Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3270

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-04-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
C/10/614892 / KG ZA 21-191
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Meewerken verkoop woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/614892 / KG ZA 21-191

Vonnis in kort geding van 9 april 2021

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser],

eiser,

advocaat mr. G. Maas-Looijen te Den Haag,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

advocaat mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam.

Partijen worden hierna [naam eiser] en [naam gedaagde] genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 18 maart 2021 met producties 1 tot en met 16

  • -

    de conclusie van antwoord met productie 1

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 26 maart 2021.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan het [adres] (hierna: de Woning). Op de Woning rust een door partijen afgesloten hypotheek. Aan die hypotheek is een polis van leveringsverzekering gekoppeld.

2.2.

Partijen zijn op 2 september 2005, nadat zij eigenaar waren geworden van de Woning, gehuwd. Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren. Bij beschikking van 20 mei 2019 heeft deze rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Van de beschikking maakte deel uit het daaraan gehechte ouderschapsplan. Op 26 juni 2019 is de beschikking ingeschreven in de openbare registers.

2.3.

Op 2 april 2019 hebben partijen een convenant (hierna: het Convenant) gesloten. In het Convenant is, voor zover relevant, het volgende vermeld:

“(…)

Artikel 3, boedelscheiding

(…)

3. Vooralsnog zal onverdeeld blijven de echtelijke woning, staande en gelegen aan de [adres] (hierna de woning) met de daaraan verbonden hypothecaire schuld en de polis van levensverzekering. Tot aan de verkoop blijft de vrouw de woning bewonen, overeenkomstig de eerder gemaakte afspraken. Bij vertrek uit de woning zal de vrouw opkomen voor eindafrekeningen van nutsvoorzieningen, ook al mocht de aansluitingsovereenkomst nog op naam van de man staan.

(…)

Artikel 4, woning

  1. Partijen komen overeen dat de echtelijke woning zal worden verkocht. Partijen zullen makelaar [naam makelaar] te Rotterdam opdracht verlenen de woning te verkopen. Beide partijen zullen binnen één maand na ondertekening van dit convenant medewerking verlenen aan de verkoop van de woning, met inachtneming van de navolgende randvoorwaarden.

  2. De woning zal worden verkocht in de huidige stand, zonder doorvoer van reparaties of andere investeringen.

  3. In alle gevallen mag de vrouw verlangen dat tussen de datum van de acceptatie van een bod voor een koopprijs en de datum van levering (en dus vertrek van de vrouw uit de woning) ten minste 3 maanden zijn gelegen.

  4. Partijen gaan uit van een initiële vraagprijs van € 360.000 tot € 365.000 k.k.

  5. Partijen kunnen van elkaar verlangen dat ingestemd wordt met een verkoopprijs (bod) van € 350.000 of hoger k.k.

  6. Partijen zullen overigens de aanwijzingen van de makelaar (over onder meer de vraagprijs) volgen, tenzij zij overeenstemming hebben om dat niet te doen, of indien dit voorstel apert onredelijk is voor de ene of de andere partij.

  7. Na levering van de woning zullen partijen de netto-opbrengst (koopprijs + uitkering uit de polis levensverzekering -/- hypothecair krediet -/- makelaarskosten) bij helfte delen.

(…)”.

2.4.

Tot op heden verloopt het verkoopproces van de Woning moeizaam. Vanwege de houding van [naam gedaagde] heeft de in het Convenant genoemde makelaar, [naam makelaar], eind 2019 de aanvaarding van de verkoopopdracht ingetrokken. De Woning is nog immer niet verkocht of verdeeld.

2.5.

[naam eiser] werkt op dit moment fulltime. Hij bewoont met zijn huidige partner een huurwoning. Hij voldoet de hypotheeklasten en de aflossing/premie van de levensverzekering verbonden aan de Woning.

2.6.

[naam gedaagde] woont met de drie kinderen van partijen in de Woning. Zij heeft geen inkomsten uit arbeid. Zij staat bij de gemeente Rotterdam ingeschreven als woningzoekende. Zij heeft een urgentieverklaring aangevraagd, maar beschikt daarover (nog) niet.

3. Het geschil

3.1.

[naam eiser] vordert - overeenkomstig het petitum van de dagvaarding - om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op alle dagen en uren en onmiddellijk na betekening van dit vonnis:

  1. [naam gedaagde] te veroordelen haar onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het ver-strekken van een opdrachtbemiddeling aan een door [naam eiser] aan te wijzen makelaars-kantoor in Rotterdam, ter verkoop van de Woning, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat [naam gedaagde] na betekening van het vonnis hieraan niet meewerkt;

  2. [naam eiser] te machtigen tot het zelfstandig en derhalve buiten [naam gedaagde] om, verrichten van handelingen die kunnen leiden tot onderhandse verkoop van de Woning, waaronder, doch niet uitsluitend, te verstaan is het verstrekken van een verkoopopdracht aan de makelaar, het bepalen van de vraagprijs tezamen met de makelaar en het sluiten van de koopovereenkomst;

  3. [naam gedaagde] te veroordelen tot het onvoorwaardelijk opvolgen van schriftelijke aanwijzingen van de makelaar terzake van het verkoop klaarmaken van de Woning, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat [naam gedaagde] na betekening van het vonnis hieraan niet haar medewerking verleent;

  4. [naam gedaagde] te veroordelen tot meewerken aan verkoop van de Woning, in die zin dat zij toegang verschaft tot de Woning aan [naam eiser] tijdens bezichtigingen, de makelaar en geïnteresseerden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat [naam gedaagde] na betekening van het vonnis hieraan niet haar medewerking verleent;

  5. [naam gedaagde] te veroordelen mee te werken aan het opstellen en ondertekenen van een verkoopovereenkomst met betrekking tot de Woning tegen een door de makelaar reëel geachte verkoopprijs, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat [naam gedaagde] na betekening van het vonnis hieraan niet haar medewerking verleent;

  6. [naam gedaagde] te veroordelen haar medewerking te verlenen aan de levering van de gezamen-lijke woning aan een derde en te bepalen dat bij gebreke van een vrijwillige medewer-king door [naam gedaagde] het door de voorzieningenrechter in deze te wijzen vonnis in de plaats treedt van de tot levering bestemde notariële akte waarvoor toestemming van [naam gedaagde] is vereist, één en ander op grond van artikel 3:300 lid 2 jº 3:301 BW, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of een gedeelte daarvan met een maximum van € 50.000,00;

  7. te gelasten dat aan ieder van partijen toekomt de helft van de verkoopopbrengst, ver-minderd met de hypothecaire restschuld en de verkoopkosten waaronder de notaris-kosten c.q. makelaarskosten en vermeerderd met de waarde van de levensverzekering;

  8. [naam gedaagde] te veroordelen in de kosten (inclusief advocaatkosten) van deze procedure, en - voor het geval de (na)kosten niet binnen 14 dagen na vonnis worden voldaan - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

[naam gedaagde] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Partijen hebben ten aanzien van de verdeling en verkoop aan een derde van de Woning afspraken neergelegd in artikelen 3 en 4 van het Convenant. Bij de nakoming van die afspraken - waar het feitelijk in dit kort geding om draait - kan in beginsel worden aangenomen dat [naam eiser] voldoende spoedeisend belang heeft. Daarbij wordt het in zaken als deze gehanteerde uitgangspunt dat van een deelgenoot niet kan worden verlangd dat hij of zij tegen zijn of haar zin in een onverdeeldheid blijft in aanmerking genomen. Dat [naam eiser] volgens [naam gedaagde] lang heeft gewacht om een gerechtelijke procedure aanhangig te maken doet niet af aan het spoedeisend karakter van deze zaak.

4.2.

[naam eiser] kan dus, in rechte, nakoming van de afspraken vorderen. Dat doet hij echter slechts zeer ten dele. De enige door [naam eiser] ingestelde vordering die als, op dit moment relevante, uitvoering van het Convenant kan worden aangemerkt is de vordering zoals hiervoor onder 3.1 sub 4 weergegeven. Die vordering wordt toegewezen. Aannemelijk is immers dat [naam gedaagde], tegen de gemaakte afspraken in, feitelijk al geruime tijd weigert haar soepele en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het verkoopproces van de Woning aan een derde. Niet gebleken is dat de door toewijzing van de vordering onder 3.1 sub 4 getroffen belangen van [naam gedaagde] aanmerkelijk groter zijn dan de belangen van [naam eiser] die met (de aanzet tot) het finaliseren van de verdeling worden gediend. Dat [naam gedaagde] als gevolg van de voorgenomen verkoop van de onverdeelde Woning aan een derde moet uitkijken naar andere woonruimte met de drie kinderen van partijen geldt niet als een doorslaggevend belang aan haar kant. Haar vertrek uit de Woning is immers een voor haar voorzienbaar gevolg van de tussen partijen gemaakte afspraken in het Convenant, waarop zij al geruime tijd heeft kunnen anticiperen. Gelet op de door [naam gedaagde] gestelde problematiek van de kinderen ziet de voorzieningenrechter wel aanleiding om aan de veroordeling een termijn van één week na betekening te verbinden voor de voldoening daaraan. Zo kan [naam gedaagde] de kinderen voorbereiden op (o.a.) de bezichtigingen. De gevorderde dwangsom wordt beperkt en gemaximeerd.

4.3.

Het overigens door [naam eiser] gevorderde (3.1 sub 1 tot en met 7, behalve 4) staat haaks op de afspraken die partijen hebben neergelegd in het Convenant, dan wel is prematuur (3.1 sub 6). Dat er sprake is van zodanige wijziging in omstandigheden dat [naam eiser] in redelijkheid niet meer gebonden is aan deze afspraken is niet aannemelijk geworden. Uit de overgelegde correspondentie met de makelaar (die al van geruime tijd geleden dateert) valt op te maken dat deze blijkbaar niet op de hoogte was van die afspraken, bijvoorbeeld dat geen reparaties zouden worden uitgevoerd. Wellicht dienen partijen nieuwe afspraken te maken over de persoon van de makelaar. Van [naam gedaagde] mag, nog steeds, worden verwacht dat zij zich aan de afspraken houdt en dus meewerkt aan verkoop en dan de woning met de kinderen verlaat, hoewel zij ter zitting liet blijken daar niet voor te voelen. Dat standpunt is echter niet voldoende rechtvaardiging voor de huidige eis, die erop neerkomt dat [naam eiser] het gehele verkoopproces zonder inbreng van [naam gedaagde] kan voltooien. Bovendien zijn deze vorderingen te ruim, en daarmee onvoldoende bepaalbaar, geformuleerd. Dit leidt daarom tot afwijzing. Gelet hierop gaat de voorzieningenrechter voorbij aan de ter zitting door [naam eiser] mondeling opgeworpen eiswijziging. [naam eiser] heeft, zo begrijpt de voorzieningenrechter hem, de vordering onder 3.1 sub 2 willen wijzigen in die zin dat onder het verlenen van medewerking aan de makelaar ook het verlenen van medewerking aan taxatie door een taxateur dient te worden verstaan. [naam gedaagde] heeft tegen de eiswijziging bezwaar gemaakt. Dit bezwaar zal, met het oog op artikel 11.1 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie (geldend vanaf 1 februari 2021), worden gehonoreerd.

4.4.

[naam eiser] heeft niet onderbouwd waarom de beslissing uitvoerbaar moet worden

verklaard “op alle dagen en uren” (dus ook buiten kantooruren), zodat dit deel van zijn

vordering wordt afgewezen.

4.5.

[naam gedaagde] heeft nog aangevoerd dat zij rauwelijks is gedagvaard. Zij stelt in dat verband dat zij niet eerst een concept van de dagvaarding heeft ontvangen noch gevraagd is om verhinderdata voor de mondelinge behandeling in dit kort geding. Zij vraagt daarom om [naam eiser] te veroordelen in de kosten van dit kort geding.

Al zou dit verweer feitelijk juist zijn, dan kan dit [naam gedaagde] in de gegeven omstandigheden niet baten. In de stellingname van [naam gedaagde] ligt immers besloten dat zij feitelijk niet bereid was en is om vrijwillig volledig te voldoen aan dat wat partijen hebben afgesproken in artikel 3 en 4 van het Convenant. Daarvoor was dit kort geding nodig. Mede op grond hiervan komt de voorzieningenrechter tot de navolgende proceskostenveroordeling.

4.6.

De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding, mede gelet op overweging 4.5, om op dit moment af te wijken van de gebruikelijk tussen gewezen echtelieden te hanteren compensatie van kosten. Bovendien zijn partijen beiden als deels in het ongelijk te beschouwen. Nu de proceskosten worden gecompenseerd bestaat geen aanspraak op vergoeding van nakosten en wettelijke rente.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [naam gedaagde] om vanaf een termijn van één week na betekening van dit vonnis mee te werken aan verkoop van de Woning, in die zin dat zij toegang verschaft tot de Woning aan [naam eiser] tijdens bezichtigingen, de makelaar en geïnteresseerden,

5.2.

veroordeelt [naam gedaagde] om aan [naam eiser] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2021.1734/106