Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3293

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
19-04-2021
Zaaknummer
C/10/610997 / HA ZA 21-17
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Vordering tot verwijzing naar kanton afgewezen. Geen "duidelijke aanwijzingen" in de zin van artikel 93 onder b Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/610997 / HA ZA 21-17

Vonnis in incident van 14 april 2021

in de zaak van

[persoon A] ,

wonende te [woonplaats A] ,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. A.A.S. Wiesmeier-van der Brigge te ’s-Gravenhage,

tegen

de stichting

STICHTING VERMOGENSFONDS RESSI,

gevestigd te Woerden en kantoorhoudende te Rotterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. C.J.R. van Binsbergen te Alphen aan den Rijn.

Partijen zullen hierna [persoon A] en Ressi genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 24 december 2020, met producties 1 tot en met 16,

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord betreffende exceptie van onbevoegdheid, tevens houdende akte wijziging/vermeerdering van eis in de hoofdzaak, met producties 17 tot en 25.

1.2.

Bij B16-formulier van 15 maart 2021 heeft mr. Van Binsbergen namens Ressi verzocht om (eerst) vonnis te wijzen in het bevoegdheidsincident en om, als de rechtbank zich bevoegd acht om van de vorderingen kennis te nemen, vervolgens gelegenheid te geven om te reageren op de eiswijziging in de hoofdzaak. Bij B16-formulier van 16 maart 2021 heeft mr. Wiesmeier-van der Brigge namens [persoon A] vonnis in het incident gevraagd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De vordering in de hoofdzaak

2.1.

De vordering van [persoon A] bij dagvaarding luidt om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. Ressi te veroordelen om de punten a tot en met l als opgenomen in randnummer 9 (de rechtbank begrijpt: 10) van de dagvaarding te verrichten binnen drie weken na het vonnis, althans binnen een nader door de rechtbank te geven termijn, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag of dagdeel dat Ressi hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 25.000,00, althans op straffe van een nader door de rechtbank vast te stellen dwangsom en maximum;

2. Ressi te veroordelen op grond van artikel 6:96 lid 1 sub b BW in de kosten van het expertiserapport van € 2.880,01;

3. Ressi te veroordelen in de vergoeding van de extra kosten van [persoon A] vanwege het moeten verzetten van haar vakantie als gevolg van de lekkage à € 287,00;

4. Ressi te veroordelen tot herstel op eigen kosten van het dak waar de schoorsteen in opdracht van Ressi is verwijderd naar de eisen van goed en deugdelijk werk, binnen drie weken na het te wijzen vonnis, althans binnen een nader door de rechtbank vast te stellen termijn, bij gebreke waarvan dit vonnis heeft te gelden als een plaatsvervangende machtiging om in naam en op kosten van Ressi opdracht te geven aan een gecertificeerd dakdekbedrijf om het dak correct te laten herstellen;

5. Ressi te veroordelen in de kosten van het geding, buitengerechtelijke kosten, de verletkosten aan de zijde van [persoon A] , het salaris en de verschotten van de advocaat van [persoon A] daaronder begrepen, met de bepaling dat er wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is vanaf de vijftiende dag na het wijzen van het vonnis;

6. Ressi te veroordelen in de nakosten van € 157,00 zonder en verhoogd met € 82,00 in geval van betekening, indien Ressi niet vrijwillig voldoet aan dit vonnis en zijdens [persoon A] door haar advocaat en/of in te schakelen deurwaarder actie ondernomen dient te worden en indien er nog een reconventionele vordering wordt ingediend de nakosten te bepalen op € 246,00 zonder betekening en deze bij betekening te verhogen met € 82,00.

3. Het geschil in het incident

3.1.

Ressi vordert dat de rechtbank zich bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen jegens Ressi en het geding in de stand waarin het zich bevindt ter verdere behandeling en beoordeling verwijst naar de kantonrechter, met veroordeling van [persoon A] in de kosten van de procedure.

3.2.

[persoon A] voert verweer en concludeert dat de rechtbank Den Haag (de rechtbank begrijpt: de rechtbank Rotterdam) zich bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bevoegd verklaart en de incidentele vordering van Ressi afwijst, met veroordeling van Ressi in de kosten van het incident.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling in het incident

4.1.

Ressi legt aan haar incidentele vordering ten grondslag dat, alhoewel een groot deel van de vorderingen van [persoon A] van onbepaalde waarde zijn, er duidelijke aanwijzingen zijn dat de vorderingen de competentiegrens van € 25.000,00 niet overstijgen. De vorderingen van [persoon A] vertegenwoordigen maximaal een waarde van € 7.536,46 inclusief btw. Dit blijkt deels uit de kostenbegroting van een aantal herstellingen in het deskundigenrapport (productie 9 bij dagvaarding) en deels uit het feit dat de overige vorderingen kleine herstellingen betreffen die waar nodig al verholpen zijn. De gevorderde buitengerechtelijke kosten betreffen, gelet op het Besluit buitengerechtelijke incassokosten, een gering bedrag. Ook indien deze in aanmerking worden genomen blijft de vordering van [persoon A] , gelet op het bedrag waarvoor zij beslag heeft gevraagd, verkregen en gelegd (€ 5.709,61), hoe dan ook ruimschoots onder de € 25.000,00. In dat geval volgt uit artikel 93, aanhef en onder b Rv dat de procedure bij de kantonrechter aanhangig had moeten worden gemaakt en dient de onderhavige zaak op grond van artikel 71 Rv te worden verwezen naar de kantonrechter.

4.2.

[persoon A] stelt dat de schattingen door Ressi van de waarde van de vorderingen nergens uit blijken en niet zijn onderbouwd. Er bestaan dan ook geen duidelijke aanwijzingen dat de vorderingen een lagere waarde dan € 25.000,00 vertegenwoordigen. De vorderingen van onbepaalde waarde betreffen herstel en bewijs van diverse zaken. Het gevorderde bewijs is niet op geld te waarderen, hetgeen Ressi ook erkent in randnummer 6 van haar incidentele conclusie. De stelling van Ressi dat de herstelwerkzaamheden die [persoon A] vordert al zouden zijn uitgevoerd blijkt nergens uit en wordt betwist. Tot slot worden er door de eisvermeerdering van [persoon A] meerdere zaken gevorderd die niet op waarde te bepalen zijn, zoals verklaringen voor recht, waardoor de rechtbank met het oog op hetgeen bepaald is in artikel 95 Rv bevoegd is.

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat als gevolg van diverse wetswijzigingen de kamers voor kantonzaken inmiddels onderdeel van de rechtbanken zijn. Dit heeft tot gevolg dat indien een zaak zich ten onrechte bevindt bij de kamer voor kantonzaken of bij de kamer voor andere zaken dan kantonzaken (de handelskamer), op de voet van artikel 71 Rv verwijzing volgt naar de andere kamer. Van onbevoegdverklaring van de rechtbank kan derhalve geen sprake meer zijn. De rechtbank begrijpt, mede gelet op hetgeen Ressi verder stelt, dat (enkel) wordt gevorderd verwijzing naar de kamer voor kantonzaken.

4.4.

Uitgangspunt is dat alle civiele vorderingen worden behandeld en beslist door de handelskamer; behandeling en beslissing van een of meer vorderingen door de kantonrechter is de uitzondering. De gevallen waarin de uitzondering zich voordoet zijn opgesomd in artikel 93 Rv. Voor vorderingen van onbepaalde waarde geldt dat zij alleen door de kantonrechter worden behandeld en beslist, indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat de totale waarde van de vorderingen geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00. In geval van twijfel is dus de handelskamer de aangewezen rechter.

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat de uitzondering zich in de onderhavige zaak niet voordoet, nog daargelaten de eisvermeerdering van [persoon A] waarop nog beslist zal moeten worden.

4.5.1.

Volgens Ressi betreffen de vorderingen van onbepaalde waarde de volgende werkzaamheden:

  1. doortrekken van de rioolbeluchting naar het dak van de woning,

  2. aantonen dat de dakkapel voldoet aan wet- en regelgeving,

  3. beugelen van diverse leidingen,

  4. vervangen van een tijdelijke afvoer voor een buis met een grotere doorsnee,

  5. verwijderen van bouwafval,

  6. verplaatsen van leidingwerk naar de vloer van appartement 121B,

  7. bevestigen van de water- en gasmeter,

  8. aanhelen schoorsteen en verwijderen van vervuiling van de schoorsteen,

  9. herstel van het dak waar de schoorsteen is verwijderd.

4.5.2.

De blote stelling van Ressi dat dit stuk voor stuk kleine herstellingen betreffen die globaal een waarde vertegenwoordigen van € 2.500,00 inclusief btw, is, gelet ook op de betwisting daarvan door [persoon A] , onvoldoende om te kunnen spreken van “duidelijke aanwijzingen” in de zin van artikel 93 onder b Rv. Het had op de weg van Ressi gelegen om haar stellingen op dit punt al in de incidentele conclusie te concretiseren en toe te lichten. De stelling dat de kleine herstellingen waar nodig al deels zijn verholpen en de kosten daarvan zijn verwerkt in de door de aannemer met betrekking tot de totale renovatie gezonden facturen, is in dit kader niet voldoende. De facturen zijn niet overgelegd. Dat bepaalde herstellingen al zouden hebben plaatsgevonden, heeft bovendien geen invloed op de waarde van de vordering, maar is een verweer tegen de toewijsbaarheid daarvan.

4.6.

Conclusie uit het voorgaande is dat de incidentele vordering tot verwijzing moet worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen.

4.7.

Ressi zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld (1 punt × tarief II van € 563,00). Deze veroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, nu het verzoek daartoe is gegrond op de wet en niet is weersproken.

5. Beoordeling in de hoofdzaak

5.1.

Voor het geval dat de incidentele vordering van Ressi wordt afgewezen, heeft Ressi verzocht te mogen reageren op de eiswijziging. De stand van zaken in de hoofdzaak is dat er voor antwoord moet worden geconcludeerd. Het staat Ressi vrij om in die conclusie te reageren op de eisvermeerdering van [persoon A] .

5.2.

Ressi verzoekt voorts om reeds nu een mondelinge behandeling te plannen. De rechtbank zal dat niet doen, omdat het gebruikelijk is dat pas te doen nadat de conclusie van antwoord is genomen. Er is geen reden om van dat gebruik af te wijken.

5.3.

Uit het feit dat Ressi reeds nu verzoekt om bepaling van een mondelinge behandeling, leidt de rechtbank af dat zij voorafgaand aan een zitting geen prijs stelt op een uitspraak over een eventueel bezwaar tegen de eiswijziging. Onder toepassing van artikel 2.9 van het landelijk procesreglement zal op een eventueel bezwaar dan ook in beginsel niet afzonderlijk worden beslist, in elk geval niet vóór de mondelinge behandeling.

6. De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt Ressi in de kosten van het incident, aan de zijde van [persoon A] tot op heden begroot op € 563,00;

6.3.

verklaart onderdeel 6.3 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak

6.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 26 mei 2021 voor conclusie van antwoord;

6.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J. van den Bos. Het is ondertekend door de rolrechter en op 14 april 2021 uitgesproken in het openbaar.

3360/1977/1407