Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:324

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-01-2021
Datum publicatie
04-02-2021
Zaaknummer
8731018 CV EXPL 20-30436
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet. Huurachterstand inmiddels volledig ingelopen. Ontbinding en ontruiming worden alsnog afgewezen. Ontvangst 14-dagenbrief betwist. BIK onverschuldigd betaald. Toewijzing vordering in reconventie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8731018 CV EXPL 20-30436

uitspraak: 15 januari 2021

vonnis in verzet van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

1. [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats eiser 1] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats eiser 2] ,

eisers in conventie, gedaagden in verzet,

gedaagden in reconventie,

gemachtigde: [naam] te Rotterdam,

tegen

[gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde, eiseres in verzet,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. D.W.E. Urbanus te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser 1] en [eiser 2] ” respectievelijk “ [gedaagde 1] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het inleidend exploot van dagvaarding van 27 maart 2020;

  • -

    het verstekvonnis van 28 mei 2020;

  • -

    het verzetexploot van 24 augustus 2020 tevens houdende een eis in reconventie;

  • -

    de conclusie van antwoord in verzet tevens conclusie van antwoord in reconventie;

  • -

    de brief van 26 oktober 2020 van de gemachtigde van [gedaagde 1] , met bijlagen.

1.2

Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld bij brief van 3 november 2020, hebben [eiser 1] en [eiser 2] niet gereageerd op de bijlagen bij de brief van 26 oktober 2020.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis (nader) bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

[gedaagde 1] huurde met ingang van 1 augustus 2008 de woning gelegen aan de [adres] (hierna: de woning) van de rechtsvoorganger van [eiser 1] en [eiser 2] , die de woning met ingang van 2018 in eigendom hebben gekregen.

2.2

De huurprijs bedroeg laatstelijk € 429,70 per maand, door [gedaagde 1] bij vooruitbetaling te voldoen.

2.3

[gedaagde 1] heeft een huurachterstand laten ontstaan.

2.4

Bij onder zaaknummer 8434996 \ CV EXPL 20-10674 gewezen verstekvonnis van 28 mei 2020 werd de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woning ontbonden, werd [gedaagde 1] veroordeeld tot ontruiming van de woning en werd zij veroordeeld tot betaling aan [eiser 1] en [eiser 2] van € 2.049,23 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand februari 2020 (ad € 1.366,34), wettelijke rente (ad € 5,20) en buitengerechtelijke kosten (ad € 247,99) en € 429,70 huur voor de maand maart 2020, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 1.366,34 vanaf 1 maart 2020 tot de dag van algehele voldoening, alsmede tot betaling van de huurbedragen vanaf de maand april 2020 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt en tot betaling van € 516,89 aan proceskosten.

2.5

[eiser 1] en [eiser 2] hebben het verstekvonnis op 12 juni 2020 aan [gedaagde 1] doen betekenen en haar aangezegd de woning binnen veertien dagen nadien te ontruimen en bevel gedaan tot betaling van een bedrag van € 2.481,12.

2.6

Bij exploot van 12 augustus 2020 is de ontruiming aangezegd tegen 18 augustus 2020 om 11:30 uur.

2.7

Op of omstreeks 16 augustus 2020 heeft [gedaagde 1] een bedrag van € 2.481,12 aan de gemachtigde van [eiser 1] en [eiser 2] betaald.

2.8

Op 17 augustus 2020 heeft [gedaagde 1] in kort geding gevorderd de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis te verbieden dan wel te schorsen.

2.9

Bij vonnis van 18 augustus 2020 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam [eiser 1] en [eiser 2] verboden om de woning te ontruimen, op straffe van een eenmalige dwangsom van € 10.000,00, en bepaald dat dit verbod zijn werking verliest indien de lopende huur met ingang van 1 september 2020 niet steeds vóór de eerste dag van de betreffende maand wordt voldaan en het verzet niet binnen een week na dat vonnis aanhangig is gemaakt en/of indien deze procedure op enigerlei wijze wordt beëindigd.

3. Het geschil

in conventie

3.1

[eiser 1] en [eiser 2] hebben bij (oorspronkelijke) dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de tussen partijen bestaande huurovereenkomst te ontbinden, [gedaagde 1] te veroordelen de woning te ontruimen, [gedaagde 1] te veroordelen aan [eiser 1] en [eiser 2] te betalen een bedrag van € 2.049,33, vermeerderd met een bedrag van € 429,70 voor elke ingegane maand na maart 2020 tot de ontruiming, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 1.366,34 vanaf 1 maart 2020 tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde 1] in de proceskosten.

Aan de eis hebben [eiser 1] en [eiser 2] - naast de hiervoor weergegeven feiten en zakelijk weergegeven - ten grondslag gelegd dat [gedaagde 1] in gebreke is gebleven met de tijdige en volledige betaling van de verschuldigde huur en een huurachterstand heeft laten ontstaan die berekend tot en met de maand februari 2020 € 1.366,34 bedraagt. De huurachterstand rechtvaardigt ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. De verschuldigde rente, berekend vanaf de vervaldata tot 29 februari 2020, bedraagt € 5,20 en wordt eveneens gevorderd. Nu [gedaagde 1] ook na aanmaning heeft verzuimd de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] te voldoen, is zij tevens een vergoeding ad € 247,99 voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd aan [eiser 1] en [eiser 2] .

3.2

[gedaagde 1] heeft gevorderd haar te ontheffen van de bij voormeld verstekvonnis tegen haar uitgesproken veroordeling, dat verstekvonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] af te wijzen, met veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de kosten van het geding.

Daartoe heeft [gedaagde 1] - naast de hiervoor weergegeven feiten en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Er was sprake van een tekortkoming van dusdanig geringe aard, dat de ontbinding van de huurovereenkomst niet gerechtvaardigd was. [gedaagde 1] heeft de volledige huurachterstand inmiddels voldaan. In het kader van het kort geding heeft zij toegezegd de huur voortaan tijdig en volledig te zullen voldoen. Zij heeft hiertoe een automatische betaling ingesteld en heeft haar actuele contactgegevens aan de beheerder doorgegeven. Omdat de huurachterstand is ingelopen, hebben [eiser 1] en [eiser 2] geen belang meer bij de ontbinding van de huurovereenkomst terwijl de gevolgen daarvan voor [gedaagde 1] heel groot zijn.

in reconventie

3.3

[eiseres] heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te voldoen een bedrag ter hoogte van € 247,99 binnen zeven dagen na het te wijzen vonnis, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in de proceskosten.

Aan de eis heeft [eiseres] - naast de hiervoor weergegeven feiten en zakelijk weergegeven - ten grondslag gelegd dat zij geen buitengerechtelijke incassokosten was verschuldigd, nu de aanzegging daarvan niet op de bij de wet voorgeschreven wijze is gebeurd. [eiseres] heeft de buitengerechtelijke incassokosten voldaan op 16 augustus 2020 en heeft deze dus onverschuldigd betaald in de zin van artikel 6:203 BW, zodat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gehouden zijn dit bedrag aan haar terug te betalen.

3.4

[gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben gemotiveerd verweer gevoerd, dat zich als volgt laat samenvatten. Het is zeer ongeloofwaardig dat [eiseres] de veertiendagenbrieven, sommaties, exploten en de dagvaarding niet heeft ontvangen, maar wel het exploot met betrekking tot de gedwongen ontruiming van 18 augustus 2020. Dat er één brievenbus is voor meerdere bewoners is geen uitzondering in Rotterdam. Uit de door [eiseres] overgelegde productie 7 blijkt juist dat de post door de bewoners netjes op de trap wordt gelegd als het niet voor de desbetreffende bewoner is. Nu aannemelijk is dat [eiseres] de sommaties en de veertiendagenbrieven wel heeft ontvangen, verzoeken [gedaagde 2] en [gedaagde 3] de kantonrechter om de eis in reconventie af te wijzen.

4. De beoordeling

in conventie

4.1

Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde 1] niet tijdig in verzet is gekomen van het verstekvonnis van 28 mei 2020, zodat zij in zoverre ontvankelijk is in haar verzet.

de achterstallige huur

4.2

In de inleidende dagvaarding hebben [eiser 1] en [eiser 2] gesteld dat de huurachterstand berekend tot en met de maand februari 2020 € 1.366,34 bedroeg, te weten drie maanden huur ad telkens € 429,70 plus een achterstand met betrekking tot de maand juli 2019 ad € 77,24. [gedaagde 1] heeft dit niet, althans niet gemotiveerd betwist.

4.3

[gedaagde 1] is in het verstekvonnis terecht veroordeeld tot betaling van de huurachterstand van € 1.366,34 berekend tot en met de maand februari 2020 en van de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over dat bedrag, vanaf 1 maart 2020 tot de dag van algehele voldoening. De kantonrechter zal het verstekvonnis op deze punten bekrachtigen.

de buitengerechtelijke incassokosten

4.4

Omdat [gedaagde 1] met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten een vordering in reconventie heeft ingesteld, zal de kantonrechter hetgeen partijen daarover hebben aangevoerd bespreken bij de beoordeling in reconventie.

de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde

4.5

Het uitgangspunt is dat ingevolge artikel 6:265 lid 1 BW iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Het (tijdig) betalen van huur is een van de essentiële verplichtingen voortvloeiende uit de huurovereenkomst. Aan deze verplichting heeft [gedaagde 1] niet voldaan.

4.6

De vraag is of de tekortkoming van [gedaagde 1] voldoende ernstig is om ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. Bij de beoordeling hiervan moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. In dat verband overweegt de kantonrechter als volgt.

4.6.1

[gedaagde 1] is tekortgeschoten in haar betalingsverplichtingen jegens [eiser 1] en [eiser 2] . De huurachterstand bedroeg ten tijde van de dagvaarding ruim drie maanden, hetgeen niet is aan te merken als een geringe achterstand. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat de tekortkoming van bijzondere aard is. De hoogte van deze huurachterstand rechtvaardigde daarom in beginsel de ontbinding van de huurovereenkomst.

4.6.2

Naar aanleiding van het verweer van [gedaagde 1] , dat de huurachterstand boven de grens van drie maanden is gekomen door toedoen van [eiser 1] en [eiser 2] (te weten door middel van de terugboeking van het bedrag ad € 412,78 op 25 juni 2019), hebben [eiser 1] en [eiser 2] gesteld dat dit bedrag hen nooit heeft bereikt, maar dat uit de mededelingen “maximale verwerkingstijd bereikt” en “not provided” van de bank bij de terugboeking moet worden afgeleid dat deze betaling niet kon worden uitgevoerd en dat dit meestal zo is omdat er geen saldo is binnen een bepaalde verwerkingstijd. Zij hebben daarmee het standpunt van [gedaagde 1] gemotiveerd betwist. [gedaagde 1] heeft hier niet meer op gereageerd. Haar verweer dient daarom als niet nader onderbouwd te worden verworpen. De omstandigheid, dat [gedaagde 1] de terugboeking naar gesteld niet heeft opgemerkt, komt bovendien voor haar rekening en risico.

4.6.3

Door betaling van [gedaagde 1] op of omstreeks 16 augustus 2020 is de huurachterstand echter volledig ingelopen. Verder is van belang dat de lopende huur met ingang van de maand september 2020 tijdig en volledig wordt betaald, zoals [gedaagde 1] in het kader van de procedure in kort geding heeft toegezegd en blijkt uit de door haar als productie 11 overgelegde betaalbewijzen. [eiser 1] en [eiser 2] hebben, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet op deze betaalbewijzen gereageerd. Al het voorgaande in aanmerking genomen, dient de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde naar het oordeel van de kantonrechter (alsnog) te worden afgewezen.

conclusie

4.7

Het voorgaande betekent dat het verstekvonnis voor wat betreft de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning niet in stand kan blijven. Dit vonnis zal in zoverre worden vernietigd en de kantonrechter zal opnieuw recht doen, zoals in de beslissing vermeld.

in reconventie

4.8

[gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben in de inleidende dagvaarding een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Die vordering moet beoordeeld worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. Op grond van artikel 6:96, zesde lid, BW is een consument niet eerder buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd dan nadat hem na het intreden van het verzuim een kosteloze aanmaning is gestuurd waarin hem een termijn van (tenminste) veertien dagen is aangezegd om alsnog tot betaling over te gaan én waarin hem de gevolgen van niet-betaling, inclusief het verschuldigde - juiste - bedrag aan vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, is medegedeeld. Met betrekking tot het standpunt van [eiseres] , dat zij geen buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd omdat zij nooit een veertiendagenbrief heeft ontvangen waarin die kosten zijn aangezegd en zij die kosten ad € 247,99 dus onverschuldigd heeft betaald, oordeelt de kantonrechter als volgt.

4.9

In de inleidende dagvaarding hebben [gedaagde 2] en [gedaagde 3] verwezen naar de veertiendagenbrieven van 16 januari 2020 (productie 4) en 4 februari 2020 (productie 5). Op grond van artikel 3:37 lid 3 BW moet een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als deze door hem is ontvangen. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2013:BZ4104) moet de afzender stellen en zo nodig bewijzen dat de verklaring is verzonden, dat het adres een adres is ‘waarvan de afzender redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt’ en dat de verklaring is aangekomen.

4.10

Nu [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zich beroepen op de rechtsgevolgen van hun stelling dat [eiseres] buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is omdat zij de huurachterstand niet binnen de in de veertiendagenbrieven gestelde termijn heeft betaald, rusten op hen de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van de ontvangst van de veertiendagenbrieven door [eiseres] . Doordat [eiseres] de ontvangst van die brieven heeft betwist en door [gedaagde 2] en [eiser 2] niet is gesteld of gebleken is dat zij de veertiendagenbrieven, bijvoorbeeld, per aangetekende post hebben verzonden, kan niet worden vastgesteld dat deze daadwerkelijk door [eiseres] zijn ontvangen en dus aan het vereiste van artikel 3:37 lid 3 BW is voldaan. De gevolgen van hun keuze om de poststukken niet aangetekend te versturen dienen voor rekening en risico te komen van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . De stellingen van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , dat gedeelde brievenbussen gebruikelijk zijn in Rotterdam en dat uit de door [eiseres] overgelegde productie 7 juist blijkt dat de post door de bewoners netjes op de trap wordt gelegd als het niet voor de desbetreffende bewoner is, kunnen niet leiden tot een ander oordeel.

4.11

[gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben onvoldoende onderbouwd dat [eiseres] de veertiendagenbrieven heeft ontvangen. Om die reden is [eiseres] geen buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. De kantonrechter volgt [eiseres] daarom in haar standpunt dat zij het bedrag van € 247,99 aan buitengerechtelijke incassokosten onverschuldigd heeft betaald en dat [eiser 1] en [eiser 2] dit bedrag aan haar dienen terug te betalen.

in conventie en in reconventie

4.12

[eiser 1] en [eiser 2] worden als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure. Tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde 1] zullen de kosten worden vastgesteld op € 180,00 aan salaris voor de gemachtigde (1 punt ad € 180,00 per punt). De kosten van het uitbrengen van de verzetdagvaarding zullen echter op grond van het bepaalde in artikel 141 Rv voor rekening van [gedaagde 1] komen, omdat deze kosten een gevolg zijn van het feit dat zij in eerste instantie niet is verschenen. In reconventie worden de proceskosten aan de zijde van [gedaagde 1] begroot op nihil aan salaris voor de gemachtigde, nu gelet op de samenhang met de verzetprocedure de vordering in reconventie niet of nauwelijks tot extra werkzaamheden heeft geleid.

5. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

bekrachtigt het op 28 mei 2020 met zaaknummer 8434996 \ CV EXPL 20-10674 tussen partijen gewezen verstekvonnis, voor zover [gedaagde 1] daarin is veroordeeld tot betaling van € 1.366,34 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand februari 2020, € 5,20 aan verschenen wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 1.366,34 en € 429,70 huur voor de maand maart 2020, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2020 tot de dag van algehele voldoening;

vernietigt het op 28 mei 2020 met zaaknummer 8434996 \ CV EXPL 20-10674 tussen partijen gewezen verstekvonnis voor het overige;

en opnieuw rechtdoende:

wijst de oorspronkelijke vordering van [eiser 1] en [eiser 2] tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning af;

in reconventie:

veroordeelt [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk - in die zin dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd - om aan [eiseres] tegen kwijting te betalen een bedrag van € 247,99;

in conventie en reconventie:

veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk - in die zin dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd - in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde 1] vastgesteld op € 180,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44478