Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3218

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
26-04-2021
Zaaknummer
ROT 21_1496
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Artikel 8:81 van de Awb, artikel 3:2 van de Awb, artikel 13b van de Opiumwet

Woningsluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet, zorgvuldig onderzoek, noodzaak, beleidsregel.

Verweerder heeft in dit concrete geval de noodzaak om de woning te sluiten onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Niet valt in te zien waarom verweerder in dit geval geen aanleiding heeft gezien te volstaan met een minder zware maatregel (in de vorm van een

waarschuwing). Toewijzen van het verzoek om voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 21/1496

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 april 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam verzoeker] , verzoeker,

[naam verzoekster] , verzoekster, en

[naam mede-verzoeker] , mede-verzoeker,

allen te [woonplaats verzoekers] ,

samen verzoekers,

gemachtigde: mr. I.A. Kamans,

en

de burgemeester van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. S.B.H. Fijneman.

Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoekers een last onder bestuursdwang opgelegd op grond van artikel 13b van de Opiumwet in de vorm van sluiting van de woning aan [naam straat 1] (de woning) voor de duur van zes maanden, ingaande zeven dagen direct na het uitreiken van het besluit.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Ook hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2021.

Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De woning is in eigendom van verzoeker. Verzoekers wonen in de woning. Verzoeker exploiteert sinds 15 augustus 1989 [naam coffeeshop] in Rotterdam.

2. In een politierapportage van 8 januari 2021 (hierna de rapportage) aan verweerder staat het volgende.

Op dinsdag 29 december 2020 traden politiemedewerkers de woning binnen in verband met een onderzoek naar verdovende middelen. Bij het zoekend rondkijken troffen de politiemedewerkers in één van de slaapkamers op de bovenste verdieping van de woning een grote hoeveelheid doorzichtige zakken aan met daarin de voor politiemedewerkers ambtshalve bekend henneptoppen. Tevens roken de politiemedewerkers in de gehele woning een sterke henneplucht. Bij doorzoeking van de woning onder leiding van een rechter-commissaris is het volgende aangetroffen:

In slaapkamer 1: in een zwart tasje in een garderobekast diverse rolletjes met bankbiljetten, welke waren opgerold en voorzien van een elastiekje.

In slaapkamer 2: in een kast op drie verschillende planken diverse blokken hasjiesj. Tevens bevond zich in deze kast een kluis waar 16 stapels met bankbiljetten. Verder werd een geldtelmachine aangetroffen.

In slaapkamer 3: in een garderobekast tussen de stapels opgevouwen kleding een stapel met bankbiljetten. Op de kast een toilettasje met daarin een stapel bankbiljetten.

In slaapkamer 4: in de linkerbinnenzak van een jas een stapel met bankbiljetten.

In de opslagkamer: in totaal 64 grote seal bags met henneptoppen, diverse plastic bakken met daarin henneptoppen, diverse bigshoppers en sporttassen.

In de woning werd in totaal 33 kg hennep, 7 kg hasj en € 144.000,- aan contanten aangetroffen.

3. Verweerder legt aan het bestreden besluit de rapportage ten grondslag.

Op 29 december 2020 is in de woning een handelshoeveelheid verdovende middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet aangetroffen en daarmee staat vast dat de verkoop, aflevering en/of verstrekking van de verdovende middelen heeft plaatsgevonden in de woning dan wel dat deze daartoe aanwezig zijn geweest.

Verweerder stelt dat de rapportage voldoende duidelijk is en dat die daarom als grondslag voor zijn besluit mag dienen. De aanwezigheid van de handelshoeveelheid betekent dat hij bevoegd is om de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten. Op grond van de Beleidslijn bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet (de beleidslijn) kan verweerder de woning sluiten voor de duur van zes maanden, maar beziet hij of er aanleiding is om te volstaan met een minder zware maatregel of waarschuwing. Verweerder meent dat hier sprake is van een ernstige situatie. De aanwezigheid van 40 kilogram drugs in de woning met het doel die in de coffeeshop te verkopen, in combinatie met de grote geldbedragen in contanten, maakt volgens verweerder dat de openbare orde ter plaatse onder druk staat. Dat is ook zo omdat de woning gelegen is in een wijk onder druk.

De omstandigheden van het geval – te weten dat de handelsvoorraad drugs bestemd is voor verzoekers coffeeshop, dat verzoekster en mede-verzoeker astmatisch zijn en (in relatie tot een mogelijke besmetting met Covid-19) tot een risicogroep behoren – vormen voor verweerder geen redenen om af te wijken van de beleidslijn.

4. Verzoekers kunnen zich niet met het bestreden besluit verenigen. Als eerste voeren zij aan dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voorbereid. Zo is er geen sprake van een deugdelijke feitenvaststelling omdat het onderzoek door het openbaar ministerie nog niet is afgerond. Verweerder had geen genoegen mogen nemen met een bestuurlijke rapportage waarin het strafrechtelijk onderzoek is gereduceerd tot vier pagina’s en het strafrechtelijk onderzoek op een eenzijdige en gebrekkige wijze is weergegeven. Dit zou voor verweerder al reden moeten zijn te concluderen dat niet is voldaan aan de op hem rustende plicht om alle relevante feiten te verzamelen.

Verder noemen verzoekers dat verzoeker al tientallen jaren probleemloos een coffeeshop in het centrum van Rotterdam exploiteert. In al die jaren hebben zich geen noemenswaardige problemen voorgedaan en was er geen aanleiding voor verweerder om bestuurlijke maatregelen te treffen. De aangetroffen cannabis in de woning is de voorraad voor de coffeeshop. Tot op de dag van vandaag is er nog geen oplossing voor de dagelijkse aanvoer van cannabisproducten naar de coffeeshop, gevolg van het zogenoemde achterdeurbeleid. In een coffeeshop wordt namelijk maar een voorraad van 500 gram gedoogd. Elke coffeeshophouder overtreedt dus elke dag bij de bevoorrading stelselmatig de Opiumwet. Verweerder motiveert op geen enkele wijze hoe hij deze feiten en omstandigheden heeft gewogen in zijn besluitvorming.

De in de woning aangetroffen cannabis is de externe exploitatievoorraad voor verzoekers coffeeshop. Het aangetroffen geldbedrag is cash geld van de onderneming. Aan de officier van justitie is om teruggave verzocht. Daarop is nog niet beslist. De enkele omstandigheid dat de wetgever niets heeft geregeld als het om ‘de achterdeur’ gaat, is geen vrijbrief voor verweerder om repressief op te treden door een sluiting van de woning voor maar liefst zes maanden.

Artikel 13b van de Opiumwet is vanaf het begin bedoeld voor zogenaamde drugspanden. Een drugspand is volgens de wetgeschiedenis een pand waarin drugs worden verkocht en/of gebruikt. Het doel van dat artikel is om overlast vanuit de woning door de handel in en/of het gebruik van drugs te beëindigen. Het artikel is bedoeld om op te treden tegen illegale verkooppunten en panden die een schakel vormen in de handel in drugs, niet tegen het door het OM gedoogde en door verweerder vergunde verkoop van drugs. Verzoekers menen dat verweerder in onvoldoende mate de bijzonderheden van het geval heeft meegewogen.

Verder volgt uit de bestuurlijke rapportage dat er geen enkele overlast met betrekking tot de woning bekend is en dat de openbare orde niet is geschonden. De bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet kon dan in alle redelijkheid niet worden toegepast. Niet valt in te zien hoe en op welke wijze het veiligheidsgevoel van omwonenden en passanten wordt bedreigd in de concrete zaak. Het bestreden besluit dient geen enkel redelijk doel. Verweerder had dienen te volstaan met een waarschuwing. Het gevaar voor herhaling is nihil, nu verzoeker voortaan de voorraad voor zijn coffeeshop niet meer in huis zal aanhouden.

De gevolgen van de woningsluiting zijn onevenredig enerzijds vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval en anderzijds gelet op de gedocumenteerde gezondheids-problematiek van verzoekster en mede-verzoeker.

Verzoekers hebben nog een verklaring van 25 maart 2021 van een buurman in het geding gebracht. Hij verklaart onder meer dat hij niet bekend is met overlast.

Tot slot hebben verzoekers zich op de zitting beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Zij hebben twee besluiten van verweerder in geding gebracht. In een vergelijkbaar geval ( [naam straat 2] ) heeft verweerder niet tot sluiting van de woning besloten maar heeft hij ‘een laatste waarschuwing, een zogenaamde gele kaart’ gegeven. Verzoekers vinden daarom dat verweerder met twee maten meet.

Spoedeisend belang

5. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.

6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet op de aard van de maatregel het spoedeisend belang voldoende aannemelijk is.

Beoordelingskader

7. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is verweerder bevoegd, voor zover van belang, tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Bevoegdheid

8. Tussen partijen is niet in geschil dat gelet op de aangetroffen handelshoeveelheid softdrugs sprake is van een overtreding en dat verweerder daarom bevoegd is de woning te sluiten.

Noodzaak

9. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding dient vervolgens te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde.

9.1.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet blijkt weliswaar dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan en moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel, maar dit moet worden beschouwd als een uitgangspunt waarvan in ernstige gevallen mag worden afgeweken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1362).

9.2.

Op grond van verweerders beleidslijn wordt na het voor de eerste maal aantreffen van drugs in een woning in beginsel besloten tot sluiting voor de duur van zes maanden, maar zal nadrukkelijk worden overwogen of kan worden volstaan met een waarschuwing, waarbij rekening wordt gehouden met alle omstandigheden van het geval. De Afdeling heeft een (materieel) vergelijkbaar beleid onder de vorige beleidsregel (Beleidsregel artikel 13b Opiumwet inzake een woning of lokaal 2011) niet onredelijk geacht (uitspraak van de Afdeling van 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3941). De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om hierover ten aanzien van het huidige beleid anders te oordelen.

9.3.

In zaken met betrekking tot woningsluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet laat verweerder zich adviseren door de politie. Ook in dit geval heeft de politie bij brief van 8 januari 2021 verweerder in overweging gegeven om op grond van artikel 13b van de Opiumwet bestuursdwang op te leggen met betrekking tot de woning. De brief is tevens de rapportage, die voor verweerder de grondslag vormt voor sluiting van de woning voor de duur van zes maanden. Mede in het licht van wat verzoekers hebben aangevoerd over het vereiste van een zorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit (op grond van het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb) is de voorzieningenrechter van oordeel dat het zaak is dat verweerder in dit concrete geval de noodzaak van de sluiting voldoende aannemelijk maakt. De voorzieningenrechter heeft ernstige twijfel of verweerder op basis van de rapportage meteen mocht overgaan tot sluiting van de woning. Uit de rapportage zelf blijkt niet wat de aanleiding is geweest voor het betreden van de woning door de politie op 29 december 2020. De voorzieningenrechter vindt daarvoor de enkele opmerking ‘vanwege een onderzoek naar verdovende middelen’ te algemeen en te weinig concreet. Verder blijkt uit de rapportage dat bij de politie geen overlast bekend is met betrekking tot de woning, waar verzoekers – onbetwist – al twintig jaar wonen. Ook is volgens de rapportage geen overlast bekend die in relatie staat tot de coffeeshop van verzoeker. In dit verband is relevant dat verzoeker de coffeeshop al sinds 1989 exploiteert. Feitelijke handel vanuit de woning is niet gesteld of gebleken. Er komen nooit leveranciers aan de woning, aldus verzoeker op de zitting. Hij bewaart de handelsvoorraad al zo’n tien jaar thuis. Verweerder heeft dit alles niet betwist. Gelet daarop kan niet zonder meer worden gezegd dat het gaat om een zogenaamd drugspand. Ook blijkt uit niets dat de woning een negatieve invloed heeft op de directe omgeving. Als de openbare orde niet zichtbaar is geschaad, moet verweerder zich afvragen of een maatregel die als doel heeft de aangetaste openbare orde en veiligheid te herstellen wel noodzakelijk is. Van belang daarbij is dat tussen partijen niet in geschil is dat de aangetroffen handelsvoorraad bedoeld is ter bevoorrading van verzoekers coffeeshop en dat het bekend is dat bij leveranties in contanten wordt afgerekend. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij als coffeeshophouder geen bankrekening kan openen, dat hij contant in- en verkoopt en dat hij daarom beschikte over een groot bedrag contant geld in de woning, waarvan het grootste deel in de kluis lag. Hij moest juist de volgende dag een leverantie betalen. Verweerder heeft dit alles niet betwist.

Alles overziende is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder de noodzaak de woning te sluiten onvoldoende heeft gemotiveerd. Niet valt in te zien waarom verweerder in dit geval geen aanleiding heeft gezien te volstaan met een minder zware maatregel (in de vorm van een waarschuwing). Overigens heeft verweerder in een ander geval, waarbij de handelsvoorraad werd bewaard in de boven die coffeeshop gelegen woning, volstaan met een (laatste) waarschuwing.

10. Al hierom al is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit in bezwaar naar verwachting niet in stand kan blijven, zodat het verzoek voor toewijzing in aanmerking komt. Gelet op de ingrijpende gevolgen die de sluiting van de woning met zich meebrengt ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek toe te wijzen in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoekers.

11. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de zij dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder voorts in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoekers;

- bepaalt dat verweerder aan verzoekers het betaalde griffierecht van € 181,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van

€ 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Bouter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

drs. S.R. Jonkergouw, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 13 april 2021.

de griffier en de voorzieningenrechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.