Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:3210

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
13-04-2021
Zaaknummer
10-204797-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling art. 6 WVW. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een verkeersongeval met een dodelijke afloop. Taakstraf 180 uren, subsidiair 90 dagen en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 1 jaar, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10-204797-19

Datum uitspraak: 1 april 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

verblijvende te: [verblijfadres verdachte] ( [land] ),

raadsman mr. M.B. Chylinska, advocaat te Haarlem.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 18 maart 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C.J. Kroon heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering (primair: artikel 6 WVW)

4.1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. De verdachte heeft, als bestuurder van een personenauto, een ogenblik niet goed opgelet en de bocht te krap genomen. Deze verkeersfouten zijn in dit geval onvoldoende voor een bewezenverklaring van aanzienlijke schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).

4.1.2.

Beoordeling

Voor een bewezenverklaring van artikel 6 WVW is vereist dat komt vast te staan dat een verdachte zich zodanig heeft gedragen in het verkeer dat een aan zijn schuld te wijten ongeval plaatsvindt. Of sprake is van schuld hangt af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst van de eventuele inbreuk(en) op de verkeersregels en op de algemene veiligheid die dit gedrag en/of nalaten teweeg brengt, en van de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in het algemeen valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van de genoemde bepaling. Bovendien kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag worden afgeleid dat sprake is van schuld.

In dit geval geldt het navolgende.

De verdachte reed in de vroege ochtend op een voor hem bekende weg in de gemeente Numansdorp in een personenauto in de richting van een T-kruising. De verdachte was intensief in gesprek met zijn collega [naam collega verdachte] , die als passagier achter hem in de auto zat. Hij keek - naar eigen zeggen – tijdens het gesprek telkens in zijn binnenspiegel en lette daardoor niet op de weg. De verdachte heeft hierdoor niet tijdig opgemerkt dat er een tractor reed op de weg die hij in wilde slaan. De verdachte is vervolgens, nog steeds zonder aandacht op de weg te houden, links afgeslagen en heeft daarbij de bocht afgesneden, waardoor hij niet zo veel mogelijk rechts heeft gereden maar op de andere weghelft terecht is gekomen. En dat juist op het moment dat er een tractor aan kwam rijden. Deze tractor had zijn verlichting aan, zodat hij ook in het donker goed te zien moet zijn geweest. Al op de kruising is de verdachte nagenoeg frontaal in botsing gekomen met de tractor. Ten gevolge van dit ongeval is [naam collega verdachte] zeer zwaar gewond geraakt. Aan dit hersenletsel is hij later in het ziekenhuis overleden.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande in samenhang bezien, van oordeel dat de verdachte niet de voorzichtigheid en oplettendheid heeft betracht die redelijkerwijs van een bestuurder mag worden verwacht. De rechtbank neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat de verdachte zijn aandacht gedurende enige tijd, terwijl hij in de richting van een T-kruising reed en terwijl hij een bocht nam, volstrekt niet heeft gericht op het andere verkeer.

Dat [naam collega verdachte] mogelijk zijn autogordel niet heeft gedragen, doet aan het vorenstaande niet af.

Het rijgedrag van de verdachte is aanmerkelijk onzorgvuldig, onvoorzichtig en onoplettend geweest, zodat geconcludeerd wordt dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte is te wijten.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 15 januari 2019 te Numansdorp, gemeente Hoeksche Waard,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden op de voor het openbaar verkeer

openstaande weg, de Middelsluissedijk Oz, door aldaar met dat motorrijtuig aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam en

met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te

rijden,

welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

- een bocht naar links heeft ingezet door de binnenbocht te nemen en die bocht

wilde afsnijden en

- bij het nemen van die bocht op het rijbaangedeelte van het hem, verdachte,

tegemoetkomende verkeer is gaan rijden, althans niet voldoende rechts heeft

gehouden en

- niet heeft opgemerkt dat een tractor, die hem, verdachte, via die rijstrook voor

het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer was genaderd, inmiddels in die

bocht naar rechts reed en

- ( vervolgens) in die bocht frontaal in botsing is gekomen met die tractor,

waardoor een in het door verdachte bestuurde voertuig gezeten passagier,

[naam slachtoffer] , werd gedood.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

primair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straffen

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval met dodelijke afloop.

De passagier, een collega en kennis van de verdachte, is door het ongeval overleden. Daardoor is aan de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed toegebracht en zullen zij moeten leven met het verlies van hun dierbare.

De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij onvoldoende oplettend is geweest in het verkeer.

Anderzijds weegt de rechtbank mee dat ook de verdachte de noodlottige gevolgen van zijn verkeersgedrag niet heeft gewild. Verder heeft hij oprecht zijn spijt betuigd, en heeft hij op invoelbare wijze verklaard dat de dood van zijn collega grote impact heeft gehad en nog steeds heeft.

De rechtbank heeft in een uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 januari 2021, gezien dat de verdachte (in Nederland) niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Gelet op het voorgaande en op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals naar voren gebracht ter terechtzitting, zal de rechtbank – geheel overeenkomstig de eis van de officier van justitie - een taakstraf opleggen van 180 uur. Daarnaast zal de gevorderde (voorwaardelijke) rijontzegging worden opgelegd van 1 jaar. Deze voorwaardelijke rijontzegging zal tevens worden opgelegd om er voor te zorgen dat de verdachte in de toekomst geen nieuwe strafbare feiten zal plegen in het verkeer.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;


veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 1 (één) jaar;

bepaalt dat de ontzegging tot het besturen van motorrijtuigen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.A. van der Laan-Kuijt, voorzitter,

en mrs. W.A.F. Damen en F.J.E. van Rossum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A-L.H. Wilkens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 15 januari 2019 te Numansdorp, gemeente Hoeksche Waard,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden op de voor het openbaar verkeer

openstaande weg, de Middelsluissedijk Oz, door aldaar met dat motorrijtuig zeer,

althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of

met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te

rijden,

welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

-een bocht naar links heeft ingezet door de binnenbocht te nemen en/of die bocht

wilde afsnijden en/of

-bij het nemen van die bocht op het rijbaangedeelte van het hem, verdachte,

tegemoetkomende verkeer is gaan rijden, althans niet voldoende rechts heeft

gehouden en/of

-niet heeft opgemerkt dat een tractor, die hem, verdachte, via die rijstrook voor

het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer was genaderd, inmiddels in die

bocht naar rechts reed en/of

-(vervolgens) in die bocht frontaal in botsing is gekomen met die tractor,

waardoor een in het door verdachte bestuurde voertuig gezeten passagier,

[naam slachtoffer] , werd gedood;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 januari 2019 te Numansdorp, gemeente Hoeksche Waard

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor

het openbaar verkeer openstaande weg, de Middelsluissedijk Oz, zich zodanig

heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden

veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden

gehinderd;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

-een bocht naar links heeft ingezet door de binnenbocht te nemen en/of die bocht

wilde afsnijden en/of

-bij het nemen van die bocht op het rijbaangedeelte van het hem, verdachte,

tegemoetkomende verkeer is gaan rijden, althans niet voldoende rechts heeft

gehouden en/of

-niet heeft opgemerkt dat een tractor, die hem, verdachte, via die rijstrook voor

het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer was genaderd, inmiddels in die

bocht naar rechts reed en/of

-(vervolgens) in die bocht frontaal in botsing is gekomen met die tractor.