Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:330

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-01-2021
Datum publicatie
04-02-2021
Zaaknummer
8625786 CV EXPL 20-22468
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huur bedrijfsruimte (bruidsmodezaak). Corona-crisis. Toewijzing huurachterstand. Contractuele boete € 300,- per maand leidt tot een onaanvaardbaar en buitensporig resultaat. Matiging tot nihil. Afwijzing o&o.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8625786 CV EXPL 20-22468

uitspraak: 15 januari 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de vennootschap onder firma

v.o.f. “R & S”,

gevestigd te Vleuten,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 24 juni 2020,

gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V. te Rotterdam,

tegen

1. [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 1] ,

gedaagde sub 1,

procederend in persoon, en

2. [gedaagde 2] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

gedaagde sub 1,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “R & S” respectievelijk “ [gedaagde 1] ” en “ [gedaagde 2] of tezamen: “gedaagden”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

 de dagvaarding, met producties;

 de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] , met producties;

 de conclusie van repliek, met producties;

 de aantekeningen van de griffier van de mondelinge reactie van gedaagden.

1.2

[gedaagde 1] is aanvankelijk niet in het geding verschenen, waarna tegen haar verstek is verleend. Op de rolzitting van 16 september 2020 is [gedaagde 1] alsnog in het geding verschenen, waarmee het tegen haar verleende verstek is gezuiverd.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

Tussen R & S als verhuurder en gedaagden als huurders bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot de bedrijfsruimte gelegen aan de [adres] (hierna: het gehuurde). Gedaagden hebben het gehuurde in gebruik als winkel, waarin zij bruidsjurken en jurken voor traditionele feesten verkopen.

2.2

De huurovereenkomst is aangegaan op 1 oktober 2018 en eindigt op 30 september 2023. Uit hoofde van de huurovereenkomst zijn gedaagden bij vooruitbetaling een huurprijs van thans € 3.050,00 per maand verschuldigd.

2.3

In artikel 9.14 van de huurovereenkomst is bepaald dat telkens indien een uit hoofde van

de huurovereenkomst door gedaagden verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan aan R & S, van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete is verschuldigd van € 300,00 per maand.

2.4

Bij e-mail van 8 april 2020 (productie 1 bij de conclusie van antwoord) heeft [gedaagde 2] aan R & S medegedeeld dat zij door de uitbraak van het coronavirus in betalingsproblemen is gekomen en verzoekt zij om samenwerking en een oplossing.

2.5

Bij e-mail van 9 april 2020 (productie 2 bij de conclusie van antwoord) heeft R & S op deze e-mail gereageerd en het volgende betalingsvoorstel gedaan:

“13 april Betaling 1e deel 50% huur april

1 mei Betaling 1e deel 50% huur mei

1 juni Betaling huur juni en 2e deel 50% restant huur april

1 juli Betaling huur juli en 2e deel 50% restant huur mei”

2.6

Gedaagden zijn niet op dit betalingsvoorstel ingegaan en hebben tot en met juni 2020 een huurachterstand laten ontstaan van € 10.050,00 (productie 1 bij de dagvaarding), bestaande uit drie maanden huur (april, mei en juni 2020) en drie maal de in 2.3 genoemde boete.

3. Het geschil

3.1

R & S heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

A. de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de bedrijfsruimte gelegen aan de [adres] te ontbinden;

B. gedaagden te veroordelen om het gehuurde te ontruimen en te verlaten met al het zijne/hare en de zijnen/haren en het gehuurde onder afgifte van de sleutels geheel ontruimd ter vrije beschikking van R & S te stellen en te laten;

C. gedaagden hoofdelijk, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen om aan R & S te betalen:

1. het bedrag ad € 11.112,11 (bestaande uit € 9.150,00 aan huurachterstand, € 900,00 aan boetes, € 2,75 aan verschenen rente en € 1.059,36 aan buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met de wettelijke rente over € 10.050,00, te berekenen vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

2. de nog te vervallen huurpenningen vanaf de maand juli 2020, thans bedragende € 3.050,00 per maand, tot aan de datum van ontbinding van de huurovereenkomst;

3. als schadevergoeding wegens huurderving na ontbinding van de huurovereenkomst een bedrag ad € 3.050,00 per maand, tot aan de expiratiedatum van de huurovereenkomst, dan wel in ieder geval voor iedere per maand dat gedaagden het gehuurde na ontbinding van de huurovereenkomst in gebruik houden;

4. de som van € 3.050,00 per maand vanaf de maand van ontruiming tot aan het tijdstip waarop de eisende partij het onderhavige pand aan (een) derde(n) heeft verhuurd, echter ten hoogste tot en met 30 september 2023, zijnde de expiratiedatum van de onderwerpelijke huurovereenkomst, onder voorbehoud van (wettelijke) toegestane huurverhogingen en

5. de contractuele boete van € 300,00 per maand voor elke dag dat gedaagde in gebreke is de huur c.q. schadevergoeding tijdig te voldoen tot aan het tijdstip waarop de eisende partij het onderhavige pand aan (een) derde(n) heeft verhuurd, echter ten hoogste tot en met 17 juni 2017, zijnde de expiratiedatum van de onderwerpelijke huurovereenkomst en

6. de proceskosten, waaronder een bedrag aan salaris voor de gemachtigde(n) van eiseres.

3.2

Aan haar vordering heeft R & S - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd. Gedaagden zijn met correcte betaling van de huur in gebreke gebleven en hebben tot en met juni 2020 een achterstand doen ontstaan van € 10.050,00. Het niet dan wel niet tijdig betalen van de huur levert een toerekenbare tekortkoming van de zijde van gedaagden op, zodat R & S recht heeft op en belang heeft bij ontbinding van de overeenkomst. Ondanks (herhaalde) aanmaning en aanzegging van kostenverhogende incassomaatregelen, heeft R & S van gedaagden geen betaling van voormeld verschuldigd (totaal)bedrag kunnen verkrijgen. Door het betalingsverzuim van gedaagden heeft R & S zich genoodzaakt gezien haar vordering op gedaagden ter incasso uit handen te geven aan haar gemachtigde. Door de wanbetaling van gedaagden en/of het hierdoor uit handen geven van haar vordering, lijdt R & S vermogensschade. Deze schade bestaat onder andere uit de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.059,36 (inclusief btw) en de wettelijke rente vanaf de verzuimdatum, die tot 25 juni 2020 is berekend op € 2,75. Gedaagden zijn gehouden deze vermogensschade aan R & S te vergoeden.

3.3

Gedaagden hebben de vordering betwist en hebben daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. Het is juist dat gedaagden de huur van de maanden april, mei en juni 2020 niet hebben betaald. Zij zijn het echter niet eens met de maandelijkse boete van € 300,00. Onder de bijzondere onvoorziene omstandigheid van de uitbraak van het coronavirus is het opleggen van een boete niet redelijk. Het is bekend dat de overheid in verband met het coronavirus alle evenementen, zoals trouwfeesten, heeft verboden. In de periode van april tot en met juni 2020 hebben gedaagden daarom bijna niets kunnen verkopen. Zonder omzet en inkomsten was het onmogelijk om de huur te betalen. Door de overheidsbeperkingen konden gedaagden geen gebruik maken van het gehuurde winkelpand. Er is dan ook sprake van een huurrechtelijk gebrek, dat zou moeten leiden tot huurprijsvermindering. Gelet op hun financiële positie zijn gedaagden van mening dat de door R & S voorgestelde regeling in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Dit voorstel kwam er feitelijk op neer dat gedaagden voor de maanden april en mei 50% huur moesten te betalen, maar in de maanden juni en juli 150%. Gelet op de omstandigheden was dit onmogelijk. Gedaagden vragen de kantonrechter om alle vorderingen af te wijzen. Zij hebben de huur voor de maand juli 2020 betaald. Vanaf augustus 2020 willen zij naast de huur ook een bedrag van € 500,00 per maand aflossen aan huurachterstand.

4. De beoordeling

huurachterstand

4.1

De kantonrechter stelt vast dat gedaagden het bestaan en de hoogte van de door R & S gestelde huurachterstand van € 9.150,00, berekend tot en met de maand juni 2020, niet hebben betwist. Daarmee ligt de vordering in zoverre voor toewijzing gereed.

4.2

Met betrekking tot het standpunt van gedaagden - dat de overheidsmaatregelen in het kader van de coronacrisis een onvoorziene omstandigheid hebben opgeleverd, waardoor zij geen gebruik konden maken van het gehuurde winkelpand, hetgeen een gebrek is dat zou moeten leiden tot huurprijsvermindering - stelt de kantonrechter vast dat gedaagden dit niet hebben geformuleerd als eis in reconventie, die direct bij antwoord had moeten worden ingediend. De kantonrechter begrijpt het standpunt van gedaagden daarom als verrekeningsverweer. De gegrondheid van het verweer is echter niet op eenvoudige wijze vast te stellen, nu de vermindering van de huurprijs op grond van artikel 7:207 BW wordt gerelateerd aan de vermindering van het huurgenot en gedaagden de gestelde vermindering van het huurgenot niet hebben onderbouwd. Omdat de vordering van de huurachterstand overigens toewijsbaar is, ziet de kantonrechter hier aanleiding gebruik te maken van zijn bevoegdheid met toepassing van artikel 6:136 BW aan het verrekeningsverweer van gedaagden voorbij te gaan.

4.3

Gelet op het bepaalde in artikel 6:29 BW is de kantonrechter voorts niet gerechtigd tot het treffen van een betalingsregeling zonder toestemming van R & S. Die toestemming is in deze procedure niet gegeven. Voor het (eventueel alsnog) treffen van een betalingsregeling met R & S worden gedaagden verwezen naar de gemachtigde van R & S.

contractuele boete voor de maanden april tot en met juni 2020

4.4

R & S heeft verder over de maanden waarover zij de huur van gedaagden niet (tijdig) heeft ontvangen, op grond van artikel 9.14 van de huurovereenkomst een boete gevorderd van drie maal € 300,00 per maand (april tot en met juni 2020). Nu tussen partijen niet in geschil is dat gedaagden de huur over deze drie maanden niet (tijdig) heeft voldaan, zijn gedaagden in beginsel een boete van € 900,00 verschuldigd geworden.

4.5

Gedaagden hebben aangevoerd dat het opleggen van een boete niet redelijk is onder de bijzondere onvoorziene omstandigheid van de uitbraak van het coronavirus. Daarin leest de kantonrechter een beroep op matiging van de boete in de zin van artikel 6:94 BW. Op grond van dat artikel kan de kantonrechter een boete, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, matigen, met dien verstande dat hij de schuldeiser ter zake van de tekortkoming niet minder kan toekennen dan de schadevergoeding op grond van de wet. Vooropgesteld wordt dat de rechter zijn bevoegdheid tot matiging terughoudend moet hanteren: voor matiging is slechts plaats als toepassing van een boetebepaling in een overeenkomst in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal niet alleen moeten worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen (HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638).

4.6

De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval onverkorte toepassing van het

boetebeding zou leiden tot een onaanvaardbaar en buitensporig resultaat. Door de

maatregelen in verband met de coronacrisis is een onvoorziene en uitzonderlijke situatie

ontstaan, waardoor gedaagden tijdelijk niet aan hun betalingsverplichtingen konden voldoen. Dat sprake was van betalingsonmacht blijkt naar het oordeel van de kantonrechter

voldoende uit de e-mail van 8 april 2020 van [gedaagde 2] . [gedaagde 2] heeft immers direct aan

R & S laten weten (tijdelijk) niet in staat te zijn om de lopende huur te betalen door de

maatregelen in verband met corona. Gesteld noch gebleken is dat gedaagden reeds voor de

coronacrisis een huurachterstand hebben laten ontstaan. Verder hebben gedaagden onweersproken gesteld dat zij vanaf juli 2020 weer tijdig en volledig de lopende huur hebben betaald en vanaf de maand augustus 2020 een bedrag van € 500,00 per maand willen aflossen op de huurachterstand. De kantonrechter is van oordeel dat de gevorderde boete van € 900,00 in verhouding tot de huurachterstand van € 9.150,00 disproportioneel is, zodat de boete, gelet op voornoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, gematigd zal worden tot nihil.

wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW

4.7

De over de contractuele boetes gevorderde wettelijke handelsrente zal gelet op rechtsoverweging 4.6 worden afgewezen. De door R & S over de huurachterstand van € 9.150,00 gevorderde wettelijke handelsrente zal als onbetwist en op de wet gegrond worden toegewezen op de wijze als in het dictum vermeld.

ontbinding en ontruiming

4.8

Ten aanzien van de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. Ingevolge artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij de beoordeling of ontbinding naar de aard en betekenis van de tekortkoming gerechtvaardigd is, dient rekening gehouden te worden met alle omstandigheden van het geval.

4.9

Tussen partijen is niet in geschil dat gedaagden tekortgeschoten zijn in de nakoming van hun betalingsverplichtingen jegens R & S, te weten door een huurachterstand van € 9.150,00 te laten ontstaan. Daar staat tegenover dat gedaagden - onweersproken - hard zijn getroffen door de coronamaatregelen van de overheid, die ervoor hebben gezorgd dat de inkomsten van de bedrijfsruimte grotendeels zijn weggevallen omdat evenementen zoals bruiloften sinds medio maart 2020 slechts met een beperkt aantal aanwezigen mogen worden gehouden en om die reden vaak zijn geannuleerd, zodat gedaagden als gevolg van de coronacrisis dus veel minder omzet hebben gehad waardoor zij niet in staat waren de huur te voldoen. De vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst (A) en een veroordeling tot ontruiming van het gehuurde (B) worden dan ook afgewezen.

4.10

Uit het voorgaande vloeit voort dat ook de met de gevorderde ontbinding verband houdende vorderingen C2 tot en met C5 dienen te worden afgewezen.

buitengerechtelijke incassokosten

4.11

R & S heeft aanspraak gemaakt op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 1.059,36 (inclusief btw), berekend over de achterstallige huur inclusief boetes voor de periode april 2020 tot en met juni 2020. R & S heeft voldoende en onbetwist gesteld dat zij buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht. Dat betekent dat gedaagden ingevolge artikel 6:96 BW een vergoeding voor die buitengerechtelijke kosten verschuldigd zijn. De vergoeding waarop ingevolge het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten aanspraak kan worden gemaakt zal worden berekend aan de hand van de toewijsbare hoofdsom, te weten alleen de huurachterstand van € 9.150,00. De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 1.007,33.

proceskosten

4.12

Nu beide partijen voor een deel in het ongelijk zijn gesteld ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten in conventie te compenseren, in die zin dat beide partijen de eigen kosten dragen.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagden hoofdelijk - in die zin dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd - om aan R & S tegen kwijting te betalen een bedrag van € 10.157,33 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand juni 2020 en de buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over het saldo aan hoofdsom, exclusief kosten, dat na de dag van dagvaarding telkens na iedere credit- en debetmutatie heeft uitgestaan, tot aan de dag van algehele voldoening;

compenseert de proceskosten, in die zin dat beide partijen de eigen kosten dragen;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.M. van Breevoort en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44478