Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3292

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
19-04-2021
Zaaknummer
C/10/598930 / HA ZA 20-604
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat er geen overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. Ook is geen sprake van door gedaagde afgebroken onderhandelingen. Het was eiser zelf die de onderhandelingen heeft afgebroken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/598930 / HA ZA 20-604

Vonnis van 14 april 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MPLOY ASSOCIATES B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

advocaat mr. A. Heilig te Hoorn,

tegen

[gedaagde] H.O.D.N. [handelsnaam],

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.E. Burggraaf te 's-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna Mploy en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 juni 2020, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de oproepingsbrief van deze rechtbank van 16 september 2020, waarin een mondelinge behandeling is bepaald op 17 december 2020;

  • -

    de brief van 1 december 2020 van Mploy met producties 20 en 21;

  • -

    de brief van 2 december 2020 van [gedaagde] met producties 12 en 13;

  • -

    de spreekaantekeningen van Mploy en [gedaagde] ;

- het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 17 december 2020;

- de schriftelijke reactie van 6 januari 2021 van [gedaagde] op het procesverbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Mploy houdt zich bezig met advisering en levering van interim oplossingen op financieel, risicomanagement en datascience gebied en met het ter beschikking stellen van arbeidskrachten.

2.2.

Indirect bestuurders van Mploy zijn de heren [naam persoon 1] en [naam persoon 2] .

2.3.

[gedaagde] is econometrist en econoom. Hij handelt vanuit zijn eenmanszaak ‘ [naam eenmanszaak] ’ als zelfstandig specialist op het vlak van risicobeheer, strategie en risicomodellering in de financiële sector.

2.4.

ING Bank (hierna: ING) maakt bij het tewerkstellen van zelfstandige, externe professionals in haar organisatie gebruik van de diensten van twee externe partijen, te weten FastFlex en Brainnet B.V. (hierna: Brainnet).

2.5.

Op 3 oktober 2019 is tussen Mploy en Brainnet een ‘inleenovereenkomst ING Bank’ (hierna: de inleenovereenkomst) gesloten.

2.6.

Op 25 oktober 2019 heeft Mploy [gedaagde] telefonisch benaderd voor een opdracht bij ING, naar aanleiding waarvan [gedaagde] aan Mploy zijn (bijgewerkte) curriculum vitae heeft gezonden. Mploy heeft het cv van [gedaagde] doorgezonden naar ING.

2.7.

Op 28 oktober 2019 heeft Mploy per e-mail aan [gedaagde] bevestigd dat op 31 oktober 2019 een intakegesprek zal plaatsvinden bij ING. Dit intakegesprek op is gevoerd door mevrouw [naam persoon 3] van ING (hierna: [naam persoon 3] ) met de heer [naam persoon 2] en [gedaagde] .

2.8.

Op 5 november 2019 heeft Mploy per e-mail aan [gedaagde] bericht:

“Hi [voornaam gedaagde] , Gefeliciteerd met je opdracht bij de ING. Leuk dat we elkaar zo weer tegenkomen!

Voor de administratieve afhandeling zal ik verder met je schakelen. Zou jij daarom voor het opstellen van de overeenkomst alvast de volgende stukken kunnen mailen:

■ Een recent uittreksel KvK van jouw onderneming inclusief een separaat uittreksel van (alle) hierin participerende ondernemingen (B. V./Holding) indien van toepassing (niet ouder dan een halfjaar)

■ BTW nummer;

■ IBAN nummer.

Daarnaast bij deze de bevestiging van de gemaakte afspraken:

■ Tarief voorde eerste 6 maanden: 115,-. Na deze 6 maanden bekijken de we mogelijkheden voor een verhoging van dit tarief.

■ Beoogde startdatum: 18 november.

Verder is het alvast goed te weten dat ING/FastFlex een tarief van €130,- per uur zal overmaken naar jouw rekening. Wij sturen jou vervolgens een fee-factuur van €15,- per uur.

Zodra we de benodigde stukken van ING/FastFlex hebben ontvangen komen we bij je terug om de screening op te starten. Ik houd je op de hoogte.”

2.9.

Op diezelfde dag heeft ING een e-mail aan Mploy gezonden om de ‘onboarding’ van [gedaagde] in gang te zetten.

2.10.

Op 7 november 2019 heeft Mploy per e-mail aan [gedaagde] laten weten dat de inzet bij ING gaat verlopen via Brainnet in plaats van via FastFlex. Ook wordt [gedaagde] verzocht enkele persoonsgegevens te mailen, zodat door Brainnet de Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) van [gedaagde] kan worden aangevraagd.

2.11.

Op 7 november 2019 om 13:02 uur heeft [gedaagde] aan Mploy bericht:

“Mooie opdracht bij ING. Ben benieuwd.

Zie bijgevoegd het uittreksel van KVK.

BTW (tot eind 2019): (…)

BTW (vanaf 1 jan 2020): (…)

IBAN: (…)

M.b.t. de fee, na 6 maanden bekijken we de fee met de intentie om deze aan te passen.

M.b.t. de facturering, is het mogelijk om direct het bedrag bij de payroll te innen? Ik hou altijd van het zo simpel mogelijk houden.”

2.12.

Op 7 november 2019 om 14:20 uur heeft Mploy aan [gedaagde] bericht:

“Dank. Omdat Brainnet de broker is geworden (zie eerdere mail vandaag) zul je rechtstreeks aan ons factureren. Na het opsturen van een goedgekeurd urenoverzicht maken we het bedrag binnen 6 werkdagen over. Verder is het goed te weten dat Brainnet ons de mogelijkheid biedt om jou rechtstreeks uit te betalen zodat wij geen werkkapitaal aan hoeven te houden. Omdat zij daar een relatief hoge vergoeding van ons voor vragen hebben we besloten daar geen gebruik van te maken. Lukt het jou om vandaag nog de eerder opgevraagde gegevens voor Brainnet te mailen?”

2.13.

Diezelfde dag om 14:27 uur heeft [gedaagde] hierop als volgt gereageerd:

“Prima. Bijzondere wereld van de brokers. ..=)

Ps. De info t.a.v. jouw eerder email heb ik reeds direct verstuurd en VOG proces is al in gang gezet.”

2.14.

Later op die dag, om 19:48 uur, heeft [gedaagde] aan Mploy bericht:

“Ik heb nog goed nagedacht over de constructie. Het lijkt me niet wenselijk om afhankelijkheden in de uitbetaling te creëren; broker betaalt Mploy en Mploy betaalt mij. Daar heb ik slechte ervaringen mee. Laten we het splitsen en zo simpel mogelijk houden door broker betaalt jullie het deel dat jullie toekomt en respectievelijk mij toekomt.”

2.15.

Mploy heeft daarop dezelfde avond om 21:49 uur gereageerd met het bericht:

“Wij zouden het ook graag splitsen maar dit gaat ten koste van onze fee en is daarom geen optie voor ons."

2.16.

Om 21:58 uur diezelfde avond heeft Mploy aan [gedaagde] alle gegevens gemaild die nodig waren om een screening in gang te zetten, waarbij Mploy vermeldde:

"Nadat de screening succesvol is afgerond zullen we het contract opmaken."

2.17.

Op 8 november 2019 hebben Mploy en [gedaagde] telefonisch contact gehad, waarbij [gedaagde] heeft herhaald rechtstreeks door Brainnet te willen worden betaald. Mploy heeft herhaald dat zij niet bereid was de kosten die hieraan zijn verbonden te dragen.

2.18.

Op 11 november 2019 hebben er een drietal telefoongesprekken plaatsgevonden tussen Mploy en [gedaagde] .

2.19.

Op 19 november 2019 om 15:34 uur heeft Mploy aan [gedaagde] bericht:

“Gegeven jouw mededeling dat je, ondanks eerdere toezeggingen, je wilt terugtrekken van de opdracht bij ING en we na herhaaldelijke pogingen geen contact met je kunnen krijgen, informeren we je bij deze dat we de onboarding bij ING hebben stopgezet."

2.20.

Op diezelfde dag om 15:37 uur heeft Mploy aan [naam persoon 3] bericht:

“(…) Zoals ik vrijdag al aangaf leken er problemen te zijn met [gedaagde] , helaas heeft hij inmiddels besloten om zich terug te trekken. De reden is dat hij zich heeft bedacht en toch niet tegen het eerder overeengekomen tarief wil werken. Voor ons ook een zeer vreemde manier van werken aangezien we alle voorwaarden uitvoerig met hem hadden besproken en hij daarop akkoord had gegeven. Excuses voor het ongemak. We hebben echter een oplossing voor je, graag introduceer ik […Rb: naam kandidaat] en [… Rb: naam kandidaat] bij je ter vervanging. Hieronder een korte samenvatting, in de bijlage de cv's."

2.21.

[naam persoon 3] heeft hierop diezelfde dag als volgt gereageerd:

“De gang van zaken omtrent [voornaam gedaagde] vind ik erg vervelend. Ik ben niet betrokken in deze discussie, maar ik ben nog steeds erg enthousiast over hem en zou hem nog steeds graag willen inhuren. Ik zal hem benaderen om dit met hem te bespreken”

2.22.

De personal assistent van [naam persoon 3] heeft [gedaagde] op diezelfde dag benaderd en uiteindelijk is tussen ING en [gedaagde] een overeenkomst tot stand gekomen.

3. Het geschil

3.1.

Mploy vordert – samengevat – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst dan wel onrechtmatig heeft gehandeld jegens Mploy en [gedaagde] te veroordelen om binnen veertien dagen na dit vonnis aan Mploy te betalen een bedrag van primair € 39.936,00, subsidiair € 31.104,00 en meer subsidiair € 20.800,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW, althans de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW, vanaf het moment van opeisbaarheid tot aan de dag van volledige betaling;

II. [gedaagde] te veroordelen om binnen veertien dagen na dit vonnis aan Mploy te betalen een bedrag van € 1.174,36 aan buitengerechtelijke incassokosten;

III. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de proceskosten en in de nakosten ingeval [gedaagde] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis aan deze uitspraak heeft voldaan en betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente indien betaling niet plaatsvindt binnen de hiervoor genoemde termijn van veertien dagen.

3.2.

Mploy legt aan haar vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag.

3.2.1.

Tussen partijen is een overeenkomst tot stand gekomen. Indien moet worden geoordeeld dat [gedaagde] niet expliciet het aanbod van Mploy heeft aanvaard, mocht zij redelijkerwijze uit de verklaringen en gedragingen van [gedaagde] afleiden dat er een overeenkomst tot stand zou komen, althans is gekomen. In ieder geval is over de essentialia van de overeenkomst wilsovereenstemming bereikt.

3.2.2.

[gedaagde] heeft zich verbonden om maandelijks zijn goedgekeurde urenstaat toe te zenden aan Mploy. Nu [gedaagde] nimmer is overgegaan tot het daadwerkelijk uitvoeren van de opdracht en dus ook geen maandelijkse urenstaat aan Mploy heeft doen toekomen, is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenis. Door deze tekortkoming heeft Mploy in elk geval niet kunnen beschikken over de haar toekomende fee die zij maandelijks zou ontvangen naar aanleiding van de uitvoering van de opdracht van [gedaagde] bij ING. Op grond van artikel 6:83 sub c BW is [gedaagde] in verzuim vanaf 11 november 2019, aangezien hij toen telefonisch aan Mploy heeft laten weten niet meer akkoord te gaan met de overeenkomst, tenzij zijn uurtarief zou worden verhoogd van € 115,00 per uur naar € 130,00 per uur.

3.2.3.

Voor het geval dat wordt geoordeeld dat geen overeenkomst tot stand is gekomen, geldt dat de onderhandelingen in een zodanig vergevorderd stadium waren, en dat het vertrouwen dat er een overeenkomst tot stand zou komen van dien aard was, dat het alsnog afbreken van de onderhandelingen [gedaagde] schadeplichtig maakt. [gedaagde] en Mploy hadden sinds 2018 contact en hadden daarbij altijd het doel om [gedaagde] een opdracht te bezorgen. [gedaagde] heeft hierbij meerdere malen zijn cv toegestuurd en bevestigd op zoek te zijn naar een interim opdracht. Door deze handelwijze van [gedaagde] heeft Mploy geen moment hoeven twijfelen aan de intentie van [gedaagde] en heeft zij ten tijde van de onderhandelingen altijd het gerechtvaardigde vertrouwen gehad dat de overeenkomst tot stand zou komen. [gedaagde] heeft geen rekening gehouden met de belangen van Mploy, waardoor Mploy voor haar inspanningen en investeringen, waarvan [gedaagde] heeft geprofiteerd, geen vergoeding heeft ontvangen.

3.2.4.

Door de tekortkoming, althans de onrechtmatige daad, van [gedaagde] heeft Mploy schade geleden. Wanneer er wordt uitgegaan van (het niet afbreken van de onderhandelingen en) een correcte naleving van de overeenkomst zou dit betekenen dat [gedaagde] gemiddeld 32 uur per week werkzaam zou zijn voor ING. Mploy zou bij naleving van de overeenkomst in elk geval gedurende een halfjaar een bedrag van € 25,00 per uur ontvangen als fee voor het bemiddelen tussen ING en [gedaagde] . Dit betekent dat Mploy over de eerste zes maanden voor een bedrag van € 20.800,00 schade heeft geleden uit hoofde van gederfde winst. Op grond van artikel 11.8 van de inleenovereenkomst bedraagt de marge tussen het door ING aan Brainnet te betalen tarief en het door [gedaagde] te ontvangen uurtarief vanaf zes maanden na aanvang van de werkopdracht gedurende het eerste jaar niet meer dan 10% van het door [gedaagde] te ontvangen tarief en in het tweede jaar niet meer dan 5%. Dit komt neer op een bedrag van € 11,50 respectievelijk € 5,75 per uur. Uitgaande van een contract tot 31 december 2020 is de schade van Mploy voor de eerste 13 maanden € 31.104,00. Ervan uitgaande dat het project twee jaar duurt en [gedaagde] daar die twee jaar werkzaam zal blijven, bedraagt de schade van Mploy € 39.936,00.

3.3.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Mploy, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de integrale kosten van deze procedure, waaronder de kosten van rechtsbijstand ad € 7.623,00 p.m., dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag dat de conclusie van antwoord is genomen, dan wel een in goede justitie te betalen datum tot het moment van volledige vergoeding.

3.4.

[gedaagde] voert daartoe – samengevat – het volgende aan.

3.4.1.

Er is geen overeenkomst tot stand gekomen tussen Mploy en [gedaagde] . Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de essentialia, onder meer niet over het uurtarief van [gedaagde] en het tarief dat zou worden afgedragen aan Mploy.

3.4.2.

[gedaagde] betwist dat hij heeft aangegeven dat hij een verhoging van zijn uurtarief naar € 130,00 verlangde. [gedaagde] heeft in de telefoongesprekken op 11 november 2019 herhaald dat hij onverkort een split fee constructie wenste, omdat hij niet financieel afhankelijk wenst te zijn van een kleine speler als Mploy die hij verder niet kent en dat hij een negatieve ervaring heeft gehad met een andere kleine organisatie, waarbij hij uiteindelijk onbetaald bleef. Mploy herhaalde dat een split fee constructie Mploy € 2,00 per uur (te betalen aan Brainnet) kost en dat Mploy daartoe niet bereid was. Voor [gedaagde] was een opdracht nog altijd mogelijk, evenwel met split fee constructie en met inachtneming van de marge eis van ING.

3.4.3.

Het is Mploy die de onderhandelingen heeft afgebroken, dan wel zich heeft teruggetrokken en haar inspanningen heeft gestaakt. Nadat het Mploy duidelijk werd dat [gedaagde] niet wenste mee te werken aan de financiële constructies die Mploy hem voorhield, heeft zij het vertrouwen in hem opgezegd en zich op geen enkele wijze meer ingespannen om te bezien of er alsnog afspraken zouden kunnen worden gemaakt, gericht op een opdracht door [gedaagde] bij ING. Een aantal pogingen tot telefonisch contact is daarbij onvoldoende.

4. De beoordeling

4.1.

Mploy grondt haar vordering primair op een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de gestelde overeenkomst met [gedaagde] . [gedaagde] betwist dat er een overeenkomst tussen hem en Mploy tot stand is gekomen.

4.2.

De vordering uit wanprestatie is alleen toewijsbaar als vast komst te staan dat er een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. Kernvraag is dus of de overeenkomst waar Mploy zich op beroept tussen haar en [gedaagde] rechtsgeldig tot stand is gekomen. Over het antwoord op die vraag wordt als volgt overwogen.

4.3.

Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 BW). Daarbij dient de inhoud van het aanbod en de vraag of er overeenstemming is, bepaald te worden aan de hand van de wilsvertrouwensleer (artikel 3:33 en 3:35 BW). Er komt in beginsel geen rechtshandeling tot stand als de wil van de handelende persoon ontbreekt, tenzij er sprake is van een bij de wederpartij opgewekt gerechtvaardigd vertrouwen.

4.4.

Volgens Mploy was er op 5 november 2019 om 10:45 uur, althans op 7 november 2019 om 13:02 uur, wilsovereenstemming, waardoor er in ieder geval op 7 november 2019 om 13:02 een overeenkomst tot stand is gekomen tussen Mploy en [gedaagde] .

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat er geen overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. De rechtbank is tot dat oordeel gekomen op grond van het volgende. Uit de stellingen van [gedaagde] kan worden afgeleid dat – hoewel er overeenstemming was over zijn inzet bij ING – zijn aanbod om een overeenkomst met Mploy te sluiten afhankelijk was van de betalingsconstructie. [gedaagde] schrijft immers in zijn mail van 7 november 2019 om 14:02 uur “M.b.t. de facturering, is het mogelijk om direct het bedrag bij de payroll te innen? Ik hou altijd van het zo simpel mogelijk houden”. In zijn mail van 19:48 uur herhaalt [gedaagde] dat hij de betalingsconstructie “zo simpel mogelijk” wil houden. Er was op het door Mploy genoemde moment (7 november 2019 om 13:02 uur) sprake van een intentie tussen partijen om tot inzet van [gedaagde] bij ING via Brainnet te komen. Zij waren het over de betalingsconstructie echter nog niet eens. Dit blijkt uit de onder 2.14 vermelde e-mail van 7 november 2019 van 19:48 uur van [gedaagde] , waarin hij voorstelt dat de broker zowel Mploy als [gedaagde] betaalt, en de onder 2.15 vermelde reactie van Mploy daarop, waarin zij aangeeft dat dat geen optie is voor haar. Ook hebben partijen op 11 november 2019 driemaal telefonisch gesproken over hun uiteenlopende wensen ten aanzien van de betalingsconstructie. Partijen verschillen weliswaar van mening over de exacte inhoud van die telefoongesprekken, maar gelet op wat tijdens de mondelinge behandeling door partijen is verklaard, staat tussen hen vast dat in de gesprekken op 11 november 2019 door [gedaagde] is aangegeven dat hij een andere betalingsconstructie wenste dan Mploy. [gedaagde] heeft eerder per e-mail en ook in die gesprekken aangegeven dat hij een slechte ervaring had met een andere partij over een soortgelijke constructie en Mploy heeft aangegeven dat zij niet bereid was akkoord te gaan met de door [gedaagde] gewenste betalingsconstructie, omdat haar dat geld zou kosten. Daarbij komt dat Mploy bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft verklaard dat [gedaagde] ineens een hoger uurtarief wilde hebben, dat zij tegen [gedaagde] heeft gezegd dat zij “met zulk soort zzp’ers liever niet samenwerkt”, maar dat de klant koning is en ze bereid was aan [naam persoon 3] een hoger uurtarief voor te leggen.

4.6.

Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat Mploy de voorwaarden (met betrekking tot het tarief en/of betalingsconstructie) waaronder een overeenkomst zou worden gesloten, zelf aan haar klant ING heeft overgelaten en dat er derhalve nog ruimte was voor verder onderhandelen. Van wilsovereenstemming met betrekking tot de essentialia van de overeenkomst was dus nog geen sprake. Het feit dat al voorbereidingen werden getroffen, waaronder het in gang zetten van het VOG proces, doet er niet aan af dat geen sprake was van wilsovereenstemming met betrekking tot de betalingsconstructie en er dus geen overeenkomst tot stand is gekomen. Ook heeft de rechtbank hierbij in aanmerking genomen dat [gedaagde] weliswaar aanvankelijk, op 7 november 2019 om 14:27 uur, op de betalingsconstructie zoals Mploy die voor ogen had in haar e-mail van 14:20 uur die dag, heeft gereageerd met “prima”, echter daar is [gedaagde] op teruggekomen. Dit stond hem in de gegeven omstandigheden – te weten dat hij eerder die dag al had aangegeven de voorkeur te geven aan een betalingsconstructie waarbij hij direct het bedrag bij de payroll kon innen en dat hij al binnen een paar uur na zijn reactie “prima” erop terugkwam na er goed over te hebben nagedacht – naar het oordeel van de rechtbank vrij.

4.7.

Gelet op het hiervoor onder 4.2 tot en met 4.6 overwogene kan vordering I zoals weergegeven onder 3.1 in zoverre niet worden toegewezen.

4.8.

De rechtbank is bovendien van oordeel dat, als wel sprake zou zijn van een tussen Mploy en [gedaagde] gesloten overeenkomst, Mploy zelf is tekortgeschoten in de nakoming daarvan. Zij heeft bij de onder 2.19 vermelde e-mail van 19 november 2019 aan [gedaagde] medegedeeld dat zij de “onboarding” bij ING had stopgezet. Op grond van artikel 6:83 sub c BW kon [gedaagde] uit deze mededeling afleiden dat Mploy de overeenkomst niet ging nakomen, waardoor Mploy in verzuim verkeerde. Nagenoeg gelijktijdig met voornoemde e-mail aan [gedaagde] heeft Mploy aan ING bericht dat [gedaagde] de opdracht niet meer zal uitvoeren, waarbij Mploy twee andere personen heeft geïntroduceerd die de opdracht in zijn plaats zouden kunnen uitvoeren. De stelling van Mploy dat [gedaagde] eerder, al op 11 november 2019, in verzuim was, doordat hij Mploy zou hebben laten weten “niet meer akkoord te gaan met de overeenkomst, tenzij zijn uurtarief zou worden verhoogd van € 115,00 per uur naar € 130,00 per uur”, is – mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door [gedaagde] – door Mploy onvoldoende onderbouwd en wordt daarom verworpen.

4.9.

Mploy heeft subsidiair aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door de onderhandelingen tussen partijen af te breken en uit dien hoofde schadeplichtig jegens Mploy is. Hierover overweegt de rechtbank als volgt. Voorop wordt gesteld dat als maatstaf bij de beoordeling van de schadevergoedingsplicht bij afgebroken onderhandelingen heeft te gelden dat ieder van de onderhandelende partijen – die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen – vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van het vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. De maatstaf ter beoordeling van de vraag of het afbreken van onderhandelingen onaanvaardbaar is of niet, is een strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf.

4.10.

[gedaagde] heeft in zijn e-mail van 7 november 2019 om 19:48 uur aan Mploy bericht, en in de gesprekken op 11 november 2019 herhaald, dat hij rechtstreeks door de broker wilde worden betaald en geen betalingsconstructie wilde waarbij hij werd betaald door Mploy. Tussen partijen staat bovendien vast dat [gedaagde] niet bereid was om de door de broker (Brainnet) bij Mploy in rekening te brengen vergoeding voor directe betaling van € 2,00 per gewerkt uur (in plaats van Mploy) voor zijn rekening te nemen. Van door [gedaagde] bij Mploy opgewekt totstandkomingsvertrouwen is dus geen sprake. Mploy mocht er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat er een overeenkomst tot stand zou komen, zoals door haar gesteld. Voor zover Mploy daar al op vertrouwde was dat in elk geval op 19 november 2019 niet meer het geval. Mploy heeft toen aan zowel [gedaagde] als ING gemeld dat zij de “onboarding” bij ING heeft stopgezet, respectievelijk dat [gedaagde] de opdracht niet zal uitvoeren. Deze gedragingen passen niet bij de stelling van Mploy dat zij ten tijde van de onderhandelingen altijd het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gehad dat de overeenkomst tot stand zou komen. Daaruit blijkt immers dat Mploy niet bereid was door te onderhandelen en zelf de onderhandelingen heeft afgebroken. Op dat moment, 19 november 2019, was duidelijk dat, door toedoen van Mploy, geen overeenkomst meer tot stand zou komen.

4.11.

Voor zover Mploy heeft bedoeld dat [gedaagde] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door – samengevat – te profiteren van de inspanningen en investeringen van Mploy overweegt de rechtbank het volgende. De stelling dat [gedaagde] gebruik heeft gemaakt van de diensten, de expertise, het netwerk en de kennis van Mploy en uit eigener beweging heeft geregeld dat hij kon gaan werken voor ING en het zo heeft bewerkstelligd dat Mploy de fee die haar toekomt niet krijgt afgedragen, is – mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan – onvoldoende onderbouwd. Tussen partijen staat vast dat Mploy [gedaagde] heeft benaderd (en niet andersom) en dat vervolgens ING [gedaagde] rechtstreeks, zonder tussenkomst van Mploy, heeft benaderd (en niet andersom). Zelfs al zou sprake zijn van enige mate van profiteren van [gedaagde] van de inspanningen van Mploy, dan leidt dat in de gegeven omstandigheden – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – niet tot de conclusie dat daarmee sprake is van onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens Mploy. Gesteld noch gebleken is dat het ING niet vrijstond om rechtstreeks contact op te nemen met [gedaagde] . Tijdens de mondelinge behandeling is door Mploy desgevraagd verklaard dat zij niet met [gedaagde] en ook niet met ING is overeengekomen dat, indien de opdracht met tussenkomst van Mploy niet door zou gaan, aan haar een vergoeding – bijvoorbeeld een vergoeding van de onderhandelingskosten of een forfaitaire vergoeding – zou moeten worden betaald.

4.12.

Slotsom is dat de vorderingen van Mploy bij gebrek aan grondslag worden afgewezen.

4.13.

Mploy zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De door [gedaagde] gevorderde integrale kosten van de procedure (waaronder de kosten van rechtsbijstand ad € 7.263,00 p.m.) zullen worden afgewezen, nu een volledige vergoedingsplicht ter zake van proceskosten slechts aan de orde is in ‘buitengewone omstandigheden’, die door [gedaagde] niet zijn gesteld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden daarom overeenkomstig het liquidatietarief begroot op:

- griffierecht € 937,00

- salaris advocaat € 1.442,00 (2,0 punten × tarief € 721,00)

Totaal € 2.379,00

4.14.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de in de beslissing vermelde termijn. De kostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, nu de vordering daartoe is gegrond op de wet en Mploy haar niet heeft bestreden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Mploy in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.379,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2021.

3242/1977/1573