweest voor verdere verspreiding en handel.

Internationale drugshandel veroorzaakt veel rand- en gevolgcriminaliteit. Daarnaast is cocaïne een voor de gezondheid zeer schadelijke stof. Ook wordt Nederland in de wereld vaak gezien als drugs transit/traffic land met alle negatieve diplomatieke en economische gevolgen van dien. De gedragingen van de verdachte bevestigt die aan Nederland toegeschreven rol bijna naadloos. De verdachte had er lak aan dat hij daarin een schakel is geweest en heeft ook niet stil gestaan bij de gezondheidsrisico’s voor gebruikers van verdovende middelen. Hij lijkt uitsluitend gedreven te zijn geweest door eigen financieel gewin. Derhalve dient tegen drugshandel, ook als dit zich nog in de voorbereidende fase bevindt, streng te worden opgetreden.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Voor het bepalen van de duur van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij uitspraken in soortgelijke zaken en heeft zij gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Zo heeft de rechtbank er ook kennis van genomen dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

Alles afwegend, acht de rechtbank een gevangenisstraf van kortere duur dan de officier van justitie heeft gevorderd passend en geboden. De rechtbank zal aan de verdachte een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met de voorwaarde die hierna wordt genoemd, opleggen. De proeftijd heeft als doel de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een nieuw strafbaar feit.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen:

  • -

    10a van de Opiumwet,

  • -

    47 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden,

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich niet bevinden op het terrein van containerterminal ECT Delta, gevestigd aan de Europaweg 875 te Rotterdam Maasvlakte;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.V. Scheffers, voorzitter,

en mrs. S.E.C. Debets en M.C.J. Spoormaker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.P. Eekhout, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 april 2021.

De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij

op of omstreeks 9 december 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, heeft gebracht

ongeveer 105,83 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 09 december 2020 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijde lid van artikel 10 van de Opiumwet te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen

van ongeveer 105,83 kilogram cocaïne, in ieder geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad,

waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s)

- met één of meer mededader(s) ontmoetingen gehad en/of telefonisch en/of via Whatsapp en/of SMS contacten onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt over het invoeren en/of afleveren en/of uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne, en/of

- over het hek van het ECT Delta terrein aan de Europaweg geklommen en/of zich aldus (onbevoegd) de toegang tot dat terrein verschaft, en/of

- een betonschaar en/of één of meer (organisatie)telefoons voorhanden gehad.