Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3285

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-02-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
C/10/610996 / KG ZA 21-5
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Medewerking verdeling/verkoop voormalige echtelijke woning aan één van de gewezen echtgenoten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/610996 / KG ZA 21-5

Vonnis in kort geding van 17 februari 2021

in de zaak van

[naam eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. R.J. Sparreboom te Spijkenisse,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. S. Kara te Rotterdam.

Partijen worden hierna [naam eiseres] en [naam gedaagde] genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 7 januari 2021, met producties 1 tot en met 4

  • -

    de toevoeging van [naam eiseres]

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 8

  • -

    de toevoeging van [naam gedaagde]

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 3 februari 2021

  • -

    de door [naam gedaagde] ter zitting overgelegde mail van de notaris van 2 februari 2021 met een concept akte van verdeling van de Woning.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Partijen zijn op 27 augustus 2010 in gemeenschap van goederen gehuwd. De echtscheiding is bij beschikking van deze rechtbank van 22 maart 2017 uitgesproken. Die beschikking is op 14 augustus 2017 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Partijen zijn in totaal 15 jaar bij elkaar geweest. Zij hebben twee minderjarige kinderen, [naam kind 1] en [naam kind 2]. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij [naam eiseres]. Tussen [naam gedaagde] en de kinderen bestaat een omgangsregeling.

2.2.

Tijdens hun huwelijk hebben partijen de woning gelegen aan de [adres] (hierna: de Woning) in gezamenlijke eigendom verkregen. Op de Woning rust een door partijen afgesloten hypotheek. Aan die hypotheek is een polis van leveringsverzekering gekoppeld. Bij de echtscheidingsbeschikking van 22 maart 2017 is, overeenkomstig de tussen partijen destijds hierover bereikte overeenstemming, de (wijze van) verdeling van (o.a.) de Woning, de hypotheek en de polis van levensverzekering vastgesteld.

2.3.

Sinds het uiteengaan van partijen verblijft [naam gedaagde] alleen in de Woning. Hij voldoet alle lasten verbonden aan de Woning. [naam eiseres] huurt een woning in Spijkenisse.

2.4.

Bij brief van 10 november 2020 heeft [naam eiseres] [naam gedaagde] verzocht en gesommeerd om zijn medewerking aan de verkoop van de Woning te verlenen. Naar aanleiding hiervan is tussen (de raadslieden van) partijen contact geweest over het beëindigen van de onverdeeldheid van de Woning. Dit contact heeft in elk geval voor [naam eiseres] niet het door haar gewenste resultaat opgeleverd; zij heeft daarop dit kort geding aanhangig gemaakt.

3. Het geschil in conventie

3.1.

[naam eiseres] vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. haar (primair) te machtigen tot het te gelde maken van de Woning met tevens machtiging aan haar om alles te doen en te laten wat noodzakelijk is voor de verkoop van de Woning, althans te bepalen dat het ten deze te wijzen vonnis in de plaats komt van de voor de verkoop, eigendomsoverdracht en levering van de Woning noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [naam gedaagde];

  2. (subsidiair) [naam gedaagde] te veroordelen, althans te gebieden, gaaf en onvoorwaardelijk zijn medewerking te verlenen aan de verkoop, eigendomsoverdracht en levering aan derden van de Woning, een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag voor elke dag dat [naam gedaagde] in gebreke blijft aan het ten deze te wijzen vonnis te voldoen;

  3. met veroordeling van [naam gedaagde] in de kosten van dit geding.

3.2.

[naam gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1.

[naam eiser] vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [naam verweerster] te veroordelen, althans te gebieden, alle benodigde medewerking te verlenen aan het overnemen door hem van de op de Woning rustende hypothecaire schuld en de daaraan gekoppelde polis van levensverzekering en eveneens aan levering van haar deel in de eigendom van de Woning aan hem, zulks op straffe van een door [naam verweerster] aan [naam eiser] te betalen direct opeisbare dwangsom van € 500,00 voor elke dag of een gedeelte daarvan dat [naam verweerster] in gebreke blijft aan het ten deze te wijzen vonnis te voldoen, met een maximum van € 10.000,00;

  2. indien [naam verweerster] niet op eerste verzoek van [naam eiser] haar benodigde medewerking verleent, te bepalen dat aan [naam eiser] vervangende toestemming wordt verleend om de hypothecaire schuld en de daaraan gekoppelde polis van levensverzekering rustend op de Woning over te nemen op zijn naam en eveneens te bepalen dat aan hem vervangende toestemming wordt verleend voor levering aan hem van het eigendomsdeel van [naam verweerster] in de Woning;

  3. te bepalen dat het ten deze te wijzen vonnis in de plaats komt van de toestemming en/of wilsverklaring van [naam verweerster], alsmede dat het vonnis voor de levering van het eigendomsdeel van [naam verweerster] in de Woning aan [naam eiser] in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [naam verweerster];

  4. [naam verweerster] te veroordelen in de kosten van de procedure.

4.2.

[naam verweerster] voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

5.1.

De vorderingen in conventie en in reconventie zijn naar hun aard spoedeisend. Van een deelgenoot kan immers niet worden verlangd dat hij of zij tegen zijn of haar zin in een (feitelijke) onverdeeldheid (van, in dit geval, de Woning) blijft zitten. Bovendien is gegeven dat [naam eiseres] nog steeds hoofdelijk aansprakelijk gehouden kan worden voor de op de Woning rustende hypothecaire schuld. Het is van evident belang dat de juridische situatie met betrekking tot de Woning, de hypotheek en de levensverzekering in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie.

5.2.

Op grond van artikel 3:185 lid 1 BW heeft deze rechtbank bij echtscheidingsbeschikking van 22 maart 2017 de verdeling van de Woning, de hypotheek en de levensverzekering vastgesteld.

In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de Woning en de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering aan [naam gedaagde] moet worden toebedeeld en dat [naam gedaagde] de hypothecaire schuld voor zijn rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen, onder ontslag van [naam eiseres] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. [naam gedaagde] heeft onbetwist gesteld dat de toedeling aan hem zonder verrekening van de onder- of overwaarde van de Woning met [naam eiseres] zo is bepaald omdat hij de huwelijkse schulden van partijen heeft voldaan (zie ook overweging 2.6.7 in de echtscheidingsbeschikking).

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen [naam gedaagde] het ontslag dient te hebben gerealiseerd bepaald op zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De beschikking is op 14 augustus 2017 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zodat het ontslag uiterlijk op 14 januari 2018 moest zijn gerealiseerd. Dit is niet gebeurd.

Niet in geschil is dat [naam gedaagde] binnen die termijn serieuze pogingen heeft ondernomen om de verdeling en het ontslag te effectueren. Evenmin in geschil is dat [naam eiseres] in die periode, ondanks meerdere verzoeken van de hypotheekbank daartoe en haar toezegging om mee te werken, niet heeft gereageerd op de vraag van de hypotheekbank om financiële stukken te overleggen. Dit nalaten van [naam eiseres] heeft [naam gedaagde] gestaafd met de door hem overgelegde producties 1 tot en met 5. Aannemelijk is dat die stukken in het kader van de medewerking van [naam eiseres] aan de toedeling van de Woning aan [naam gedaagde] en haar ontslag uit de hoofdelijkheid nodig waren. Dat [naam eiseres] die noodzaak nu betwijfelt, vat de voorzieningenrechter op als een tardief gelegenheidsverweer. Vervolgens is het tussen partijen tot 9 november 2020 feitelijk stil gebleven. Pas daarna is, op initiatief van [naam eiseres], een nieuwe impuls aan de kwestie gegeven. [naam eiseres] is van mening dat enkel door toedoen van [naam gedaagde] de verdeling en het ontslag van haar uit de hoofdelijke aansprakelijkheid niet tijdig en dus in strijd met de echtscheidingsbeschikking is gerealiseerd. Volgens [naam eiseres] is nu, zoals in de echtscheidingsbeschikking is bepaald, de verkoop en levering van de Woning aan derden en de verdeling van de overwaarde tussen partijen aan de orde. [naam eiseres] is alleen dan bereid om alsnog haar medewerking te verlenen aan de toedeling van de Woning aan [naam gedaagde], als zij de helft van de overwaarde van de Woning uitgekeerd krijgt.

De voorzieningenrechter volgt [naam eiseres] hierin niet. Het was [naam eiseres] die als eerste niet aan de verdeling heeft meegewerkt. Op grond van de processtukken en het verhandelde ter zitting is aannemelijk dat [naam gedaagde] zich in die periode actief heeft ingespannen om tot overdracht van de Woning aan hem te komen. Aan de zijde van [naam gedaagde] was geen sprake van een weigerachtige houding. Niet gebleken is dat [naam gedaagde] het vertrouwen van [naam eiseres] heeft beschaamd door geen gevolg aan de echtscheidingsbeschikking te geven. Uit de omstandigheid dat [naam gedaagde] steeds alle lasten van de Woning zonder problemen heeft voldaan, kan dit ook worden afgeleid. Van een gewichtige reden als bedoeld in artikel 3:174 lid 1 BW is dus geen sprake.

Wat er verder zij van het stilzitten van beide partijen in de periode van januari 2018 tot november 2020, gebleken is dat [naam gedaagde] inmiddels hernieuwde serieuze pogingen heeft ondernomen om (o.a.) de Woning toebedeeld te krijgen en daartoe de hypotheekbank aan zijn zijde heeft (productie 6 van [naam gedaagde]). De notaris heeft een conceptakte van verdeling opgesteld en, zo begrijpt de voorzieningenrechter, feitelijk staat alles in de startblokken voor effectuering van de overdracht en het ontslag. Aannemelijk is dat [naam gedaagde] de toebedeling binnen redelijke termijn gerealiseerd zal hebben.

Ter zitting heeft [naam gedaagde] nog te kennen gegeven dat de hoogte van de hypotheek (spaarpolis) nog steeds ongeveer € 200.000,00 is en dat de Woning op 7 januari 2021 door van Van Gool Taxaties is getaxeerd op een waarde van € 248.000,00. Deze taxatie is door de hypotheekbank geaccordeerd, aldus [naam gedaagde].

Bij deze stand van zaken ligt het voor de hand dat de vorderingen in reconventie worden toegewezen, met uitzondering van de gevorderde dwangsom, en dat de vorderingen in conventie van [naam eiseres] strekkende tot verkoop en levering van de Woning aan derden worden afgewezen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om naast de toewijzing van de gevraagde machtiging en indeplaatsstelling ook het indirecte executiemiddel van de dwangsom ten laste van [naam eiseres] op te leggen.

Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij speelt een rol dat de kinderen van partijen regelmatig bij [naam gedaagde] in de voormalige echtelijke woning verblijven en het behoud van die Woning, gelet op de geschiedenis van hun gezin daar in gelukkiger tijden, mede in hun belang is. Bovendien lijkt de wens van [naam eiseres] om te verkopen aan derden enkel te zijn ingegeven op financiële gronden. De echtscheidingsbeschikking is evenwel duidelijk: verdeling van de eventuele onder- of overwaarde is niet aan de orde bij de nu een op handen zijnde toedeling van de Woning aan [naam gedaagde].

5.3.

Gelet op de gewezen huwelijkse relatie tussen partijen worden in conventie en in reconventie de proceskosten tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet, anders dan [naam gedaagde], vooralsnog geen aanleiding om van de tussen gewezen echtgenoten gebruikelijk gehanteerde proceskostencompensatie af te wijken.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in reconventie

6.3.

veroordeelt [naam verweerster] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis alle benodigde medewerking te verlenen aan het overnemen door [naam eiser] van de op de Woning rustende hypothecaire schuld en de daaraan gekoppelde polis van levensverzekering en eveneens aan levering van haar deel in de eigendom van de Woning aan [naam eiser],

6.4.

bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [naam verweerster] nodig voor de overname door [naam eiser] van de op de Woning rustende hypothecaire schuld en de daaraan gekoppelde polis van levensverzekering, als ook voor de levering van het eigendomsdeel van [naam verweerster] in de Woning aan [naam eiser], zulks in het geval [naam verweerster] weigert aan de veroordeling onder 6.3. haar medewerking te verlenen,

6.5.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.6.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2021.1734/1573