Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3282

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-02-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
C/10/611548 / KG ZA 21-36
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Geschil tussen gewezen partners. Gebruik woning. Hoofdverblijf minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/611548 / KG ZA 21-36

Vonnis in kort geding van 17 februari 2021

in de zaak van

[persoon A] ,

wonende te [woonplaats A] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.W. Prinsen te Ridderkerk,

tegen

[persoon B] ,

wonende te [woonplaats B] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J.F. van Duin te Ridderkerk.

Partijen worden hierna [persoon A] en [persoon B] genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 25 januari 2021 met producties I tot en met III

  • -

    de toevoeging van [persoon A]

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 3 februari 2021

  • -

    de pleitnota van [persoon A]

  • -

    de ter zitting overhandigde ongenummerde producties van [persoon A] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

In augustus 2014 hebben partijen een affectieve relatie gekregen. Partijen zijn in januari 2016 gaan samenwonen in de door [persoon A] sinds 13 april 2015 van de stichting Woonvisie gehuurde woning aan de [adres] , [postcode] Ridderkerk (hierna: de Woning). Partijen hebben geen afspraken geformaliseerd over hun samenwoning.

2.2.

[persoon B] werkte als vrachtwagenchauffeur. Hij heeft in oktober 2015 een ernstig verkeersongeval gehad. Als gevolg daarvan is hij voor 63% arbeidsongeschikt geraakt. Hij ontvangt op dit moment een WIA-uitkering. In verband met het ongeval heeft hij een verzekeringsuitkering van in totaal € 175.000,00 ontvangen. [persoon A] ontvangt op dit moment een WW-uitkering en zit in een re-integratie traject.

2.3.

Partijen zijn op 13 april 2018 ouders geworden van [naam kind] (hierna: [naam kind] ). [persoon B] heeft [naam kind] erkend. Partijen oefenen het gezag over [naam kind] gezamenlijk uit. [persoon A] heeft uit een eerdere relatie een zoon van bijna zestien, [naam zoon] . [naam zoon] woont op dit moment bij de vader van [persoon A] .

2.4.

In november 2020 is de relatie tussen partijen geëindigd. [persoon A] heeft daarop de Woning verlaten en haar intrek genomen bij een vriendin, mevrouw [persoon C] te Zwijndrecht (hierna: [persoon C] ). [persoon A] woont met [naam kind] op een klein kamertje in de driekamerflat van [persoon C] . [persoon A] betaalt daarvoor een wisselende vergoeding, afhankelijk van wat zij maandelijks overhoudt. [persoon C] , die op leeftijd is, heeft verklaard dat zij niet langer aan [persoon A] en [naam kind] onderdak kan bieden.

2.5.

[persoon B] verblijft op dit moment in de Woning. Bij brief van 15 december 2020 heeft [persoon A] [persoon B] verzocht, en voor zover nodig gesommeerd, om de Woning te verlaten. [persoon B] weigert dit. De kosten van de Woning worden door partijen op dit moment naar rato gedragen.

2.6.

Partijen hebben sinds het einde van hun relatie de zorg voor [naam kind] in onderling overleg verdeeld.

3. Het geschil in conventie

3.1.

[persoon A] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat zij bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de Woning, zulks zonder verplicht te zijn [persoon B] aldaar bij zich te ontvangen, en ook te bepalen dat zij gemachtigd is om dit vonnis zo nodig te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie en politie, kosten rechtens.

3.2.

[persoon B] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1.

[persoon B] vordert om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te bepalen dat [naam kind] zijn woon- en verblijfplaats bij [persoon B] zal hebben;

  2. te bepalen dat [persoon B] bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de Woning gedurende een periode van zes maanden, althans zoveel maanden als de voorzieningenrechter in goede justitie behoort vast te stellen;

  3. kosten rechtens.

4.2.

[persoon A] voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

5.1.

Over en weer hebben partijen verzocht het uitsluitend gebruik van de Woning aan haar/hem toe te kennen. Daarnaast heeft [persoon B] in reconventie gevraagd te bepalen dat [naam kind] zijn hoofdverblijf bij hem zal hebben. Deze vorderingen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

5.2.

De Woning

Niet ter discussie staat dat [persoon A] op 13 april 2015 met betrekking tot de Woning een huurovereenkomst heeft getekend en dat die huurovereenkomst alleen op haar naam staat. Evenmin is in geschil dat van medehuurderschap van [persoon B] geen sprake is.

Dat [persoon A] , na het geëindigd zijn van de relatie tussen partijen, ter voorkoming van spanning en escalatie, de Woning met [naam kind] heeft verlaten, maakt niet dat zij haar huurrechten heeft prijsgegeven. [persoon B] stelt ter zitting dat partijen onderling de afspraak hebben gemaakt dat hij, vanwege beweerdelijke investeringen die hij in de Woning heeft gedaan van ongeveer € 40.000,00, met uitsluiting van [persoon A] gerechtigd is tot het gebruik van die woning, maar deze stelling heeft hij niet met stukken onderbouwd. [persoon A] heeft het bestaan van een dergelijke afspraak betwist, terwijl van de benodigde betrokkenheid van de verhuurder bij de effectuering van een (blijvende) wijziging in de persoon van de huurder evenmin is gebleken. Daarmee is de stelling van [persoon B] niet aannemelijk.

Uit de verklaring van [persoon C] die [persoon A] ter zitting heeft overgelegd blijkt dat [persoon C] de inwoning van [persoon A] en [naam kind] niet langer wenst te laten voortduren. Anders dan [persoon B] meent, ziet de voorzieningenrechter geen reden om aan de juistheid van die verklaring te twijfelen. Mede daarom wordt aangenomen dat [persoon A] die tijdelijke inwoning bij [persoon C] op korte termijn dient te beëindigen.

Gelet op de positie van [persoon A] als huurder van de Woning, waarvan zij de huur - naar eigen zeggen - zelfstandig kan voldoen, na aanvraag en ontvangst van toeslagen, ligt het voor de hand, ook na afweging van de belangen van beide partijen, dat [persoon A] mag terugkeren in de Woning. Daarbij speelt mede een rol dat [naam kind] , in plaats van een kleine kamer en een bed met zijn moeder te moeten delen, in de Woning over zijn eigen kamer en bed beschikt en dat de peuterspeelzaal van [naam kind] in de nabije omgeving van de Woning is. Daarnaast biedt de terugkeer van [persoon A] in de Woning haar de gelegenheid om haar oudste zoon weer zijn intrek bij haar en [naam kind] te laten nemen. [persoon B] is actief bezig met het zoeken naar andere woonruimte - bij voorkeur een koopwoning -, waartoe hij - anders dan [persoon A] - de financiële middelen ter beschikking heeft. Dat zijn zoektocht naar andere woonruimte, eventueel met een medische urgentie, eerder succesvol zal zijn dan een zoektocht van [persoon A] is voorshands aannemelijk.

5.3.

Het uitsluitend gebruik van de Woning wordt daarom aan [persoon A] toegewezen en niet - tijdelijk - aan [persoon B] . De voorzieningenrechter acht het redelijk om aan [persoon B] een termijn van twee weken na betekening van dit vonnis te gunnen om de Woning te verlaten. Voor een machtiging om de tenuitvoerlegging van het vonnis met behulp van de sterke arm te bewerkstelligen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. Het deel van de conventionele vordering waarin [persoon A] vraagt te bepalen dat zij niet verplicht zal zijn [persoon B] in de Woning te ontvangen wordt afgewezen. De voorzieningenrechter ziet hiervoor geen aanleiding en in het kader van een soepele overdracht tussen partijen van de zorg over [naam kind] wordt dit ook niet in het belang van [naam kind] geacht.

Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat partijen in staat worden geacht om de discussie over de financiële afwikkeling van hun relatie en de vraag aan wie van hen de zich in de Woning bevindende inboedel toebehoort in onderling overleg te beslechten dan wel die discussie in het belang van [naam kind] te laten rusten totdat daarover in een bodemprocedure duidelijkheid is verkregen.

5.4.

De voorlopige toevertrouwing van [naam kind]

In scheidingszaken kan ieder van de echtgenoten de rechter op grond van artikel

822 lid 1 sub c Rv verzoeken om een minderjarig kind voor de duur van het geding aan hem

of haar toe te vertrouwen. Artikel 822 lid 1 sub c Rv is op de rechtsverhouding tussen partijen evenwel niet van toepassing. Partijen zijn niet gehuwd en tussen hen loopt geen scheidingszaak. Dit neemt echter niet weg dat [persoon B] naar het oordeel van de voorzieningenrechter belang zou kunnen hebben bij zijn vordering onder 4.1 sub 1 die wordt opgevat als een vordering tot voorlopige toevertrouwing van [naam kind] aan hem.

5.5.

Uit het verhandelde ter zitting kan worden afgeleid dat partijen de zorg voor [naam kind] ongeveer gelijk hebben verdeeld (in onderling overleg afwisselend per week ongeveer vier om drie dagen) en dat die regeling loopt. Van een feitelijke hoofdverzorger is geen sprake. In het kader van de door [persoon B] gevraagde wijziging in deze bestaande feitelijke zorgsituatie overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

5.6.

Het is de verantwoordelijkheid van partijen om, in het belang van [naam kind] , aan hem structuur en veiligheid te bieden.

5.6.1.

Dit kan onder meer worden bereikt door [naam kind] in een vertrouwde woonomgeving te laten verblijven. Aannemelijk is dat dit, voor wat betreft de situatie bij zijn moeder, kan worden gerealiseerd door de terugkeer van [persoon A] in de voor haar betaalbaar gebleken Woning, met bovendien de peuterspeelzaal van [naam kind] in de buurt. [persoon B] kan de stabiliteit voor [naam kind] waarborgen door - spoedig - de door hem gestelde financiële mogelijkheden te benutten voor het vinden van een huur-/koopwoning.

5.6.2.

Voor het bieden van structuur en veiligheid aan [naam kind] is voorts van belang dat sprake is van stabiliteit in de persoonlijke situatie van ieder van partijen.

Gebleken is dat [persoon A] last heeft van depressies, waarvoor zij medicijnen gebruikt die volgens haar effect hebben. Zij is voorts onder therapeutische behandeling. Bij de voorzieningenrechter is hierdoor en gelet op de presentatie van [persoon A] ter zitting de indruk ontstaan dat [persoon A] aan haar psychische gezondheid werkt. Een positieve impuls daarvoor is ook dat het contact met haar oudste zoon is verbeterd. Het verwijt van [persoon B] dat actueel is dat [persoon A] wisselende relaties heeft en drugs gebruikt, heeft [persoon A] ontkend. Ter zitting is slechts aan de orde gekomen dat beide partijen, en niet alleen [persoon A] , actief zijn op dating sites. Dat de situatie voor [naam kind] bij [persoon A] , o.a. hierom, minder veilig zou zijn, wat [persoon B] met zijn stelling lijkt te insinueren, is daarmee niet aannemelijk.

Daartegenover staat dat [persoon B] als gevolg van een ernstig ongeval arbeidsongeschikt is geraakt. Hoewel [persoon B] onbetwist stelt dat de lichamelijke gevolgen van het ongeval de dagelijkse verzorging van [naam kind] niet in de weg staat, heeft hij de stelling van [persoon A] dat hij sinds het ongeval last heeft van stemmingswisselingen en een kort lontje niet concreet betwist.

5.7.

Dit alles in aanmerking nemende ziet de voorzieningenrechter op dit moment geen aanleiding om de bestaande situatie te veranderen en de zorg van [naam kind] voorlopig aan [persoon B] toe te vertrouwen. De vraag bij wie [naam kind] zijn hoofdverblijf dient te hebben kan in een bodemprocedure aan de rechtbank worden voorgelegd. In een dergelijke procedure is, anders dan in dit kort geding, bijvoorbeeld ruimte voor een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. De voorzieningenrechter wijst partijen er echter op dat, als zij in staat zijn in onderling overleg afspraken over [naam kind] te maken, [naam kind] en zijzelf daarmee het meeste zijn gebaat.

5.8.

Gelet op de relatie tussen partijen worden de proceskosten in conventie en in reconventie tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1.

bepaalt dat [persoon A] met ingang van twee weken na de betekening van dit vonnis gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de Woning en dat [persoon B] de Woning dan moet hebben verlaten,

6.2.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.4.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

6.5.

wijst de vorderingen af,

6.6.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2021.1734/1573